Afgelopen zaterdag werd bij Café Hammingh in Garnwerd een middag gehouden rond dichteres en kunstenares F. Harmsen van Beek naar aanleiding van de verschijning van Onbegonnen werk. Joost Kircz en August Hans den Boef onderzoeken in dat boek de ontvangstgeschiedenis van het werk van F. Harmsen van Beek en ontdekten dat er die meer over haar leven dan over haar werk werd geschreven. Vandaag publiceren wij de twee lezingen die zaterdag gehouden werden.

Geachte Muizenpoot als hype

Hypes. Iedereen schaamt zich als-ie merkt dat hij erin is getuind. Een tijdje geleden was er een nieuwshype naar aanleiding van de zelfgekozen dood van de auteur Rogi Wieg. Met name zijn collega Joost Zwagerman en een aandachtsverslaafde psychiater roerden zich hierin duchtig. Nadat Zwagerman enige maanden later zelf een eind aan zijn leven had gemaakt, ontstond er een nog heviger hype. Zwagerman was niet alleen een veel bekender auteur dan Wieg, hij was bekend van tv, ook bij mensen die nog nooit een boek van hem hadden gelezen. Voordat je het beseft, discussieer je ook zelf over goede en slechte smaak naar aanleiding van het tv-programma DWDD. In plaats van dat je uit respect voor Zwagerman één enkele vraag herhaalt: waar bemoeien mensen zich in godsnaam mee en waarom in hemelsnaam? Is dit alles al niet erg genoeg voor de nabestaanden?

Een nieuwshype is nog geen literaire hype. De zelfgekozen dood van de musicus Herman Brood (2001) of de acteur Anthonie Kamerling (2010) leidde tot een zelfde soort hype als bij Zwagerman.

Ik denk dat een halve eeuw geleden, in het najaar derhalve van 1965, de eerste Nederlandse literaire hype te signaleren was. Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten van F. ten Harmsen van der Beek. Hou mij ten goede, of dit poëziedebuut werkelijk de eerste hype was, durf ik niet met honderd procent zekerheid te zeggen.

        Een ongerijmde vergelijking daarom. De eerste file. Ik dacht bijvoorbeeld altijd dat die op 29 mei 1955 ontstond, Eerste Pinksterdag, bij het knooppunt Oudenrijn, op weg naar de Keukenhof. Dan kwamen de auto’s ’s avonds weer terug met van die gele narcistische slingers over de motorkap, weet u nog? Maar toen ik een paar jaar geleden in de Achterhoek ging wonen, wist men mij daar te vertellen dat nadat Borculo in de zomer van 1925 door een cycloon werd getroffen, een half miljoen toeristen naar het rampgebied trok. Hierdoor werden de wegen van de Achterhoek verstopt, wat op Mariahemelvaart voor een file van meer dan 7 kilometer zorgde. Dit bleek inderdaad waar, toen ik het controleerde. Behalve de datum, die was in werkelijkheid een dag later dan de ten hemel opneming van Onze Verlosseres, Koningin der Hemel, Sterre der Zee. Let op, zij moet nog komen.

        Maar u denkt natuurlijk: Ik Jan Cremer, 1964, was dat niet de eerste literaire hype? Een overeenkomst tussen Cremer en Harmsen van Beek is beider begaafdheid als beeldend kunstenaar. Maar als het om bijvoorbeeld zelfpromotie gaat, biedt hij het exacte tegendeel van haar. Cremer was al met zijn zelfmarketing begonnen, zes jaar voor zijn roman verscheen. Grossierde tijdens interviews in choquerende observaties als ‘Rembrandt? Wie is dat? Ik heb geen verstand van sport.’ Dit was in 1960. Wellicht zou vandaag de dag de laatste observatie – Ik heb geen verstand van sport – even choquerend zijn. Want wie heeft tegenwoordig geen verstand van sport? Moet Wim Jonk blijven, mensen?

Voor zijn romandebuut had Cremer een publiciteitsoffensief bedacht met vijftien uitgewerkte punten, variërend van een campagne met nieuwjaarskaarten tot een reeks ‘heldendaden en schandalen’. Dit alles om zijn imago als woest beest, kunstvijand nummer 1 en revolverjournalist te vestigen. Spil van de campagne, dicteerde de 23-jarige debutant aan zijn uitgever Geert Lubberhuizen, moest de omslagfoto van zijn boek worden. De auteur in spijkerpak, gezeten op een Harley Davidson. Cremers campagne bleek een ongekend succes. Direct na verschijnen van de roman kwamen er opgewonden recensies, zelfs Kamervragen en een rechtszaak. Cremer zelf stuurde intussen onder pseudoniem als ‘bezorgde ouder’ ingezonden brieven naar de kranten met steunbetuigingen voor het in beslag nemen van zijn boek.

