Volgende pagina »« Vorige pagina

Column: Erik Nieuwenhuis – Toekomstdromen (48)

maandag 16 april 2012 | Erik Nieuwenhuis | 0 reacties
Column: Erik Nieuwenhuis – Toekomstdromen (48)

Ondanks zijn slechte gebit, vier onderkinnen en zware bierpens verlangde Stefan intens naar een langdurige relatie met een vrouw die net als hij van vrolijke spelprogramma’s hield. Geen eenvoudig verlangen, want hij kwam maar weinig met vrouwen in contact en als hij bij toeval al eens met een vrouw te spreken kwam, bracht hij het gespreksonderwerp meestal te snel en te gretig op zijn jeugdhelden Willem Ruis en Dick Passchier. De aangesproken vrouwen wisten vrijwel nooit wie dat waren en als ze het wel wisten, hielden ze dat voor hem verborgen, uit angst om te lang met hem aan de praat te moeten blijven. Julia was de eerste die zag dat in het dikke, onaantrekkelijke lichaam een goede ziel huisde. Bovendien hield zij ook van spelprogramma’s, het meest nog van tv-shows waarbij de kandidaten een flinke kans liepen om een nat pak te halen. In het najaar van 2010 had hij kaartjes voor Spel zonder Grenzen en tot zijn verbazing ging ze in op zijn voorstel om de opnames samen bij te wonen. Na afloop bedankte ze hem voor de fijne dag en zoende hem eenmaal op zijn wang. De kans dat hij nog eens met zo’n vrouw in aanraking zou komen, leek hem uiterst klein. Hij moest haar hebben en wilde niks aan het toeval overlaten. In het voorjaar van 2011 bouwde hij in de schuur achter het huis van zijn moeder van twee oude fietsen, een buffetkastje en een paar badmintonrackets een constructie die wel wat weghad van het Starship Enterprise. ‘Ik doe mee aan ‘fiets-em-erin’,’ vertelde hij haar zo achteloos mogelijk. ‘Daar wil ik bijzijn,’ zei ze enthousiast. De presentator werkte fijn mee. ‘Je wou nog iets vragen aan een heel speciaal iemand,’ zei hij voor het tweeduizendkoppige Te-land-ter-zee-en-in-de-lucht-publiek. ‘Ja,’ zei Stefan en hij keek in de richting van Julia die onder een paraplu op de kade stond. ‘Julia,’ riep hij in de microfoon die Ron Boszhard bereidwillig voor zijn neus hield, ‘wil je met me trouwen?’ De camera zoomde in op de vrouw aan de kade. Eerst verbaasd, dan verbijsterd en ten slotte duidelijk in paniek gooide ze de paraplu van zich af, schudde hevig met haar hoofd en zwaaide met haar armen als iemand die in de laatste scène van een horrorfilm de geest die haar al anderhalf uur achternazit ineens in zijn volle afgrijselijkheid op zich af ziet komen.

Erik Nieuwenhuis lees verder ›

Kroniek: Aristide von Bienefeldt – De kaartenwinkel

vrijdag 13 april 2012 | Coen Peppelenbos | 1 reactie
Kroniek: Aristide von Bienefeldt – De kaartenwinkel

De kaartenwinkel

In de zomer van 2009 ging de kaartenwinkel in de rue des Pyrénées failliet. Die kaartenwinkel was het favoriete inloopadresje van mijn buurvrouw Janine. Janine liep, of liever gezegd schuifelde – ‘Mijn rollator is mijn beste vriend’ – er vaak binnen en kocht dan een paar kaarten. Niet om weg te sturen, ze kocht ze voor zichzelf.
Ze had een voorkeur voor reproducties van impressionistische schilders, Monet, Matisse, Van Gogh, maar ze hield ook van stadsgezichten, interieurs die je ‘uit de werkelijkheid tillen en in een andere tijd laten vallen’, fruitstillevens en portretten van voor 1940. ‘Je ziet aan de ogen van die mensen dat ze niet weten wat oorlog betekent,’ vond Janine.
Dat de gefotografeerden uit haar verlanglijstjes misschien wel, en die kans was best groot, iets meegekregen hadden uit een eerdere oorlog was niet het soort van onderwerp waar je bij Janine moest aankomen. Voor haar was er maar één oorlog geweest, en die had ze graag overgeslagen. Een gezamenlijke vriendin had me verteld dat Janine een Auschwitz-overlevende was, de enige van haar familie en die was best groot geweest. Dit pijnlijke verleden besprak ze niet met mij.
Mij liet ze liever haar nieuwste kaarten zien, en legde uit wat ze er mooi aan vond. Ze wees me op de spiegeling van een appel in een bokaal op een stilleven van Chardin, hing met een vergrootglas boven een interieur vol schilderijen van Tenier op zoek naar een schilderij waarvan ze ‘ook nog ergens een kaart moest hebben’ of besprak met veel gevoel de blik van een piepjonge Josephine Baker, waarin ze ‘onschuld’, ‘hoop’ en ‘een totale afwezigheid van angst’ las. lees verder ›

