In 2013 is het 150 jaar geleden dat Louis Couperus geboren werd. Daarom is het dit jaar Louis Couperusjaar. Reden voor Doeke Sijens en Coen Peppelenbos om het Verzameld werk van de schrijver te lezen van deel 1 tot en met deel 50. Vandaag deel 42: Iskander. De roman van Alexander de Grote.

De vreeslijke stroom des Tijds

Iskander (1920) is de laatste roman die Louis Couperus heeft geschreven. Hij werkte een heel jaar lang in Den Haag aan dit omvangrijke boek over Alexander de Grote (356 – 323 v. Chr.) en deed veel onderzoek in de Koninklijke Bibliotheek. In het boek volgen wij Alexander en zijn Griekse leger op hun veroveringstocht door het Oosten om wraak te nemen op de Perzen. In eerste instantie lijkt de roman de zelfde weg op te gaan als Xerxes, met uitgebreide beschrijvingen van legermanoeuvres. Dit verandert echter snel, zodra de Perzische koning Dareios op de vlucht is geslagen en zijn moeder, vrouw en kinderen in handen van Alexander vallen. Traditioneel werden dergelijke familieleden direct ter dood gebracht, maar Alexander behandelt hen juist met respect. In de ogen van zijn Griekse vrienden is dit een ernstige fout, het eerste teken dat hun leider zich teveel met het veroverde land identificeert. De koninklijke vrouwen, evenals de rituelen van het Perzische hof, hebben een bijna hypnotiserende werking op de grote veroveraar. Daarmee zet Couperus het verhaal meteen op scherp: aan de ene kant de bijna niet te stillen honger van Alexander naar nieuwe veroveringen, aan de andere kant zijn gevoeligheid voor indrukken en individuen. In deze beginperiode is Alexander nog een ongecompliceerde held, met een innemende persoonlijkheid. Naarmate hij langer in het Oosten verblijft verandert hij in een hautaine heerser, die zich vervreemdt van zijn vroegere vrienden.

Zoals Bas Heijne ook al heeft geschreven, worden in Iskander adembenemende massa-scènes afgewisseld met intieme close-ups. Het verhaal wordt voortgestuwd door de innerlijke onrust van Alexander. Couperus heeft deze ambitieuze roman met grote zelfverzekerdheid geschreven, opbouw en uitwerking zijn perfect. Terwijl hij met het boek bezig was, vroeg hij kennissen met een militaire achtergrond om de passages over veldslagen kritisch te lezen. Of zij iets hebben bijgedragen aan de volgende beschrijving van een falanx is helaas onbekend.

Op de heuvelende, bekrompene ruimtes scheidden zich hunne openende en weder toe sluitende, vierkante massablokken machinaal; zij vereenigden zich weder, verlieten weder elkander; zij bleven als ijzeren dobbelsteenen, die een onzichtbare reuzenspeler, een godshand nootlotsvol hier wierp, daar wierp: de speren zwenkten rechts en staken, de speren zwenkten links en staken in dichte Perzendrommen: door die aan-een gesloten, radeloos makende vierhoeken, wigvormige driehoeken en parallellogrammen, die zich beschreven in zuiver wiskunstige oplossingen van verbijsterende problemen, werd de Perzische cavalerie dol, vooral als zij op de Thessalisische ruiters wilde los chargeeren.