Al sluiten spijkerpak en Harley eerder aan bij de Amerikaanse jaren vijftig met James Dean en de beats, het lezerspubliek in 1964 associeerde de seks, drugs en rock & roll van Cremer uiteraard ook met de spannende dingen die er in 1964 in Engeland gebeurden. De ‘langharige’ popgroepen als The Beatles, The Rolling Stones, The Kinks, The Who, The Pretty Things en The Yardbirds. Dat ging langzamerhand niet alleen maar om muziek, maar om een hele tegencultuur. Overigens, een tegencultuur die in de destijdse media met veel morele reserve werd gevolgd. Harry Mulisch die daarvoor een goede neus had, laat in De ontdekking van Moskou uit die tijd een paar keer ‘Can’t Buy Me Love’ van de Beatles optreden.

Harmsen van Beek is hierin weliswaar het meest denkbare tegendeel van Cremer, maar werd volledig buiten haar wil door de onverwachte hype in de sfeer van de tegencultuur gemanoeuvreerd. Net als de sfeer van spijkerpak en Harley werd de vijftigerjarensfeer van de Amsterdamse bohemiens in Jagtlust doorgetrokken naar die van het spannende midden van de jaren zestig. Cremer deed het zelf, Harmsen van Beek had haar Betty van Garrels. De hype van Muizenpoot is dat het haar is overkomen. Waardoor het een echte literaire mediahype is. Niet zoals bij Cremer een hype waarbij de media pavloviaans reageren zoals gehoopt.

Waarom wordt een boek geen literaire hype? Andreas Burnier debuteerde in 1965 in het tijdschrift Tirade. Nog dat jaar verscheen zijn roman Een tevreden lach, in twee drukken, en hij kreeg de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. In de kleine kring was bij de verschijning van de roman bekend dat het om een pseudoniem ging, waarachter zich een 34-jarige dame verschool, Ronnie Dessaur. Waarom werd dit geen hype? De ingrediënten waren aanwezig. Een maskerade waarbij een vrouw als man poseert. Homoseksualiteit was toen nog een groot taboe. Een hype valt echter niet te voorspellen.

        Terug naar de poëzie en Maria. Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min. Eveneens een debuut, verscheen een jaar later, in 1966. Overeenkomsten zijn er met Harmsen van Beek, bijvoorbeeld in Adriaan Roland Holst als mentor. Wat mij eraan herinnert dat Neede, in de buurt van Borculo gelegen, nog geen twee jaar later door een heviger tornado werd getroffen, die echter minder sporen achterliet. Veel meer herdrukken dan Muizenpoot had Voor wie ik liefheb wil ik heten. Maar niet die spurt in de eerste maanden.

        Verder terug in de tijd. Vasalis, door intimi Kiek genoemd, zoals Fritzi Ofiti, en ten onrechte door sommige besprekers Maria, debuteerde in 1940 met een novelle in het driedelige Boekenweekgeschenk van het bezettingsjaar en een dichtbundel. Een jaar later ontving ze een prijs en haar bundel kreeg negen herdrukken. Maar zeker tijdens de bezetting was men niet zo hyperig.

        Mies Bouhuys, die wel Maria heette, debuteerde in 1948 bij D.A. Daamen’s Uitgeversmaatschappij met de dichtbundel Ariadne op Naxos, waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg. Drie drukken binnen het jaar 1948, maar een hype?

        Wat is eigenlijk een literaire hype?

        De term hype komt uit het Amerikaans, hyperbool of hypodermic needle (pluggen van plaatjes). Peter Vasterman promoveerde daarop in 2004. Er lijkt volgens hem bij hypes sprake van een journalistieke vorm van groupthink, waardoorheen zicht op de werkelijkheid verloren gaat.

Een mediahype zou zich dus kenmerken door een selectieve, opgeklopte, sensationele en overdreven uitvoerige berichtgeving die de feiten geweld aan doet en die vaak ongewenste maatschappelijke gevolgen heeft.

        Het meest voor de hand liggende criterium voor een mediahype is overdrijving, namelijk dat de media buitenproportioneel veel aandacht besteden aan kwesties die dat niet waard zijn.

        Dit klopt dus met de muizenhype. Fase één beperkte zich tot de kleine kring. Harmsen van Beek gold in de eerste helft van de jaren zestig als een writer’s writer naar wier debuut in boekvorm met spanning werd uitgezien. Een vaak aangehaald citaat van Bernlef uit 1965 dat Hugo Claus ‘enige jaren geleden’ haar een van de meest originele talenten noemde, hebben wij nergens kunnen verifiëren. Maar gewerkt heeft het wel. Bernlef maakte de lezers al lekker in de Groene van 27 februari 1965. In juni verscheen in Tirade ‘Brief in de nacht geschreven’ van Gerard Kornelis van het Reve. Voor de lezers van dat tijdschrift was het duidelijk dat de feestende mevrouw Oofi (net als twee jaar eerder in ‘Brief uit Amsterdam’) op Harmsen van Beek was geïnspireerd.