Column: Karel ten Haaf – Hanenkamp

donderdag 12 april 2012 | Karel ten Haaf | 0 reacties
Column: Karel ten Haaf – Hanenkamp

A.L. Snijders schrijft in ‘50%’, opgenomen in Bordeaux met ijs. 200 zkv’s (AfdH Uitgevers, Enschede/Doetinchem 2008 [‘Derde druk, verbeterde druk, januari 2009’]):

Gader is een zelfstandig naamwoord en betekent hek, traliedeur. Niet in onze hedendaagse taal, maar in een voorganger, het Oostmiddelnederlands. Zulke woorden zocht ik 45 jaar geleden op in opdracht van Lulofs. Die gaf een werkcollege Beatrijs. Een werkcollege was niets voor mij, je moest meepraten en kreeg opdrachten. Ik hield meer van de grote amfitheatrale hoorcolleges, waarbij je stil en anoniem kon denken aan de kikkers in Buiksloot. Lulofs hield zich voornamelijk bezig met controleerbare techniek, dat was in orde – maar soms begaf hij zich op glad ijs, dan vertelde hij dat je het wezen van een gedicht alleen kon doorgronden als je de meer banale raadsels had opgelost (wie is Jan W. Jonker?). Daarover werd hij dan aan de tand gevoeld door Ekkel, die gedichten had gepubliceerd in Podium en dus door het gezelschap werd aanvaard als deskundige. In zo’n debat gebruikte hij eens het argument van Jan W. Jonker. Hij merkte op dat als in 2020 niemand meer zal weten dat Jan W. Jonker een goedkope slijter aan de Prinsengracht was, waar Gerard vh Reve zijn drank kocht, het gedicht nog steeds zijn originele uitwerking kan hebben. Lulofs betwijfelde dit.

[p. 266]

Het hier genoemde standpunt van Lulofs bevreemdt me enigszins, want toen ik begin jaren tachtig zelf werkcollege had van dr. F. Lulofs, was hij een fanatiek aanhanger van het zogenaamde close reading, dat wil zeggen van de in het tijdschrift Merlyn (1962-1966) uitgedragen opvatting dat je bij het lezen en interpreteren van een tekst uitsluitend moest afgaan op die tekst zelf, dat je kennis van buiten die tekst buiten beschouwing moest laten. Een krankzinnige opvatting als je het mij vraagt, maar hij maakte flink school – al meen ik me te herinneren dat die theorie begin jaren tachtig al ver over zijn hoogtepunt was en Lulofs onder het onderwijzend personeel de enige pleitbezorger ervan. lees verder ›

Column: Erik Nieuwenhuis – Toekomstdromen (47)

maandag 9 april 2012 | Erik Nieuwenhuis | 0 reacties
Column: Erik Nieuwenhuis – Toekomstdromen (47)

Het eerste miljoen was het moeilijkst, zei de vrouw die haar tieten voor minstens het dubbele had laten verspijkeren. En of ze daar gelijk in had gekregen. Toen hij twaalf was, wist hij al dat hij miljonair wilde worden, maar het duurde nog dertien jaar voor het zover was. Al die jaren had hij zich de puissante rijkdom voorgesteld als het paradijs: een Lamborghini, een huis met een verwarmd binnenzwembad dat door een flapje met het buitenbad in verbinding stond, en een huisbioscoop om oude afleveringen van Tom and Jerry te kijken met zijn vrienden. Maar hij durfde niet, omdat hij heel goed wist dat elk tientje dat hij uitgaf het einde van zijn miljonairsschap kon betekenen. Hij bleef investeren, omringde zich met financieel adviseurs en sleepte in de vijf jaren die volgden nog eens tien miljoen binnen. De Lamborghini kwam er, maar hij gunde zich geen tijd om erin te rijden. In plaats daarvan stelde hij zich twee nieuwe doelen: voor z’n vijfendertigste in de Quote 500 en een vrouw die van hem hield, maar niet om zijn geld. De Quote 500 bleek te hoog gegrepen, maar die vrouw kwam er. Vijftien jaar ouder dan hij en na haar scheiding van de nummer 350 nog altijd goed voor twee keer zijn kleine kapitaal, een landhuis in de Provence, een jacht in Saint-Tropez dat haar naam droeg en een eigen keldertje in Reims, dat ruimschoots voorzag in hun maandelijkse behoefte aan kistjes brute champagne. Toen ze op een avond uit pure verveling een plan smeedden om hun gezamenlijk kapitaal er in een jaar door te draaien, dacht zij dat hij een grapje maakte. Maar gelukkig met z’n nieuwe doel, maakte hij er daags erna meteen werk van. Het eerste miljoen bleek weer het moeilijkst, maar gaandeweg kreeg hij een neus voor noodlijdende bouwprojecten. Binnen twee jaar waren ze alles kwijt. Alleen de Lamborghini heeft hij gehouden. Zijn geld verdient hij tegenwoordig als uitzendkracht. Vandaag heeft hij in een wollig pak voor paashaas gespeeld in een kinderziekenhuis. Die gelukkige kinderkoppies toen hij ze een rondje mee liet rijden in de tweezitter. Daar doet hij het voor.

