Over loden ernst en ondraaglijke anekdotiek

Ad Zuiderent debuteerde in 1968, als een soort Lucebert-light, ontwikkelde zich in de jaren zeventig en tachtig tot een anekdotische dichter en groot vakman, om ergens in de jaren tachtig en negentig en in het begin van deze eeuw langzaam maar zeker weg te sukkelen in een vriendelijk soort lyriekachtig iets, een ontwikkeling die met het verschijnen van Een heel nieuw orgel wordt bekroond. Toch heb ik een van zijn gedichten hoog in mijn persoonlijke canon staan, en wel dit. De bundels Geheugen voor landschap en Natuurlijk evenwicht vond ik, vroeger, heel mooi, daarin bereikte Zuiderent een synthese tussen anekdotiek en symbolisme, alsof Nijhoff tijdelijk was teruggekeerd op aarde en een Noord-Hollandse inslag had gekregen.

Een heel nieuw orgel is echter, ondanks de titel, eerder een lek harmonium dan een Hammond. Waar Zuiderent in vroeger tijden soms acht jaar deed over het vervaardigen van een nieuwe bundel, komt hij nu al vier jaar na We konden alle kanten op (net wat u zegt) met een zestig gedichtend bevattend werk waarin hij alles wat hem de afgelopen jaren aan afgebroken proza is ontvloden heeft opgevangen.

Naar de natuur

Toen de zomer op zijn paradijselijkst was, was er de jam.
Die kreeg jou de boom in eerst, tot wat je nog
met blote handen aankon, waarna je met een stok
moest harken naar de top. Als van het precisiewerk
van het scheiden, pit voor pit voor pit, van de delen
het stekend gedierte zich ver hield, kwam na wegen en roeren,
na koken en vullen en omkeren, zo goed en zo kwaad
als het ging, het etiketteren – bam! het eerste gedicht.

Het paradijs voorbij hoorde je over karpervissers;
dat die een week langs het water bivakkeerden
om iets te vangen dat voldoende zou imponeren.
Hoe zij de vissers lokaliseerden, lokten en verschalkten;
hoe zij ze wogen, maten, fotografeerden, ze daarna genadig
hun vrijheid hergaven – dat is weer een ander gedicht.

Mijn hemel. Probeer eens te bedenken dat Ad Zuiderent meelezers had, die zijn gedicht voor het eerst onder ogen kregen; dat er een redacteur moet zijn geweest die heeft gezegd: ‘Ja hoor, dit mag wel in je nieuwe bundel.’ Dat er, vervolgens, een corrector onbewogen zijn werk heeft proberen te doen en er een man van de lay-out niet van verveling is gestorven tijdens het zetten. Bedenk ook eens, dat de bundel niet uit elkaar is gekruimeld van pure ellende, of volledig verkleefd is geraakt onder de druk van dat mierzoete geneuzel. Ik, de lezer, zit er maar mooi mee.

Let ook (en vooral) op het fijne binnenrijm (jam – bam), op de capricieus voortdansende babyboomgedachten over huizen in het buitenland en lyriek… Enfin, het is allemaal te erg voor woorden, vooral als je je daarbij de auteur zelf voorstelt, met de handen in de jam en ondertussen bezig met het scheppen van een vers. Wat zeg ik, van meerdere verzen! Gedicht op gedicht ontdekt Ad Zuiderent de Nicolaas Beets in zichzelf. Een heel nieuw orgel bezwijkt onder de loden ernst en de ondraaglijke anekdotiek.

Dat geeft mij een bruggetje naar de nieuwe bundel van F. Starik, Staat. Die gaat, helaas, gebukt onder hetzelfde.

F. Starik begon rond 1988 als Maximaal, ontwikkelde zich tot een anekdotische dichter in het lichte – maar draaglijke – segment, schreef een paar bundels vol fraaie liefdeslyriek en ontdekte toen, tot zijn eigen genoegen, maar tot verdriet van deze lezer, zijn Eigen Vorm, die tot verstarring leidde. Ergens tussen de dichtbundel Songloed (2007) en de zeer geslaagde roman De gastspeler (2009) waren de literaire kaarten voor Starik geschud en begon het tevreden achteroverleunen.

