De afgelopen twee weken heb ik me vaak verbaasd. Literair Nederland is onthutst door de bezuinigingen op de literaire tijdschriften. Staatssecretaris Halbe Zijlstra heeft namelijk besloten om de drie ton subsidie aan de tijdschriften stop te zetten. Ze trekken te weinig lezers. Hij neemt daarmee grotendeels het advies van de Raad voor Cultuur over. De onrust die vervolgens in dag- en weekbladen en op internet ontstond, verwonderde me. Alsof het besluit onverwachts kwam.
Ook de quasi-laconieke reacties van redactieleden van literaire tijdschriften vielen mij op. ‘We bekijken nog hoe we gaan reageren,’ zei redactielid Michel van de Waart van De Gids in NRC Handelsblad. Merijn de Boer van Tirade zei in dezelfde krant: ‘We hebben nog geen plan liggen, maar het is duidelijk dat we niet op dezelfde manier kunnen doorgaan.’
Functies literaire tijdschrift
Zelf schreef ik in 2009 een masterscriptie over de vier grootste literaire tijdschriften (De Gids, De Revisor, Hollands Maandblad en Tirade) waarin ik met empirisch onderzoek aantoonde dat ze hun belangrijkste functies waren kwijtgeraakt. De tijdschriften fungeren niet meer als kweekvijver voor nieuw talent en het literaire debat vindt er geen podium meer.
In totaal publiceerden er in de periode 1999 – 2008 3849 auteurs werk in De Gids, Tirade, Hollands Maandblad en De Revisor. Van deze auteurs waren slechts 52 (1,4%) tijdschriftdebutant. In dezelfde periode stonden er in totaal 5812 bijdragen in de vier literaire tijdschriften. Slechts 0,8% (48 bijdragen) van deze bijdragen wilde aanzetten tot een literair debat. Uiteindelijke groeiden tien van deze bijdragen daadwerkelijk uit tot een echt literair debat. De volledige onderzoeksresultaten zijn hier terug te lezen.
Over de kweekvijverfunctie was ik duidelijk. Deze functie is het literaire tijdschrift gewoonweg kwijtgeraakt. Debutanten en tijdschriftredacties verwerven geen symbolisch kapitaal meer, aangezien een uitgeverij de tijdschriftachtergrond van nieuw talent niet meer meeneemt in haar beslissing om al dan niet werk van dit talent te publiceren. De debutant zoekt nu naar andere mogelijkheden: de literair agent, schrijfwedstrijden, websites als TenPages.com en pulpfictie.nl.
Over de functie van het literaire debat was ik destijds positiever. ‘Een goed en kwalitatief elektronisch tijdschrift kan het literaire debat weer nieuw leven in blazen,’ schreef ik in mijn scriptie. En ik was zeker niet de eerste die dat voorstelde. Eerder schreven Paul Bogaert, Yra van Dijk, Thomas Vaessens, Jan Baetens en Dirk de Geest over de voordelen van internet voor de literaire tijdschriften.
Afwezigheid op internet
In de nieuwe subsidieregelingen voor literaire tijdschriften die per 1 januari 2009 ingingen, trok het Nederlands Letterenfonds maar liefst 1,2 miljoen euro uit voor de Nederlandse literaire tijdschriften: ‘Van de literaire tijdschriften verwacht het NLPVF (het heet nu het Nederlands Letterenfonds, BT) allereerst inhoudelijke kwaliteit, en daarnaast een vergroting van hun publiekbereik, een professionele exploitatie en aanwezigheid op internet.’ Maar er is vrijwel niets veranderd sinds 2009.
De Revisor is het tijdschrift dat het meeste gehoor heeft gegeven aan de oproep van het Nederlands Letterenfonds. De nieuwe redactie (Gustaaf Peek, Daan Stoffelsen, Jan van Mersbergen en Erik Lindner) zette een stap naar het internet. In januari van dit jaar toonde ik mij op dit weblog positief over deze ontwikkeling. We zijn nu een paar maanden later en de vreugde is stukken minder geworden. Er gebeurt soms weken niets op de website van De Revisor. Dat is verdomde jammer, want juist door frequent bijdragen te publiceren vergroot je het publiekbereik. Ook is er geen sprake van literair debat op de site – dat is teleurstellend. De Revisor was immers vroeger een belangrijke schakel in het literaire debat.
Maar bij andere literaire tijdschriften is het erger. Bij hen ligt nog steeds de nadruk op de papieren uitgaven. De Gids publiceert sommige stukken weliswaar online en Tirade heeft een site waar ze schrijvers uitnodigt om een blog bij te houden. Het is slechts een wassen neus. Verwonderlijk was dan ook de reactie van Suzanne Meeuwissen, binnen het Nederlands Letterenfonds verantwoordelijk voor de binnenlandse subsidies, tegen Sebastian Kort van NRC Handelsblad vorige week: ‘We hebben de voorwaarden flink aangescherpt de laatste jaren. Zo moesten de tijdschriften zich digitaal meer laten zien en moest men actiever op zoek naar alternatieve financiering.’ De voorwaarden flink aangescherpt. Ja, ja.