Erik Nieuwenhuis lees verder ›

Column: Karel ten Haaf – Wijnvlek

woensdag 4 april 2012 | Karel ten Haaf | 0 reacties
Column: Karel ten Haaf – Wijnvlek

Bibliofilie is geen ziekte en ook geen geaardheid – het is een keuze. Bibliofielen zijn er dan ook in soorten en maten, al zullen vele buitenstaanders de vaak subtiele verschillen tussen de verschillende stromingen niet zien (ongeveer zoals ik, atheïst, de elkaar op leven en dood bestrijdende protestantse kerken en geloofsgemeenschappen bezie: ongelovig wenkbrauwfronsend en licht geamuseerd; of, dichter bij huis, hoe vrijwel al mijn vrienden en kennissen zich ten koste van mij vrolijk maken over de zich vanwege een al dan niet verkeerd geplaatste komma opwindende, daarover ellenlange en gortdroge teksten afscheidende, scheurende en elkaar te vuur en te zwaard bestrijdende trotskistische fracties).
Mijn De Verloofde durft nauwelijks een boek uit mijn kast te nemen, laat staan open te slaan, bang als ze is een vlek op het omslag of, onherstelbaar, een leesvouw te maken. Ze concludeert uit mijn voorzichtige lezen – nee, nee, niet te ver openen, dat knakt de rug – dat ik een heilig ontzag heb voor het boek als ding, dat ik het voorwerp vereer. Een verkeerde conclusie. Ik beschouw het boek (het ding dus) als cultuurdrager, en vind dat je moet proberen die drager, dat vehikel van de inhoud, zo ongeschonden mogelijk door te geven aan de volgende generaties. Wie het boek niet ziet als cultuurdrager maar als gebruiksvoorwerp – ja hoor ’s, een boek is er om gelezen te worden, daarvoor is het gemaakt – en het derhalve misschien wel letterlijk stukleest, vernietigt een klein stukje cultuur: met de drager, het verropte exemplaar dat bij het oud papier belandt, is de verdwijning van een stuk cultuur – de inhoud van het boek – weer een stapje dichterbij. De tegenwerping dat er van een oplage toch altijd wel wat overblijft snijdt natuurlijk geen hout: zonder lezers die een boek met eerbied behandelen, ligt het voorwerp, uiteraard inclusief inhoud (waarom het gaat, aldus de kapotlezers die zich vrolijk maken over bibliofielen); ligt de inhoud dus binnen de kortste keren bij het grofvuil. lees verder ›

Column: Erik Nieuwenhuis – Toekomstdromen (46)

maandag 2 april 2012 | Erik Nieuwenhuis | 0 reacties
Column: Erik Nieuwenhuis – Toekomstdromen (46)