Iskander

Couperus heeft Iskander gebaseerd op het werk van drie antieke biografen van Alexander: Lucius Flavius Arrianus, Plutarchus en Quintus Curtius Rufus. Als je hun boeken over Alexander alleen maar even vluchtig inkijkt, dan zie je al meteen dat Couperus van alle drie auteurs zaken heeft geleend. Van Arrianus vooral de militaire gegevens, van de andere twee schrijvers de smeuïge verhalen. Couperus heeft echter onnoemelijk veel details zelf toegevoegd om er een consistent verhaal van te maken. Hij heeft daarbij zijn stof streng geordend. De Griekse periode bijvoorbeeld slaat hij over, evenals de tocht van Alexander naar Egypte. Dit laatste heeft hij waarschijnlijk gedaan omdat hij al uitgebreid over dat land had geschreven in Antiek Toerisme. Over de grote (en eindeloze) tocht naar de Indische Oceaan laat Couperus rapporteren middels brieven, die aan de Perzische prinsessen worden gezonden, een uiterst effectief middel om de vaart in het verhaal te houden. Door deze opzet kon Couperus zich ten volle concentreren op de psychologische ontwikkeling van Alexander, waarvoor zijn bronnen trouwens niet dezelfde verklaring geven. Couperus moest hier dus ook zelf een theorie over opbouwen. Het geloofwaardige portret dat Couperus van de Griekse veroveraar schetst is dat van een man, die hoogmoedig is maar toch ook twijfelt. Hij gelooft echt dat hij een zoon van Zeus is (dus een God), maar weet ook dat hij niet onoverwinbaar is. Het verblijf in het Oosten beïnvloedt hem sterk, maar dat is – anders dan bij zijn biografen – niet het enige wat hem naar de ondergang drijft. Couperus voegt hier een eigen aspect aan toe, namelijk een toenemende onthechting, die zich ondanks alle successen meester van Alexander maakt.

En dezen dag, dat het Graf van Kyros hem was ontsloten, was hem de ontzettende openbaring geworden van de nutteloosheid en het niets aller aardsche grootheid…Wat gaven alle overwinningen ter wereld zoo zij slechts eindigden in dood en vernietiging en vergetelheid en ongedierte! (..) Nieuwe Koningen zouden in volgende eeuwen geboren worden, uit goddelijken of zelfs menschelijken oorsprong; nieuwe oorlogen zouden gevoerd worden; nieuwe rijken zouden worden gesticht…en alles zoû wederom de vreeslijke stroom des Tijds mede sleepen, achter latende den wanhopigen, verbaasden mensch, die zich af zoû vragen het vreeslijke, eeuwig antwoordlooze waarom van al dit eindelooze worden en eindelooze vergaan der grootste, bereikbare dingen!

Iskander is een zeer imposante roman met virtuoos uitgesponnen beschrijvingen, prachtige en verrassende details en uiterst genuanceerde karakteriseringen. Talloze figuren passeren de revue, waardoor niet alleen Alexander maar ook zijn entourage tot leven komt. Een belangrijke rol is toebedeeld aan de eunuch Bagoas, die met zijn ‘wiegedansende, jonge knapelichaam’ grote invloed op Alexander heeft. Eerst wordt hij door Couperus als een ‘lila slang der verleiding’ omschreven. Bagoas wil wraak nemen op Alexander voor het vernietigen van het Perzische koninkrijk. Daartoe maakt hij Alexander op sinistere wijze verslaafd aan sterke wijnen, die zijn denken verwarren. Ook weet hij hem seksueel aan zich te binden door geheimzinnige dansen.

Ik heb niet die kracht. Ware ik niet ontmand, ik hadde die kracht wellicht. Ik heb nu alleen de kracht de onzichtbare draden te spinnen van het web, waarin hij zich zal verwarren…en sterven.

Na verloop van tijd gaat Bagoas echter van Alexander houden en is hij uiteindelijk een van de weinigen die hem nog kan kalmeren.

Terwijl Iskander in Groot-Nederland verscheen, maakte Couperus al weer plannen om op reis te gaan. Toen de roman in november 1920 in boekvorm verscheen, was hij in Noord-Afrika. Hier bezocht hij de ruïnes van Carthago, een stad die Alexander graag had willen veroveren.

Doeke Sijens

Louis Couperus – Iskander. De roman van Alexander de Grote. Amsterdam/Antwerpen, L.J. Veen, 1995 ( Oorspronkelijke uitgave: Iskander; roman van Alexander den Groote, 2 delen. Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar’s Uitgevers-Maatschappij, 1920), 547 blz. Volledige Werken Louis Couperus 42.

(Afbeelding omslag via de site van het Louis Couperus Genootschap, waarop een schat aan achtergrondinformatie staat.)