Speels en dreigend

Hoe opgewekt sommige gedichten van Tonnus Oosterhoff ook lijken, er is altijd iets verontrustends in. Het gevaar is alom aanwezig: de krab kraakt de schelp, de koe eet het gras, de krant maakt het nieuws, de stok slaat de bal enz. Misschien is ‘verontrustend’ niet het goede adjectief. Er is een raadselachtige gruwel achter de dingen.

Je kunt het bijna aanraken,
toch is het er niet.
Bewakingscamera’s registreren het
maar verzuimen te omschrijven.
Het is geen schaduw, ook geen lichtvlek;
een uitsparing lijkt het.
Door eraan te denken ruik je het bijna,
het ruikt als vroeger.

Kom, we gaan weer naar binnen.

De laatste regel relativeert het gevaar. Misschien is het wel niet zo gevaarlijk, hoewel een kind dat moeilijk kan beoordelen. Het kind heeft nog het vertrouwen dat alles in orde is en misschien is het ook wel in orde en zien we, volwassen geworden, spoken die er niet zijn. Misschien denken we te veel, kijken we niet onbevangen genoeg. Ons verstand heeft ons ver gebracht, maar niet ver genoeg en hoe meer we weten hoe meer we blijken niet te weten en zo kan het verstand ons verontrusen.

Toen zeiden ze, die hersens van mij:
dit ene artikel begrijpen wij niet.
Is het in een taal die wij niet kennen?
Nee, dit is niet in een taal die wij niet kennen.
Gaat het over een onderwerp waar we niets van weten?
Nee, we weten veel over het onderwerp en vinden het interessant.
Waarom is het dan of de hokken der woorden
leeg zijn?

In greppels en holen wachten de verbanden
tot het tijdschrift zich sluit. Zet ik mijn bril op,
voor de zekerheid schrikken de duiven.
Want de begrijpelijke zin verplaatst niet
maar de onbegrijpelijke zin verplaatst.

We hebben je tot de hemel gebracht, nu zoek je het zelf maar uit.

Opvallend is de lakonieke toon en de lichte verbazing, hoewel ‘de hokken der woorden’ en ‘de greppels en holen’ weer behoorlijk verontrustend klinken. En dan die prachtige schrikkende duiven!

We hebben een hele evolutie doorgemaakt van mineraal tot plantaardig, dierlijk en nu kunnen we zelfs vliegen. Leren we? We doorlopen steeds maar onze levensweg en we schrijven gedichten die foto’s zijn van die levensweg (Lucebert) en dat zijn soms mooie foto’s. De weg loopt dood. Tonnus waarschuwt de mens niet te zijn als de snoek die toeschiet en zich dood eet. Een speels gedicht met als titel ‘Wat de spiegel niet leert’ en dat eindigt met ‘Spiegelen, het oogt zo lief, / maar leve leve de spiegeldief.’ Ja, het oogt soms lief, maar de snoek eet zich wel dood.

Evolutie: zo vreemd dat, zoals de conservatieve radioman Rush Limbaugh zegt, de chimpansee er nog is, terwijl wij uit zijn soort zouden voortkomen?
Hoe kan dat? Ja, de pissebedden zijn er ook nog. En hoe lang al?

Ook speels is het de kat af te leren op de tafel te springen, maar je kunt ze niet afleren dat uncle oom betekent, ‘omdat je ze niet kunt leren dat uncle oom betekent’. Zouden we een meisje kunnen afleren dat uncle oom betekent? Vast niet. Zouden we een meisje kunnen afleren verliefd te worden op ons, terwijl we dat zondig vinden, niet van haar maar van onszelf? Ja, nee. ‘Frommel de bokkige geest / vlug achter de rug / want de bokkige geest / is verliefd op bijna een kind nog,’

Tonnus laat je steeds nadenken over mogelijkheden, geestig, speels, wreed soms als een faun. Hij roept ook situaties op die onschuldig lijken: een jongen die eieren wil verkopen, maar verandert in een bokkenrijder. Hij doet ook denken aan een bedreigende jongen uit zijn jeugd. Er is goed en kwaad, ja, nee, kwaad en goed, of misschien is het hetzelfde en denken we alleen maar dat iets goed is of kwaad.

Een boom valt op een dak
nooit zomaar
maar ook nooit met een reden

Wij verlangen naar de sterren, maar waarom en waar verlangen we dan eigenlijk naar? Tonnus Oosterhoff weet het hele ontzaglijke drama en de verrukking van de schepping op te roepen in zijn veelsoortige gedichten.

Remco Ekkers

Tonnus Oosterhoff – Ja Nee , De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen. 51 blz. € 17,99.