Het volstrekt eigenzinnige verzamelde lichaam

Perdu gaf onlangs een bloemlezing uit van het werk van dichter Ricardo Domeneck, Het verzamelde lichaam. Domeneck is een onbekende in de Nederlandse poëziewereld, althans voor wie niet veel buiten de eigen taalgrenzen leest. In het uitgebreide en interessante nawoord van de bloemlezing schetst vertaler Bart Vonck Domenecks persoonlijke en cultureel-maatschappelijke achtergrond, en duidt hij diens poëtica.

Domeneck (1977) is geboren en opgegroeid in São Paulo, Brazilië, een van de grootste metropolen van Latijns-Amerika. Hij woont sinds 2002 in een van de grootste metropolen van Europa, Berlijn. Hij definieert zichzelf niet aan zijn land van afkomst of zijn nationaliteit, maar aan zijn kosmopolitische en literaire blik op de wereld en de metropool waar hij woont. Zijn poëzie heeft het sterke, universele karakter dat daarbij past, waarover later meer.

De poëzie in Het verzamelde lichaam is, inderdaad, op allerlei manieren nogal fysiek van karakter. De bundel opent met het vijfluik ‘De materialen, een les’: lichaamsdelen en lichamelijke prikkels (kou, vocht, hitte, bewustzijn) worden als het ware bijeengeraapt en tot een lichaam gesmeed in regels als: ‘moeiteloos conglomeraat / het verzamelde lichaam wreekt zich / op de lucht, ononderbroken verstrooiing’. Ook veel andere gedichten onderzoeken lichamelijke eigenschappen en functies, en hun verhouding met de wereld, zoals ‘Brevier van afscheidingen’: ‘In een hoek van de kamer bestuurde / mijn lichaam zijn fabriek / van relaties’. Het gedicht ‘Lichaam’ koppelt encyclopedie-achtige definities (‘Geografie van de opstelling. Gebied met / welomschreven grenzen; stuk ruimte om / te dromen met woordenboeken’) aan poëtische strofes:

Men zegt
dat dezelfde lucht
geen twee
tegelijk
kan omgeven.

Centripetale en centrifugale krachten blijken op het lichaam en op lichamelijkheid in te werken: een tegenstelling waar een flink deel van de poëtica op is gericht. Dit leidt trouwens nergens tot platheid, tot porno of zelfs maar liefde, dat is al zo vaak gedaan. Er komen weliswaar diverse lichaamssappen langs, maar zonder voor de hand liggende connotaties. Zonder geforceerd origineel te willen doen, benadert Het verzamelde lichaam het concrete thema met een overwegend literair hermetische en filosofische stijl. Die scherpe tegenstelling werkt, omdat zowel het lichamelijke onderwerp als de literair-filosofische invulling in vrijwel hun volle breedte worden benut. Het levert interessante ervaringen op:

Het gebroken brood

Bij een telefoontje
zou een stem horen; ik
vermager, wat een genot
beter in je botten te
passen. Je zelfs vrij tot aan
het dak verheffen; en je alleen
in juiste richting bewegen
om van winter tot winter
te leven. (…)

De gedichten zitten dan ook bomvol intertekstualiteit, met verwijzingen naar filosofen en dichters als Ludwig Wittgenstein, Elisabeth Bishop, Yehuda Amishai en Frank O’Hara, en componist John Cage. In zijn nawoord citeert Bart Vonck Domeneck hierover: Domeneck ziet verwantschap met de beweging van ‘Conceptual Writing’ en daarmee met Europese en Amerikaanse avant-gardebewegingen. Daarbij blijken John Cage en Jackson Mac Low concrete inspiratiebronnen. (NB Vonck citeert in dezelfde passage Domenecks visie op zijn werk als criticus, dat ik, hoewel het erg interessant is, buiten beschouwing laat, aangezien ik hier de poëzie bespreek.)

Ook de Amerikaanse schrijfster Gertude Stein keert regelmatig terug in de teksten van Domeneck; Stein schreef begin twintigste eeuw lesbische coming-out-literatuur en was volgens een criticus ‘lesbienne en minachtend jegens vrouwen’. Die tegenstelling tussen homoseksualiteit en minachting, tussen verlangen en afstand, abstract: die tussen zintuiglijke ervaring en feitelijke observatie, komt ook naar voren in Het verzamelde lichaam. De homoseksualiteit in deze poëzie is geen liefdeslyriek of een cultureel-maatschappelijk statement: het vormt de verbinding tussen ‘binnen’ en ‘buiten’, tussen lichamelijke en wereldse elementen – althans, vooral de verkenning van die verbinding. In de verte doet dit denken aan het werk van performancekunstenares Milo Moiré, die om diezelfde reden haar kunstprojecten vaak naakt uitoefent. In de bundel is het visuele shockeffect per definitie afwezig, en staat er bovendien een holistisch wereldbeeld tegenover. Daarbij betwijfelt Domeneck continu het kennen van de binnen- of buitenwereld.

