Gisteren, na het schrijven van dit stuk over Hans Faverey, moest ik aan Willem Thies denken, of in elk geval aan het openingsgedicht van zijn nieuwe bundel, Meer mensen dan reddingsvesten, een gedicht dat de komende jaren overal zal opduiken in bloemlezingen (hallo, Arie) en op kalenders. Het gaat zo:

Indringer

Het mag zijn dat je lichaam mij bekend is,

het is mij niet langer welgezind. Het ademt

naast mij onder de lakens, als iets verdwaalds.

Zijn warmte is de mijne niet, de rug een wand.

De haast waarmee we ons eens ontkleedden, de koorts

in onze ogen. Geladen waren onze lichamen, rusteloos.

Je droeg niet meer dan laarzen met scherpe hakken,

lachte met gulle tanden en lippen, en dronk wodka

rechtstreeks uit de fles, je mond stroomde over

in de mijne, je haar vlaagde uitzinnig als water.

Nu slaapt een boek of telefoon tussen ons in, wringt

zich een indringer in ons midden. Je ligt stug

en onverschillig in je eigen huid, ik moet hier weg.

Thies beschrijft, net als Faverey, de verhouding tussen de ik en de ander; Faverey ‘beperkt’ zich tot zuiver kijken (‘Hoe zij recht staat; dat ik zie / hoe zij dit doet door zo te staan / zoals zij gewoon is’), Thies betrekt ons meer rechtstreeks in een film die niet heel erg goed gaat aflopen. ‘Indringer’ maakt, meer dan het werk van Faverey, gebruik van clichés, Thies duwt het gaspedaal van de lyriek eens flink in.

Toch werkt het gedicht, sterker: er is iets wat me er steeds weer naar toe trekt, – en dat is niet alleen om wat er in ‘gebeurt’, maar ook om hoe Thies het zegt. Over een gebroken liefde spreken is één ding, het zo doen dat het nergens gênant wordt, ook al zou je het liefst je hoofd afwenden van plaatsvervangende schaamte, een ander. En dan komt nu het lastige gedeelte: hoe doet hij dat?

In de eerste plaats omdat Thies zich beperkt tot het doen van mededelingen (net als Faverey dus). Hij constateert hoe het tussen de ik en de ander is, en dat is niet meteen feest en jolijt. Bij het lezen van de eerste strofe springt Ingmar Bergman van vreugde op uit zijn graf. Het is Scènes uit een huwelijk 3.0. De gesprekken zijn al verstomd. De relatie is duurzaam ontwricht.

Maar! Ingmar gaat in de tweede strofe weer liggen. Want daarin evoceert Thies het geluk, dat weliswaar verdwenen is, verzuurd, maar waar de ik-figuur levendige herinneringen aan bewaart. Ook hier niks opzienbarends, als je het op anekdotisch vlak bekijkt, maar toch. Het werkt. Net als in de eerste strofe weet de dichter met veel a-klanken (die in de tweede strofe worden afgewisseld met o-klanken) een mooie, trage wereld op te roepen. De mystiek, die Faverey weet te bereiken via de taal, wordt hier aangejaagd door koortsachtige herinneringen, een wereld als die van David Lynch, vol dromen, identiteitsverwisselingen en zwarte zwaarheid. Aan het eind van de tunnel is geen licht.

Of wel? Nee. Integendeel. In de derde strofe is het nog steeds kommer en kwel. De slotwoorden zijn omineus: ‘Ik moet hier weg.’ Maar ja, dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan, en aan de (noodzakelijke) worsteling met deze wensgedachte hebben we de hele bundel te danken. Dus het was ergens goed voor, ongeveer zoals generaals altijd zeggen dat soldaten zijn gesneuveld voor volk en vaderland. Echt veel heb je er niet aan, maar het geeft heel even een gevoel alsof iets zin zou kunnen hebben.

Ik merk dat ik om de hete brij heen draai. Dat ik niet precies kan zeggen hoe het werkt, binnen dit gedicht. Veel verder dan dat er veel met klankrijm wordt gewerkt en dat de dichter het bij beschrijvingen houdt, komt ik niet, zoals ik bij veel gedichten die ik mooi vind, ook na herlezing, niet veel verder kom. Misschien moet ik het nog een keer proberen.

Wie een gedicht leest, probeert – wat de dichter ook doet om daar aan te ontsnappen – er betekenissen aan vast te hechten. Dichters als Faverey stribbelen het hardst tegen. Zij bannen de betekenis bijna à priori uit hun werk, ook al is het hun lot om grote bekendheid te verwerven met gedichten die nu net door iedereen met betekenis worden bekleed, zoals het laatste gedicht uit de laatste bij leven gepubliceerde bundel van de ontslapene:

Zonder begeerte, zonder hoop

op beloning, ook niet uit angst voor straf,

de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,

zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt

mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,

voor hij mij met stomheid slaat en mij

doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.

Piet Gerbrandy kan nog zo hard sputteren, maar de meeste lezers vinden dit gedicht, dat meteen na het verschijnen van de bundel een soort zegetocht door poëzieland begon, gewoon mooi. Omdat het mooi is en omdat ‘mooi’ een categorie is die men nodig heeft om een aantal onbegrijpelijkheden in onder te brengen. Want ja, Faverey haalt nogal wat overhoop in dit gedicht, iets wat minder ‘mooi’ is dan het gedicht zelf, of beter: iets wat te huiveringwekkend is om meteen tot je door te laten dringen.

Ik denk dat Thies zich ook zal verweren tegen een te veel aan betekenissen; in zijn geval zal hij niet veel moeten hebben van een te anekdotische lezing, waarin de ik-figuur Willem Thies is en de jij een vrouw met wie hij gebroken heeft. Aan dat soort intimiteitsgezwets heeft iedereen, terecht, een hekel. Maar jammer genoeg is dat nu net wat dit gedicht – dat technisch zo knap in elkaar zit dat je het bijna meteen ook weer vergeet – tot instant-klassieker maakt.

Misschien kom ik hiermee ergens. De gemiddelde lezer heeft de anekdotiek achter een gedicht nodig om er een band mee aan te kunnen gaan. Dat gaat op voor lezers van Faverey en van lezers van Thies. Natuurlijk spelen lezer en dichter daarin een spel: iedereen doet alsof het gebodene, hoe autobiografisch ook, niet autobiografisch is, maar poëticaal wordt aangestuurd door de beroemde Muze, die godin die, net als God, niet bestaat maar wel altijd handig inzetbaar is.

Dat eeuwige spel kan, als het goed wordt gespeeld, met vakmanschap, iets opleveren wat het spel te boven gaat. Het kan gedichten opleveren die meer zijn dan de som van de delen, die je heel even een inkijkje gunnen in wat niet te formuleren is, maar wat toch is gezegd. Thies is daar, net als Faverey, in ‘Indringer’ met vlag en wimpel in geslaagd. En wat kan ik, als lezer, dan verder doen? Niet veel. Ik kan eigenlijk alleen maar zwijgen, net als de twee figuren uit het gedicht.

Chrétien Breukers

Willem Thies – Meer mensen dan reddingsvesten. Podium, Amsterdam, 56 blz. € 16,50.

Reacties