ik weet /niet wat ik zing, tot het gezongen is *

Opzij van het kijken luidt de titel van de pas uitgekomen bloemlezing van de gedichten van Eva Gerlach. Geboren in 1948, gedebuteerd in 1979 met de bundel Verder geen leed, schreef zij een heel oeuvre bij elkaar. En naast veel andere prijzen ontving ze in 2000 de P.C. Hooftprijs voor haar hele werk. Veel van haar bundels staan in mijn boekenkast. Hoe heeft haar dichterschap zich ontwikkeld in al die tijd?

Herinneren

Eén gedicht ‘De kracht van verlamming’, is lange tijd voor mij, en voor mij niet alleen, een lievelingsgedicht geweest:

De kracht van verlamming

Jij moest de ene kant,

ik om naar huis te gaan de andere op.

Riep iets, keek naar me om, ik naar jou maar een stroom

zwart nam je mond weg, je stem mee naar binnen en lang

dacht ik geen nacht meer aan je

tot tegen asfalt, één gillend naast mij, één stom

tegen mijn schouder, één dieper en weerlozer, hoofd in mijn schoot,

ik zingen moest en zong

‘de sleutel is gebroken -‘

Zag je, zag uit mijn hoofd in de spiegel je ogen.

Achter ons, krimpend als regels die je vergeet,

uit je haar schudt bij het opstaan, de rijstroken. ‘Daar’

zei je, pupillen snel kleiner, en buiten, gekanteld, die twee,

tot aan het stuur in elkaar doorgereden.

Zo kalm, blind voor gevaar,

zo in elkaar verdwaald, hals over kop,

zo onbedoeld en zonder uit te wijken,

zo scherp elkaar in het gezicht te kijken.

Opmaak 1Ik las het eerst vooral als het wanhopig oproepen van een verloren liefde, twee mensen die halsoverkop in elkaar vast gelopen waren, beelden die mij toen persoonlijk raakten. Later las ik beter en zag meer de raadselachtigheid van dit gedicht. Er staat een motto bij de titel uit Dante’s Divina Commedia, dat trouwens in deze bloemlezing niet is opgenomen: ‘Misschien is ooit door de kracht van de verlamming/ Iemand zo geheel omgedraaid vergroeid’ luidt de vertaling. Die tekst slaat op Orpheus, die in de hel achterom kijkt naar zijn geliefde en haar zo verliest. Maar Gerlach zou hiermee ook verwijzen naar de kracht van de herinnering, het achterom kijken, dat kan verlammen. De werking van herinneringen is een belangrijk thema in haar poëzie. Je komt er niet van los, maar tegelijk verspringen de beelden iedere keer weer, als je terugblikt. De zinnen ‘Achter ons, krimpend als regels die je vergeet,/ uit het haar schudt bij het opstaan, de rijstroken. ‘Daar’/’ kunnen hier ook naar verwijzen. ‘Ik schrijf zinnen op in het wilde weg en in gesprek met zichzelf springen ze van de hak op de tak’ zegt ze immers zelf.

Er zijn veel analyses op dit gedicht losgelaten en ik probeerde het ook beter te begrijpen. Wie is bijvoorbeeld de ‘jij’ in de eerste strofe? Het kan een minnaar zijn, maar ook een vader, mede gezien dat kinderliedje, ‘de sleutel is gebroken’. Maar van wie is dan dat ‘hoofd in mijn schoot’ in de tweede strofe? Is dat een herinnering aan het vroegere trauma van dat ‘ongeluk’? En wie is de ‘je’ dan in ‘Zag je, zag uit mijn hoofd in de spiegel je ogen’ ? ‘Het kan de dode geliefde zijn, die als een omgekeerde Orpheus weer tot leven komt om de ik in nachtmerries en dagdromen te bezoeken’ oppert Herman De Coninck, die in zijn essaybundel Intimiteit onder de melkweg (1994) op dit gedicht ingaat. En hij komt zelfs uit bij twee auto-ongelukken. Het vreselijke auto-ongeluk is in elk geval een metafoor voor een al even vreselijke liefde van in elkaar verdwaalde mensen, vindt hij, het beeld dat mij ook als eerste trof. Gerlach schrijft geen intertekstuele poëzie, zegt de Coninck, waar hij duidelijk geen liefhebber van is. Die verwijzen teveel naar andere teksten, vol taalvondsten, uitmondend in een taalkundige doolhof, waarbij de enige emotie nog is, dat je slim bent omdat je het snapt. Ikzelf vind de meerduidigheid en taalvondsten in Gerlachs gedichten en het feit dat haar persoonlijke beelden je hoe dan ook bij de keel grijpen, kenmerkend voor haar poëzie. En ik hoef daarbij niet alles te weten.

