De huismeester is een echte ’t Hart

In De huismeester, zijn nieuwe verhalenbundel, neemt Maarten ’t Hart zijn vaste lezers mee naar vertrouwd terrein: Maassluis, de jaren vijftig — en de figuren die ’t Hart beschrijft komen evenmin onbekend voor: een ‘ik’ die Maarten heet, diens vader die Pau heet, oom Henk, oom Klaas… In de verhalen die later spelen is Maarten getrouwd met Hanneke en is hij de schrijver van een boek dat De droomkoningin heet.’ Het werkelijkheidsgehalte lijkt dus, zoals in andere, boeken van ’t Hart, groot. De verhalen lijken gesitueerd te zijn in een controleerbare werkelijkheid, een werkelijkheid die we ook kennen uit interviews en het autobiografische Het roer kan nog zesmaal om.

In het werk van Maarten ’t Hart is die dunne scheiding tussen feit en fictie van belang. Ik denk zelfs dat die verantwoordelijk is voor de grote populariteit van de schrijver. Zijn lezers hebben het gevoel bij de familie te horen, deel uit te maken van een wereld die tegelijkertijd heel ver weg en heel nabij is.

Met elk boek wordt deze intieme band bovendien hechter. Daar schuilt natuurlijk een gevaar in. Gemakzuchtige schrijvers zouden volstaan met het oplepelen van anekdotes, zo niet Maarten ’t Hart, althans niet in deze bundel. (De zaterdagvliegers, een vroegere bundel, leed daar wel aan.) De huismeester betekent niet alleen een bevestiging van ’t Harts schrijverschap, het boek getuigt tevens van een stap vooruit.

Op de een of andere manier is de toon in de verhalen in De huismeester losser. Er doen zich zelfs Biesheuveliaanse passages voor,bijvoorbeeld op de bladzijden 12 en 13, waar een machinist bij kapper P. C. Molenaar (twee cent goedkoper dan de andere kapper in Maassluis) het lijden van Jezus afdoet met: ‘De eerste de beste die aan kanker lijdt, lijdt duizendmaal meer dan die Jezus en die heeft dan nog niet eens het vooruitzicht dat hij weer zal opstaan uit de dood.’ Ook in het laatste verhaal tekent de schrijver een verhaal op zoals hij het heeft gehoord.

Dit is een techniek die ook door Biesheuvel (en door Reve) al dan niet binnen een raamvertelling wordt toegepast en waarin de schrijver zichzelf de mogelijkheid geeft om bijzondere zinswendingen, stopwoorden en andere eigenaardigheden te verwerken. Ook dat versterkt de illusie van intimiteit, juist door de details, waar ’t Hart een buitengewoon goed oog en oor voor heeft. De huismeester, kortom, is weer een echte ’t Hart: één van de betere.

Frank van Dijl

Maarten ’t Hart – De huismeester. De Arbeiderspers, Amsterdam. 204 blz.

Deze recensie verscheen op 23 november 1985 in Het Vrije Volk.

Reacties