Oproep groep schrijvers
En dan was er nog de brief van een groep schrijvers, waaronder Maarten Asscher, Maarten ‘t Hart, Mensje van Keulen, Ramsey Nasr en Joost Zwagerman, die zich verzet tegen de bezuinigingen op de literaire tijdschriften. ‘De ontwikkeling van het schrijverschap in het Nederlands en dus van de Nederlandse literatuur zou zeer geschaad worden door het verdwijnen van de literaire tijdschriften’, schreven de ondertekenaars. Het is een brief waarin geen enkel nieuw argument wordt aangehaald vóór behoud van literaire tijdschriften. De ondertekenaars presenteren oude koek. Het is een brief die juist laat zien dat het literaire tijdschrift slechts een marginale rol speelt in het literaire veld.
Even een paar citaten: ‘Graag wijzen wij erop dat nagenoeg alle betrokken tijdschriften behalve met hun papieren edities, gelezen door een publiek van abonnees, professionele lezers en schrijvers, alsook leden van (universiteits)bibliotheken, tevens op internet actief zijn met eigen en gezamenlijke websites.’ Ik ben benieuwd wat de groep schrijvers verstaat onder ‘actief’. Het zal vast niet de flitsende website van Hollands Maandblad zijn waar volop discussie is en wekelijks nieuwe stukken staan van jong en oud talent.
Of: ‘Zowel voor gearriveerde als voor beginnende schrijvers is een levendige omgeving van literaire tijdschriften van het allergrootste belang, en zal dat ook in de voorzienbare toekomst blijven.’ Afgezien van het woord ‘levendig’ (grappig in deze context), is dit argument onjuist. Dat heeft mijn onderzoek in 2009 al laten zien. Beginnende schrijvers vullen zelden de pagina’s van de literaire tijdschriften. In De Groene Amsterdammer van vorige week haalde Revisor-redacteur Erik Lindner de dichteres Lieke Marsman (winnares C. Buddingh’-prijs 2011) aan in een stuk over de literaire tijdschriften. Hij vertelde over haar debuut in Tirade en haar poëziedebuut bij Van Oorschot. Eigenlijk leek hij te willen roepen: ‘Alles te danken aan het literaire tijdschrift!’ Los van het gegeven dat ik denk dat de poëzie van Marsman ook zonder haar debuut in Tirade gepubliceerd zou zijn geworden, talent wordt niet gemaakt door het literaire tijdschrift (ook al willen sommige tijdschriftredacteuren dat doen geloven), kun je tegenover het argument van Lindner talloze debutanten zetten die succesvol zijn uitgegeven zónder het literaire tijdschrift. Bakker, Treur, Victoria, Weijts. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
De brief van de schrijvers eindigt als volgt: ‘Wij roepen derhalve het parlement op deze ongefundeerde ingreep in de letterenwereld terug te draaien, de tijdschriften te blijven steunen die zo’n stimulerende en verbindende rol spelen in de literaire wereld, en de sector op een integere en professionele manier te betrekken bij de door de politiek gewenste ontwikkeling van haar subsidiebeleid in de letteren.’ De groep schrijvers wil niet inzien dat de literaire tijdschriften hun belangrijkste functies zijn kwijtgeraakt. Ze hebben een ‘verbindende’ rol? Onzin. Ze spelen, zoals eerder gezegd, slechts een marginale rol.
Het Nederlands Letterenfonds
Afgelopen week riep het Nederlands Letterenfonds, onder leiding van Henk Pröpper, schrijvers op om vanmiddag aanwezig te zijn bij de Mars der Beschaving. Het protest tegen de bezuinigingen van het kabinet op cultuur. ‘De lijst met deelnemers bestaat nu vooral uit mensen uit de podiumkunsten en de muziek, laat de literatuur daar ook vertegenwoordigd zijn,’ aldus het Letterenfonds. Opnieuw verbazingwekkend.
Pröpper had zijn kans eerder moeten grijpen. Hij beheerde de pot met de aan tonnen verkregen subsidies. Hij had de redacties van de literaire tijdschriften harder moeten aansturen en ze de weg moeten wijzen naar de digitale wereld. Het Nederlands Letterenfonds is steeds te afwachtend en te vrijblijvend geweest. Dan moet je nu niet gaan roepen en protesteren. Je had iets moeten doen.
Nu dreigen door de bezuinigingen sommige literaire tijdschriften te stoppen. Maar is dat erg? Nee. De tijdschriften hebben hun belangrijkste functies verloren. Ze doen er niet meer toe in het literaire veld, ze zijn hun symbolische kapitaal kwijtgeraakt. De afgelopen jaren konden de literaire tijdschriften de overstap maken naar het internet. Ze deden het niet of zijn niet zichtbaar genoeg. Daardoor zijn ze lezers kwijtgeraakt. Literaire tijdschriften hebben hiermee hun eigen ondergang bewerkstelligd.
Bart Temme




Over getallen heeft niemand het hier overigens. Ik kan me voorstellen dat er mandolineorkesten of jeux-de-boulesclubs zijn met minder dan 50 leden die ook ergens respectvol ondersteund worden.
