Wat zich verzet is dat waarmee je dagen vult

In de reeks debuutrecensies zullen de komende vier afleveringen de genomineerde bundels voor de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut besproken worden. De winnaar wordt op 15 juni bekend gemaakt tijdens het 41e Poetry International Festival Rotterdam. De genomineerde bundels zijn:

• Gert de Jager – Sterk zeil (De Contrabas)

• Elmar Kuiper – Hechtzwaluwen (Augustus)

• Delphine Lecompte – De dieren in mij (De Contrabas)

• Nina Werkman – Antidata (Uitgeverij Holland)

De tweede aflevering: Gert de Jager – Sterk Zeil (De Contrabas)

Gert de Jager (1957) is leraar Nederlands op het Barlaeusgymnasium in Amsterdam. Dit belette hem niet in 2009 te debuteren als dichter met Sterk zeil. De bundel opent met een aantal gedichten dat leunt op ingetogen registratie:

Lof van het koetswerk

Stoppelveld dat een kale zon

weerspiegeld, dennen. Aan de

bosrand een boerderij met

op het dak iemand die

schreeuwt dat er niks loos

is. Je loopt naar je

schrijftafel en bladert in

beelden van anderen. Je

schrijft: mijn hart is onrustig.

Je schrijft: ik men mijn wagen

naar de oude vlakte.

Het samenspel van beelden is spannend (wat doet die man op het dak?) en kan gelezen worden als een aankondiging (‘je (…) bladert in beelden van anderen’), maar dit is niet een erg overrompelende bundelopening. De enjambementen zijn wat onhandig en laten het gedicht haperen. De laatste regel fascineert omdat die uit de toon valt, maar uit de aantekeningen achterin de bundel blijkt deze ontleend aan een gedicht van de mij onbekende Li Shangyin. In de formulering (‘Je schrijft’) doet het me verder erg aan Kopland denken – ook verderop vinden we deze opsommende dubbele puntnotering als notities in een logboek (‘Je zegt:’, ‘Schreef:’, ‘Je weet:’, ‘Je denkt’, ‘En:’).

Technisch zit het tweede gedicht beter in elkaar.

Wat om terug..

Wat om terug te gooien

in de vijver? De stoel waarop je

zit, het aas? De krakende

pedalen van je fiets of

de zuivere pieptoon van de

wekker? Of misschien op

dit

moment, terwijl je je

brood snijdt, de zon

valt op mes en plank, de

scheiding van water en aarde?

Een mooi, zichzelf subtiel uitrollend gedicht. Toch vind ik het jammer dat De Jager in de laatste regel zo groot uitpakt en de elementengrens zoekt, naar daarvoor zo zorgvuldig de kleinere delen te hebben benoemd. Deze hang naar het grootse komt vaker terug. Af en toe pakt dit goed uit (‘de dag kan ik niet / tussen, de nacht kan ik / niet uit’), dan neigt het weer naar kitsch: ‘het water / dat zijn duisternissen kent en / zijn onver- / klaarbare lichte plekken.’ Of: ‘Zag de sluiers van de werkelijk- / heid die recht voor de sluiers van de illusie han- / gen’. Van de afbrekingen begrijp ik overigens vaak weinig.

De Jagers gedichten zijn meestal kort, met hier en daar treffende regels: ‘Mijn / handen kennen / hun grenzen niet’. Of neem het sterke:

Hoog bezoek

Wat zich verzet is dat waarmee

je dagen vult: de

afgewogen inrichting, het

glaswerk en de borden.

Tegenover je aan tafel zit iemand

die met je wil praten,

afgewogen zijn woorden

kiest, je hand vastneemt.

Straks, wanneer een vreemdeling je

huis binnenkomt, zet je

koffie, serveer

je taartpunten,

ontruim je de tafel, haal je

in de

kast kleren van

de hangers.

Soms echter zijn het ook te summiere schetsjes om een gedicht te kunnen zijn. Neem:

In het leven

De schoonheid van een

man die fietst langs het

kanaal, doorfietst,

de damp tot zich in laat

trekken, loskomt.

Er staat wat er staat, maar meer ook niet. Het grijpt niet aan; is wel herkenbaar maar niet erg verrassend of spannend. Er staan net te veel van dit soort niemendalletjes in de bundel die als opvulling lijken te dienen – waarom?

Het is lastig de thematiek in Sterk zeil, de epistemologische vraag van het weten, te duiden: is er nu een verlangen naar onderdompeling in de onmetelijke onkenbaarheid (in ‘Het ingesnoerde’ klinkt de wens: ‘Motregen van niet- / weten: omhul ons.’), of kenbare metafysica ‘(‘Het Hogere roept ons / en laat zich kennen’)? Hier komen thematiek en stijl (beschrijvende observaties) dicht bij elkaar, wat de bundel consistent maakt:

In elke betekenis

Je ging zitten en dacht na over wat je er liet zijn:

alles om je heen.

Je weet: zijn is waargenomen worden te midden van kosmische

straling, een onophoudelijk gonzen.

Je reflecteert over je zintuigen en rekt je languit, je ene

hand raakt de andere: 2 m 35 als

je staat.

Je bedenkt: zijn is aangenomen worden in elke betekenis die je

maar kunt bedenken.

Die jongen is goed van aannemen en het aannemen

der zee.

De waarnemer definieert zijn wereld (elders: ‘het bestaat in je hoofd en dus bestaat het’). Of toch niet? Zijn er dingen (‘zee’) te groot voor ons vermogen tot waarnemen zodat we ze gewoon moeten aannemen?

De poëzie van Gert de Jager adresseert in kleine waarnemingen dit soort grote vragen. Het is alleen jammer dat ik me niet aan de indruk kan ontrekken dat het niveauverschil tussen de gedichten erg groot is: met name in het tweede deel van de bundel zijn ze minder sterk, vrijblijvender ook. In Sterk zeil staan zeker gedichten die de moeite waard zijn, maar als geheel ontbreekt het de bundel aan consistente kwaliteit.

Jurre van den Berg

Gert de Jager – Sterk Zeil. Uitgeverij de Contrabas, Utrecht / Leeuwarden. €12,50.

Reacties