Uitgeverij De Bezige Bij – toevallig ook die van Jan Cremer – zorgde ervoor dat de bundel zo snel mogelijk in handen kwam van critici die Harmsen van Beek gunstig gezind waren, dan wel als invloedrijk golden. Bernlef, Lehmann, Schippers, Nuis, Poll. Geen van hen heeft het in de recensie over het persoonlijk leven van Harmsen van Beek. Integendeel. Schippers stelt nadrukkelijk dat de auteur zelf duidelijk terughoudendheid wenst te bewaren jegens haar persoon. En L.Th. Lehmann: ‘De schrijfster heeft (…) de vrij zeldzame goede smaak gehad haar naam met initiaal (wat hebben toch altijd die onbekende lezers met de voornaam van de schrijver te maken) te laten afdrukken.’ Het ligt in de lijn van de verwachting dat volgende besprekers evenmin belangstelling hadden voor het persoonlijk leven van de dame achter deze bijzondere gedichten.

Maar intussen was er iets gebeurd, waardoor we in de tweede fase van de hype komen. De uiterst lovende – op die van Poll na – besprekingen werden op 16 oktober gevolgd door een coverstory met een paginagroot portret door Betty van Garrel in de Haagsche Post. Hierin wordt uitgebreid aandacht aan het privéleven van de dichteres besteed en worden ook bohemienachtige details over haar leven in de Blaricumse villa Jagtlust verstrekt. Een week later, op 23 oktober, heeft Elseviers weekblad Geachte Muizenpoot ex aequo op de eerste plaats van de bestsellerslijst staan, samen met En de boer hij ploegde voort van Wil den Hollander-Bronder, boven J.R.R. Tolkiens In de ban van de ring. Een heuse bestseller, Muizenpoot, zij het geen onverbiddelijke. Maar wel een poëziebundel.

Kees Fens besprak de bundel op die 23ste oktober in De Tijd/Maasbode, een katholiek dagblad, kennelijk niet behorende tot de lectuur van de Amsterdamse incrowd. Fens schimpt op de ‘luide intocht’ vóórdat de bundel in de boekhandel of bij zijn krant was beland. Iets vergelijkbaars stelt de criticus Deering.

Het tv-moment had twee dagen later plaats, op 25 oktober 1965. Een uitzending van de KRO kunstrubriek Galerij door Hans Keller. In deze uitzending reageerde Harmsen van Beek op Betty van Garrels verhaal in de Haagsche Post. Zo ‘verklaarde de dichteres met in het geheel niet verholen verontwaardiging, dat zij de verslaggever van de Haagsche Post tot de door hem niet zonder afgrijzen beschreven kamer zelfs geen toegang had verleend en dat zijn verdere aantijgingen ten hoogste een bijmengsel van waarheid bevatten.’ [cursivering AhdB] De kijkers zagen bovendien hoe de ‘prins der dichters’ Jany Roland Holst himself langskwam in de tuin van Jagtlust. Die bleek niet alleen bereid om Harmsen van Beeks gedicht ‘Interpretatie van het uitzicht’ ter plekke te declameren. Neen, gaarne schudde hij bovendien een kwatrijn tegen de nijd en achterklap uit zijn mouw. Negen dagen na het stuk van Betty van Garrel werd er nog eens aandacht aan besteed en zoals vaak droeg dat niet bij aan de de-escalatie van de hype, maar werd het vuurtje juist brandend gehouden. Er was sinds een jaar een tweede tv-zender in Nederland, die ’s avonds uitzond. Maar iedereen die destijds thuis was, keek tv. En de in cultuur geïnteresseerden en masse naar programma’s als Galerij.

Aad Nuis valt bij een tweede bespreking van Muizenpoot hard uit naar het ‘rondsnuffelen in haar privé-aangelegenheden’ om een ‘lekker stukje’ samen te stellen. Maar ook dat mocht niet baten. Steeds vaker doken de fritziana op in de kritieken. Wellicht werden de besprekers aangezet door hun krant. Dat vrouwtje was toch met Remco Campert? En het ging er toch heftig aan toe, daar in Jagtlust? Het vermogen van Flipje Tiel er doorheen gejaagd?

Je kunt zeggen dat bij de verschijning van Geachte Muizenpoot de hype het boek aan de ogen onttrok. In tegenstelling tot Ik Jan Cremer dat verslonden werd, waarbij middelbare scholieren als ik elkaar de ranzige details voorlazen. Vijftien was ik in 1964. Een jaar later lazen we elkaar geen fragmenten voor uit Muizenpoot. Maar uit de Haagsche Post en de kranten. Gedichtjes, immers.

August Hans den Boef

Zie ook het interview van Wim Brands met Joost Kircz en Maaike Meijer én het interview met Joost Kircz in het radioprogramma Glasnost.

Reacties