Over die voorwaarden van de regering: je hebt gelijk, Coen. En zo moet het ook blijven. En daarvoor bestaan fondsen die de gelden verdelen en eisen stellen aan de ontvangers, en door de regering op de vingers getikt kunnen worden, en die ook ontvangers op de vingers kunnen tikken. Echter mijn grootste bezwaar is dat er een kabinet aan die fondsen voorbij gaat en zonder naar een raad voor de kunsten te luisteren bepaalt wat er weg mag, nee: weg moet. (Lees: geen subsidie meer krijgt. En in sommige gevallen dus economisch niet overeind kan blijven.)
Daar maak ik me zorgen over. Niet dat een literair tijdschrift geen subsidie meer krijgt. Tijdschriften blijven komen en gaan, auteurs blijven altijd literatuur schrijven. Maar nu wordt zonder kennis te hebben van dit podium voor kort literair werk iets genadeloos afgestraft, nee afstraffen is het niet – het is meer koelbloedig opknopen. Hadden ze eerst naar Temme geluisterd, en daarna navraag gedaan bij het Letterenfonds en daarna een stelling ingenomen waarmee het Fonds vervolgens weer aan de slag zou moeten, dan was het anders geweest. Nu wordt het besluit genomen bij twee kabinetspartijen plus een gedoogpartij, waarschijnlijk zonder dat er literatuurspecialisten bij zijn geweest.
@ Luc en Samuel: het gaat wel degelijk over getallen. Jullie kunnen niet de marktwerking weghonen (dat gaat toch immers over getallen) en dan weglopen als er een vraag naar het minimumaantal abonnees wordt gesteld. Het Fonds van de Letteren / het Letterenfonds heeft jarenlang geld in die bladen gepompt om (onder meer) het lezerspubliek te vergroten. Bij de meeste bladen is dat mislukt (op papier en digitaal). Je kunt de bladen daar wel degelijk op afrekenen.
Wat jullie beiden doen is weglopen voor een onderbouwing die aantoont wat wel de waarde is van literaire tijdschriften. Dat er particuliere motieven zijn (heb ik ook) en persoonlijke geschiedenissen (heb ik ook) en persoonlijke voorliefdes (heb ik ook) en afkeuren (heb ik ook) is toch geen basis voor een subsidie?
Klopt. Maar net zomin hoort persoonlijk wrok voor de elite een reden te zijn vanuit het kabinet een deskundig fonds voorbij te streven en alle subsidie af te snoeren.
@ Luc: het spijt me wel, maar je redeneert ontzettend onzorgvuldig. De ene keer heeft de kabinetsbeslissing te maken met het marktdenken, de andere keer met ‘wrok voor (tegen) de elite’. Dat laatste is een onbewijsbare aanname.
Ik stop hier met de discussie.
@Coen: het is niet aan mij, maar aan de Staat, om te bepalen of ergens subsidie voor komt. Dus ik ga ook niet voor de Staat bepalen volgens welke criteria zij subsidie uit moet delen. Is mijn taak niet als tijdschriftredacteur.
Maar wat ik wel bereid ben te doen is: iedereen, lezers, Staat, en de rest van de mensheid, duidelijk te maken waarom ík althans geloof ik nY, het blad waar ik sinds kort redacteur van ben. Ons tijdschrift is een heel specifiek verzamelpunt voor literatuur. Wij bieden een inhoudelijke aanvulling op wat er verder zoal te koop is. Daarom beveel ik nY bij iedereen aan, lezers, Staat en de rest van de mensheid.
En ja, hoe meer lezers hoe beter. Dat wil zeggen: ik maak het blad voor allen die het zou kunnen interesseren. Voor meer lezers dan die groep maak ik het niet.
De “wrok tegen de elite” kan trouwens wel bewezen worden, tenzij je natuurlijk wacht op een VVD’er die on record zegt “Wij bezuinigen uit wrok tegen de elite!”. Nee, een VVD’er zal lekker gaan wauwelen over marktwerking (en dan vervolgend nauwelijks korten op de “topinstituten” waarvan je toch zou denken dat die iets met die marktwerking kunnen doen). Maar vergelijk voor de gein eens wat CDA en VVD aan kunstbezuinigingen voor hebben gesteld bij de verkiezingen met wat ze nu in feite doen. Het komt helemaal uit de koker dus van de populisten, van Wilders. Ga vervolgens eens na hoe de populistische retoriek van ze in elkaar zit.
Ik vind het bijzonder duidelijk. Marktwerking wordt als toverwoord gebruikt om de rancuneuze kortingen die de populisten hebben afgedwongen een liberaal jasje te geven. Feitelijk heeft het niets met “marktwerking” te maken, tenminste, niet als je een grote en machtige kunstinstelling bent. Die “marktwerking” is meer een soort disciplinerende mantra, iets dat wij moeten internaliseren, zodat we gaan denken dat alles wat er gebeurt helemaal niet het gevolg is van politieke keuzes.