Een hart onder de riem

Het gaat niet goed met de ambtenaar. In de verte vielen het morren van het volk en de vaak bijtende kritiek van de Haagse superieuren al geruime tijd te horen, maar het duurde tot een week of wat geleden aleer de minister van Binnenlandse Zaken, de CDA-politicus C. van Dijk, de aanval op zijn personeel frontaal inzette. Het woord luiheid heeft hij niet gebruikt, integendeel, hij heeft waardering voor de ‘buitengewoon grote inzet van velen’, maar in de tussentijd is hij toch van mening ‘dat door verbeterd toezicht en kritisch overleg met betrokkenen een situatie zou kunnen worden bereikt waarin negen mensen dezelfde taken verrichten waarvoor er nu tien nodig zijn.’ De schopstoel, kortom. Wil de overheid, net als het bedrijfsleven, ‘efficiënt’ en ‘klantgericht’ gaan werken, dan moet het overheidsapparaat worden ‘afgeslankt’. Maar de schrijver A. Alberts schiet de ambtenaar te hulp.

Inmiddels zijn voor- en tegenstanders van minister Van Dijk het erover eens dat hij zich wel wat genuanceerder had kunnen uitdrukken. De kwaliteit van de overheid verbeter je niet alleen door minder mensen op een klus te zetten, maar ook door ervoor te zorgen dat je de goede mensen in huis haalt. Mag het inkomen van ambtenaren, vergeleken, met wat er in de bedrijven wordt verdiend, dan ook ‘ter discussie staan’? Nee, zegt de minister, daarvoor biedt de begroting voorlopig geen ruimte. ‘Afslanking’ levert bezuinigingen op en die discussie over die kwaliteit kan alleen maar geld kosten. Wat er ook over de ministeriële opvattingen te zeggen valt, zeker is dat Van Dijk de schijnwerpers in volle gloed op één kant van de medaille heeft gezet en dat hij daardoor de ‘hetze’ tegen de ambtenaar stevig heeft aangewakkerd.

alberts inleiding tot de kennis van de ambtenaarEn zie: uit een op zijn zachtst gezegd opmerkelijke hoek krijgt de ambtenaar steun. Door de literatuur, door A. Alberts – de auteur die schitterende boeken als De eilanden (1952), De bomen (1953) en De vergaderzaal (1974) afleverde en die voor ongeveer de helft van zijn volwassen leven zelf ambtenaar is geweest.

Het eerste exemplaar van die Inleiding heeft Alberts eind augustus aan minister Van Dijk aangeboden. Of hij daar verstandig aan deed is de vraag, want zo aardig en vriendelijk als het boek voor ambtenaren is, zo weinig zachtzinnig is het waar het over de overheid en de onderdaan gaat, de beide andere acteurs in het maatschappelijke spel. Alberts introduceert die acteurs als in een toneelstuk. De overheid, die met recht aanspraak maakt op de hoofdrol, gluurt voor het begin van de voorstelling door het kijkgat in het doek, ‘waarschijnlijk om te zien of er wel genoeg publiek in de zaal zit om haar optreden de moeite waard te maken’. De onderdaan staat in de coulissen te wachten, ‘bezig zijn rol als morrend volk te repeteren’. Zodra de derde man, de ambtenaar, op het toneel verschijnt storten één en twee zich op hem: het regent kritiek, ‘er wordt tegen de ambtenaar een stemming gekweekt, die bedenkelijk veel wegheeft van een hetze’. En anders dan vroeger is niet de onderdaan maar de overheid de gangmaker. De Inleiding mag worden beschouwd als een poging tegen die hetze een dam op te werpen.

Daartoe beschrijft Alberts de ontwikkeling van de ambtenarij door de eeuwen heen en de onderlinge verhoudingen tussen overheid, ambtenaar en onderdaan. Hij bespreekt twee gulden regels van ambtenaren: ‘bevuil je eigen nest niet’ en ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’. En hij verhaalt van de ambtelijke cultuur, veelal op grond van eigen ervaringen. Met dat laatste komt hij dicht in de buurt van De eilanden en Aan Frankrijk uitgeleverd (1963), verhalen en herinneringen aan een ambtelijk bestaan, die — dat moet gezegd — indringender waren dan de verspreide notities die nu in de Inleiding terecht zijn gekomen.

Wat Alberts over de onderlinge verhoudingen tussen de drie acteurs te zeggen heeft is vaak raak en steeds prachtig verwoord, maar het neemt niet weg dat het boek me toch niet echt bevredigde. Natuurlijk had Alberts niet de ambitie een ‘geschiedenis van de ambtenaar’ te schrijven, maar de zevenmijlslaarzen waarmee hij nu door die geschiedenis snelt, konden me alleen maar op de gedachte brengen dat er meer te beweren valt. De vele anekdotes mogen er zijn en voor ambtenaren is het leuk om te lezen dat ze het woord van de overheid ‘met kennis van zaken’ spreken en dat die overheid zich eigenlijk ‘minderwaardig’ tegenover hen voelt, tot een analyse die hout snijdt wil het in de Inleiding niet komen.

Zo stelt Alberts onder andere dat we niet in een democratie maar in een ‘factiocratie’ leven: de overheid staat onder de macht van politieke partijen. Met de macht van de onderdaan is het droevig gesteld, wat ‘rijmende ongein op borden en spandoeken’ is al wat hij te berde te brengen heeft. En die ‘factiocratie’ zou zichzelf te gronde richten als ze een hoofdambtenaar met bestuurlijke kwaliteiten tot het edele ambt van minister zou roepen. Op mij maken zulke stellingen bovenal de indruk goedbedoelde spitsvondigheden te zijn, en het pleidooi voor depolitisering dat erin te beluisteren valt deel ik niet. Bestuurlijk-politieke en ambtelijke verantwoordelijkheden zijn verschillende dingen en de democratie heeft er baat bij dat dat zo blijft.

Heeft de ambtenaar macht? Ja, zegt Alberts, en ik denk dat hij gelijk heeft. De redenering die hij volgt om het ‘rangnummer’ van die macht te bepalen is echter nogal curieus. Uitgaande van de trias politica – de verdeling in een wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht – zou aan de ambtenaar de vierde plaats toekomen, als de jongste in de rij. Maar omdat de trias politica om allerlei redenen niet meer het systeem is dat het ooit was, kunnen we ons maar beter ‘met andere, machten bezighouden’. En zo belandt de ambtenaar op de tweede plaats, onder de overheid en boven de onderdaan. Zo ook treedt voor een filosofisch beginsel een al te grove vereenvoudiging van een ingewikkelde werkelijkheid in de plaats. Aan een beter begrip van die werkelijkheid draagt dat niet bij.

Toch: Alberts’ Inleiding is een sympathieke poging duidelijk te maken hoezeer overheid en ambtenaar tot elkaar veroordeeld zijn. Als het al geen vermaan aan de één is, dan is het in elk geval een hart onder de riem voor de ander.

Anton Brand

A. Alberts – Inleiding tot de kennis van de ambtenaar. Van Oorschot, Amsterdam.

Deze recensie verscheen eerder in het Nieuwsblad van het Noorden op 27 september 1986.