In een zeldzame bui van geestdrift koos Rik voor het bijvak entomologie, zonder dat hij precies wist waarvoor hij zich had ingeschreven. Een gelukstreffer, zondermeer. Voor de tentamens over vertebraten, schimmels en weidevogels haalde hij nipte voldoendes, maar eenmaal ingewijd in de wereld van de zespotigen, was het alsof hij het levenslicht opnieuw, door facetogen nu, aanschouwde. Kevers, muggen, mieren, wandelende bladeren en muskieten; kruipers, vliegers, knagers en fladderaars; hij vond ze allemaal even fascinerend. Gepromoveerd op de puberteitsuren van de eendagsvlieg, verlegde hij als jonge wetenschapper zijn werkterrein naar de voortplanting van de populierpijlstaart. Jarenlang joeg hij gewapend met lamp en vlindernet achter de mottige beesten aan, totdat ergens in de Flevopolder op een nacht een jonge boerin kwam vragen wat hij aan het doen was. Geraldina heette ze en hoewel hij haar meteen liet weten, dat hij uit hoofde van zijn beroep de komende jaren niet beschikbaar zou zijn voor warme liefdesnachten, straalde er zoveel licht van haar af, dat hij het niet kon laten om haar heen te blijven fladderen. In het najaar als de vlinders slapen en de laatste spruitkool van het land is, halen ze in wat ze in de zomer tekort zijn gekomen. Jongstleden november zijn ze samen naar Borneo geweest waar Rik tot zijn geluk een nieuwe soort wandelende tak ontdekte. Die zou Carausius morosus Geraldina Rikii hebben kunnen heten, als Geraldina hem niet onder de zool van haar bamboeslipper zou hebben vermorzeld. ‘Het is niet dat ik je je hobby niet gun,’ verklaarde ze achteraf, ‘maar vakantie is vakantie.’ De jongens van het entomologisch genootschap begrijpen niet dat hij nog altijd bij haar woont.
‘Ik had haar doodgeslagen, eerlijk waar,’ zei Richard.
‘Als het een vlinder was geweest, had ik dat misschien wel gedaan,’ zei Rik, ‘maar voor een vleugelloos insect vond ik het risico op celstraf toch net even te groot.’

Erik Nieuwenhuis (idee: Daniël Nieuwenhuis) lees verder ›

Kroniek: Aristide von Bienefeldt – De geheime dochter van Elizabeth Taylor (4)

vrijdag 30 maart 2012 | Aristide von Bienefeldt | 0 reacties
Kroniek: Aristide von Bienefeldt – De geheime dochter van Elizabeth Taylor (4)

De geheime dochter van Elizabeth Taylor (4)

Anna is in Nederland aangekomen. Anna is het meisje uit Finland dat vorig jaar ontsnapte uit een psychiatrische kliniek en sindsdien door Europa zwerft. Gisteren heb ik haar ontmoet, op een terras in Amsterdam.
Anna denkt nog altijd dat Elizabeth Taylor haar moeder is en dat haar Finse opvoeders haar in 1978, vlak na haar geboorte, gestolen hebben uit een ziekenhuis in Brooklyn. Het meisje dat tegenover me zit drinkt chocolademelk. Ze rookt niet en heeft al 5 jaar geen druppel alcohol aangeraakt. Dit is de eerste keer dat ik haar spreek sinds haar vlucht uit Finland, vorig jaar juni.
Ik weet niet zo goed wat ik moet vragen. Moet ik vragen hoe zij zich al die tijd gevoed heeft? Waar ze overnachtte? Hoe ze zichzelf waste? En, misschien wel het belangrijkst van alles, hoe kwam ze aan geld? Ik besluit naar haar flesje te vragen, dat had ik haar twee jaar geleden gestuurd en op het filmpje dat ze in de kliniek gemaakt had, droeg ze het bij zich. ‘Anna, dat flesje dat ik je stuurde, heb je dat nog?’ lees verder ›

Column: Karel ten Haaf – Rotterdams

donderdag 29 maart 2012 | Karel ten Haaf | 1 reactie
Column: Karel ten Haaf – Rotterdams

Laatst weer eens in Rotterdam geweest, waar ik de dichter/schrijver Harry Vaandrager trof en mij tijdens aangename kout tussen het ledigen van pijpjes pils door liet ontvallen, dat ik eigenlijk een Rotterdamse poëtica heb. Harry begreep niet wat ik bedoelde, dus verwees ik naar de poëzie van zijn illustere achternaamgenoot (geen familie) en citeerde ik mezelf (beetje pedant vind ik dat altijd, maar soms ontkom je er niet aan):

poëticaal

geen gedicht
is ook
een gedicht

[meisjespijn. gedichten [1978-2007] (Uitgeverij Passage, Groningen 2007), p. 9.]

Harry Vaandrager vroeg zich af of dat nou per se Rotterdams was – hij hangt, zelf Rotterdammer, een andere poëzie-opvatting aan, zo beweerde hij.
Ik vertelde dat Gerrit Komrij, in zijn inleiding bij de Verzamelde gedichten van Riekus Waskowsky (Bert Bakker, Amsterdam 1985) schreef: ‘Er is een Nederlandse literatuur en een Rotterdamse’ [p. 5] – dus dat ik niet alleen stond in mijn opvatting dat er een typisch Rotterdamse poëtica bestaat, en dat ik bovendien vond dat in zijn (Harry’s) eerste bundel Langs toendra’s (De Bezige Bij, Amsterdam 1978) wel degelijk die poëtica herkenbaar was, bijvoorbeeld in

Drieëenheid

godverdomme
godverdomme
godverdomme

[p. 15]

lees verder ›

Volgende pagina »« Vorige pagina