Dat alles maakt dat passages die vrij expliciet over verleiding en liefde gaan, vreemd afstandelijk:

Separatisme

Zijn oog vist mij op tussen
de anderen trekt strak de huid
en haalt de snijwond weer open doet mij
geloven in de vishaak
opgedragen
aan mijn mond terwijl de
verwachting onder mijn tong
ontstoken raakt (…)

De gedichten in de bundel die niét expliciet over het lichamelijke gaan, zijn er goed mee te associëren. Opvallend is de cyclus van elf gedichten ‘Gedicht beginnend ‘Wanneer’’, een verwijzing naar dichter Louis Zukofsky (‘Poem beginning ‘The’’). Veel zinnen zijn absurd, vaak vanwege de snelle opeenvolging van beelden: ‘Ik ga de kleren aantrekken van de voorbije wintercollectie en door de straten lopen in het geloof dat de traditie mij helpt om vandaag adem te halen.’ Een prachtige zin die sterker wordt omdat hij ten dele volslagen onbegrijpelijk is. Of neem zinnen als ‘Ondervoeding zal ons contemporain maken.’ en ‘Belendende kamers kunnen uiteindelijk vergelijkbaar en gelijksoortig zijn door het naast elkaar plaatsen van de meubels en zelfs het lopen in rechte lijn, van de ene naar de andere.’ Of deze, de eerste zin van het tweede gedicht: ‘Om de constructie te herkennen door de ruimte tussen de stenen moet je tegelijk metselaar en architect zijn, geen ingenieur.’ De volgende zin luidt: ‘John Cage bestuurt de zonsondergang maar zoals de dag is er keuze.’ De zinnen in deze gedichten voelen betekenisvol aan, maar de betekenis kan niet worden uitgelegd. Het is alsof de tekst vooral de constructie van zinnen, de grammatica, benadrukt, door de betekenisfunctie van taal te problematiseren of zelfs te ontkennen.

Domeneck

Elk van de elf, vrij korte gedichten heeft een tijdsduur naast het nummer staan, meestal in de richting van veertig of vijftig seconden. Op dat nog niet eens zo hoge lees- of luistertempo is de inhoudelijke betekenis door de hoge concentratie van kernwoorden toch nauwelijks te volgen en gaat het vooral om de associatie van de opeenvolgende woorden. De talige vervreemding of verwarring die bij voordracht moet ontstaan, wordt in druk gesuggereerd en versterkt door regels van wisselende, maar vaak erg korte lengte en door te spelen met de afgesproken plaatsen van interpunctie, zodat een regel kan beginnen met een punt of vraagteken van de vorige regel. Hoewel de structuur niet compleet vormloos oogt, lijkt dat wel de bedoeling. In het zevende gedicht staat: ‘Hij zegt ‘de muziek van Heitor Villa-Lobos lijdt onder vormtekort.’ Wat een vormhonger.’

Is Domeneck in ‘Gedicht beginnend ‘Wanneer’’ waarschijnlijk op zijn minst toegankelijk, er zijn gedichten in Het verzamelde lichaam te vinden die bijna (bijna!) op het lyrische af toegankelijk zijn. Het verhalende ‘De accordeonist van de Kathedraal van Brussel’, het dramatische ‘Brief aan de vader’, waaruit helaas niet te citeren valt (lees het gedicht in z’n geheel) of het ironische ‘Lang leve de zuivere poëzie’, dat zo begint:

Luister nu, wij, waterige dichters,
wij lopen vandaag
tussen planten met uitstekend
gecatalogiseerde namen,
maar die we niet kennen,
en zo verwarren we vaak
madeliefje met mannenliefde, (…)

We weten niet wat we om ons heen zien, terwijl de kennis er wel is. Luister naar de klinkers in die twee woorden: madeliefje / mannenliefde. We verwarren dingen die hetzelfde lijken te klinken, maar iets compleet anders zijn. We kunnen de buitenwereld, hoewel die duidelijk de kenmerken van een constructie heeft, dan ook niet echt kennen. Ook hier, zoals in veel gedichten, een verwijzing naar homoseksualiteit in relatie tot een ander onderwerp, hier de flora, op die grens tussen verlangen en afstand.

Deze poëzie is uitermate krachtig en zwanger van de verwijzingen, de mogelijkheden, de verscheidene interpretaties die elkaar kunnen uitsluiten en toch gelijktijdig in hetzelfde gedicht aanwezig zijn. Het verzamelde lichaam geeft zich niet gemakkelijk gewonnen. De deur naar de binnenwereld blijkt telkens een deur naar nog een deur te zijn, waarachter de ‘echte’ betekenis zich blijft schuilhouden. De volstrekt eigenzinnige taal blijft prikkelen, intrigeren en raadsels opwerpen.

Roel Weerheijm

Ricardo Domeneck – Het verzamelde lichaam. Perdu, Amsterdam, 120 blz. € 19,95.