Opzij van het kijken

Haar vorige bloemlezing, Het gedicht gebeurt nu over de periode 1997-2009, kwam in 2010 uit. Ze had daarin al flink geselecteerd. Ze is hiervoor veelvuldig geprezen, als scherpe observator, die laat zien hoe waarneming onverwachts verspringt en in de taal nieuwe betekenissen krijgt. Deze bloemlezing is nog weer de helft dunner dan de vorige. Ze heeft nog gedichten opgenomen uit haar laatste bundel Kluwen, 2011, maar de ongebundelde gedichten uit 2009 onder de titel Over geluk er weer uit gelaten.

Zijn dit nu voor haar de beste gedichten? Het zou kunnen, want ze is niet gauw tevreden. Of heeft ze thematisch geselecteerd op de titel, Opzij van het kijken? Maar haar fascinatie met waarneming is een belangrijk thema in al haar werk. Hoe dan ook, de lage prijs en de geringe omvang van de bundel kunnen lezers trekken. En het boekje past zo in je jaszak, geen e-reader bij nodig.

In 1989 won ze de Zilveren Griffel voor haar bundel voor kinderen Hee, meneer Eland.

Eén van deze gedichten, ‘In Zweden’ begint zo:

Opgestaan in de nacht wegens propvolle maan

dwars door de luiken. De trap af. De eland die we

soms hoorden grazen vlakbij in het bos naast het meer

lag op het terras. Om niet alleen te zijn, ging ik

rustig (niet op hol slaan) bij hem zitten.

Let op haar ‘kinderlijke’ opmerkingsgave, haar fantasierijke geest en een zekere laconieke toon over een omgeving in een kindertijd, waar je als kind geen greep op hebt. En er zit iets ongrijpbaars onder de woorden, wat natuurlijk sterker en grimmiger wordt in haar werk voor volwassenen. Dieren zijn voor haar metgezellen. In het gedicht ‘Voor Timmie’ is een speelgoeddier haar toeverlaat: ‘Als ik zo lig/kan het ongeluk/niet door mijn rug en/ga jij nooit stuk’ schrijft ze bezwerend.

Opzij van het kijken, zou ik haar credo willen noemen. Ze benadert de werkelijkheid graag vanaf de buitenkant. Via concrete details probeert ze die te laten zien. Maar het gaat verder, de vertrouwd lijkende beelden willen maar niet kloppen in veel van haar gedichten ‘Wat mij bezig houdt,’ zegt ze zelf ‘is het aanwezige in het afwezige en omgekeerd het afwezige in het aanwezige zoeken’.

Als voorbeeld, het eerste deel van ‘Hotel’:

In de ochtend lig je niet naast me. Iemand is van de

wereldranglijst geschrapt wegens dopinggebruik

en op het station in H. is een kind dat geen

enkele taal sprak gevonden. Harde wind tot

kracht tien aan zee. Iemand begon vannacht

zomaar viool te spelen, ik kan dat niet horen,

het doet me denken aan mijn tijd bij het circus

waar alles snel passeert, sneller dan jij,

sneller dan de haas bij handgeklap. Echt,

we moeten hier weg, iemand vliegt langs het raam,

Foto’s

gerlach werkelijkHet is niet verwonderlijk dat foto’s een belangrijke rol spelen in haar poëzie. De bundel Alles is werkelijk hier (1997) bestaat volledig uit gedichten bij foto’s van de Tsjechische fotograaf Vojta Dukat. Gerlach probeert hier verbanden aan te brengen tussen wat ze rechtstreeks waarneemt, of wat ze via een foto ziet. Er ontstaat een spanning waarin het gedicht het kijken stuurt en de foto het lezen en ze komt zo tot nieuwe observaties. Ze betwijfelt echter of goede foto’s beter in staat zijn om een werkelijkheid weer te geven, want net als gedichten schrijven, zijn het bijna vergeefse pogingen om de werkelijkheid te vatten. De titel van deze bundel heeft dus een ironische ondertoon, want wat zij waarneemt is ‘niet alles, niet werkelijk, niet hier’ zoals zij in een interview (in de Poëziekrant no. 2, 1998) zegt. Maar haar gedichten zijn zo suggestief dat ze iets laten zien wat veel verder gaat dan het beeld op de foto.

In het eerste deel van ‘Zürich’ is dit te lezen. Op de foto gaat een man een vrouw kussen. Ze heft haar gezicht al naar hem op. Zijn hand ligt op haar hals, een intiem beeld, waarnaar je vanuit je ooghoeken aandachtig zou willen blijven kijken. Maar er gaat ook een zekere dreiging schuil in dit gebaar, grijsheid en schemer komen tevoorschijn en wat doet die hand nog meer?