In de net verschenen bundel Staat komen alle elementen die het imago van Starik inmiddels onderstutten terug: de dichter die zo goed is met de dood (en met de doden), de dichter die zich mild-verwonderd door de wereld worstelt, de dichter die vrouw en kind liefheeft, de dichter die zorgt voor een lach en een traan, want wij, zijn lezers, hebben het ook niet altijd gemakkelijk en hij, de dichter, wéét dat: ‘Bij de kinderboerderij waren de konijnen gratis. / Het konijn dat ik uitzocht heette Thomas. Hij was inktzwart. / Thomas bleek geen fijn konijn, het dier beet en krabde.’

Babbeldebabbeldebabbel.

Het maken van jam wordt ons gelukkig bespaard, maar verder trekt Starik alle registers van zijn orgel open om ons heel voorzichtig en met humor te laten zien hóé erg het kan zijn, ons leven, hoe verschrikkelijk & toch, in de kern, mooi: ‘Ik moet de hele dag huilen, dat komt / ik drink te veel of ik drink niet genoeg / dat zegt op zich weinig, dat kan iedereen / wel beweren, toch een gedicht zonder // dat de dichter dronken is en tranen vergiet / zegt ons weinig tot niets.’ Het klinkt allemaal logisch, maar wat zegt de dichter hier eigenlijk, behalve dat het kan vriezen en dooien tegelijk, hoewel regen en zonneschijn zeker niet zijn uitgesloten.

Als ik wil weten wat gewone mensen allemaal doen – jam maken, konijnen kopen – dan ga ik wel op bezoek bij mijn buren. Maar ik ga nooit op bezoek bij mijn buren, omdat ik verhalen over het maken van jam en het kopen van konijnen niet langer dan drie seconden kan aanhoren zonder mijn wijsvingers in mijn oren te stoppen en heel hard LALALALALA te gaan zingen. Als ik een dichtbundel lees, wil ik die neiging het liefst niet voelen opkomen.

Dus als Starik mismoedig constateert (op bladzijde 92): ‘Dit is je tiende bundel / die de wereld weer niet zal veranderen. / Dit is je tiende bundel die zegt / dat je bestond, / een recensent zal het mooi vinden en een tweede / criticus zal opmerken dat / het allemaal door iemand anders / al eens eerder / en ook beter werd gezegd. / Ja, die kans bestaat.’ – dan denk ik: mooi gezegd jongen, maar is dit nu wel helemaal vrij van koketterie?

Nee. En die koketterie is mijn grootste bezwaar tegen de poëzie die Zuiderent en Starik ons voorschotelen. Notities over te schrijven gedichten. Gekeutel over het dagelijkse leven. Mijmeringen in het tweede huisje. Weemoedig gepeins over weemoedige dingen die nu eenmaal weemoedig zijn. Daarvoor is Rainer Maria Rilke niet veel te vroeg gestorven, heren. Sylvia Plath heeft haar hoofd niet in de oven gestoken voor deze lyriek. Homerus leerde dat hele teringboek van hem niet van buiten om een paar duizend jaar later te worden geconfronteerd met een alles-verlammende relativeringsdrift.

De domineesdichters uit de negentiende eeuw werd burgerlijkheid verweten door de Tachtigers (die in de twintigste eeuw op hun beurt allemaal brave burgermannen werden). De Lucebert-light Zuiderent en de voormalige Maximaal Starik zijn inmiddels ook toegetreden tot de rangen van de brave, deels gepensioneerde heren. Dat geeft allemaal niets, het is onvermijdelijk dat een leven op den duur tot stilstand komt. Maar wie zich met de poëzie inlaat, moet toch wel in staat worden geacht om een beetje muziek te maken, terwijl de Titanic op die ijsschots afkoerst.

Chrétien Breukers

Ad Zuiderent – Een heel nieuw orgel. Querido, Amsterdam, € 17,99.
F. Starik – Staat. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, € 19,99.