Maak haar hals nog wat donkerder, schaduw

geworpen door haar kaak, van nu af is

zij dit. Die hierzo zit in overgave

naast het gebloemd gordijn. Kijk, haar kraakbeen

haalt een lieflijk scharnierend oortje boven

uit zwart, grijs wandelt haar neusvleugels in,

een schemer vouwt zich zoetjes om haar kin.

Haar hals, zet die wat aan, dat zijn hand lichter

lijkt die zich zo. Adembenemend sluit.

De dichter spreekt de fotograaf toe alsof hij schilder is en het beeld nog kan veranderen, wat onmogelijk is. Misschien ook om de dreiging eruit te halen?

Poëzie als een schepnet

Gerlach verwoordt in datzelfde interview hoe zij schrijft. Ze vergelijkt poëzie met een kijkinstrument of een schepnet, ‘om de werkelijkheid, het nu, het ogenblik en alles wat daaraan vast zit, de belevenis, naar je toe te halen, waarbij ik niet wil zeggen vereeuwigen of bewaren, want ik weet niet of zij dat kan’. Fotografie en poëzie proberen dat beide met beelden, maar ‘Poëzie kan verder kijken. Verleden en heden, ver weg en dichtbij, jezelf en een ander- alles kan tegelijk aanwezig zijn, niet alleen omdat je associaties, metaforen, tegendelen kunt verenigen, via ritme, en klank het lichaam erbij betrekt, een beroep doet op een geheel aan kennis, herinnering, ervaring bij de lezer via het onherroepelijk betekenis dragende woord-, maar ook omdat je kunt abstraheren van de werkelijkheid, kunt liegen dat het gedrukt staat, allerhand geheugens kunt samenvoegen- enfin, vanouds facettenoog. Poëzie heeft, anders dan fotografie sterk de mogelijkheid om de werkelijkheid op te helderen door haar te omzeilen.’

Ze schrijft in haar eerste bundels vormvaste poëzie met eindrijm en een vast metrum, maar de vaste vormen laat ze vanaf Domicilie steeds meer los. En vanaf Daar ligt het en Een bed van mensenvlees wordt het werk steeds raadselachtiger, met lossere associaties, verrassende verbindingen en komt een lichte ironie (soms) ook weer meer terug. Maar de persoonlijke toon, haar stemgeluid en technieken veranderen eigenlijk nergens drastisch. Ze schrijft muzikale gedichten met een donkere verontrustende ondertoon en ze zijn nooit eenduidig. Altijd zit er een laag onder, waar lezers zich over moeten buigen, met verschillende analyses en belevingen tot gevolg.

Vergeefse pogingen

Gerlach schrijft over thema’s van alle tijden, het niets, het vreemde onverklaarbare in levens, beweging en stilstand, het wankel evenwicht om overeind te blijven in confrontatie met verlies en dood. De verontrusting geen vat te kunnen krijgen op het leven met vergeefse pogingen om via taal haar toch te duiden, maakt haar gedichten juist zo sterk. Haar vorige bloemlezing Het gedicht gebeurt nu roept de lezers bijna letterlijk op om daar al lezend naar op zoek te gaan. Haar pogingen om een werkelijkheid te pakken lijken op mijn pogingen om haar gedichten te lezen en te begrijpen. Zoals ze zelf zegt: ‘Ik weet niet wat ik zing, tot het gezongen is’.

dochter gerlachHoewel Gerlach vaak hevige gevoelens laat zien, wordt haar poëzie nooit sentimenteel. Dat begon al in haar debuutbundel Verder geen leed, waar een lichte ironische toets, over een meisje geconfronteerd met dreigende beelden, zelfs in de titel zit. En ook niet in haar persoonlijke bundels daarna, zoals Domicilie, waarin ze uur voor uur in concrete beelden optekent hoe sterven gaat en zeker niet in de bundel Dochter, waar je met een zekere afstand naar kunt kijken en het moeizame en ingrijpende van baren en grootbrengen te vergelijken valt met hoe dichten gaat. Ze gaat niet met modes mee, niet in haar vroeger werk en niet in deze tijd, waarin veel dichters schatplichtig zijn aan haar poëzie. In haar laatste bundels Situaties en Kluwen bereikt haar poëzie naar mijn idee een hoogtepunt en daar is de humor ook weer meer terug. Haar gedichten drukken mij als lezer steeds weer met de neus op feiten, ze bieden mij verrassende inzichten in het onbestendige van het leven, in een doolhof waarin alles zoek kan raken. Ook met werk hierna zal dat wel vast weer het geval zijn, via ‘het onherroepelijk betekenis dragende woord’.

Aly Freije

Eva Gerlach – Opzij van het kijken, een keuze uit de gedichten, Rainbow Essentials, 2014

* uit ‘Bed’, slotregel van het laatste gekozen gedicht uit haar bundel Kluwen, 2011.

Reacties