Essay: Peter Groenewold over Wladimir Kaminer

woensdag 4 januari 2012 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Essay: Peter Groenewold over Wladimir Kaminer

Russische Jood produceert Duitse humor,

de dubbele bodem van Wladimir Kaminer

In de zomer van 1990, negen maanden na de val van de muur, verhuisde de joodse Sovjetburger Wladimir Kaminer met zijn vrouw Olga van Moskou naar Oost-Berlijn. Hij ontving ter plaatse meteen een onbeperkte verblijfsvergunning.
De eerste vrij gekozen ministerpresident van de DDR, Lothar de Maizière, had dit voor Sovjet-Joden mogelijk gemaakt, als een soort Wiedergutmachungsgeste, omdat de DDR veertig jaar lang niets dergelijks gedaan had. Een paar maanden later, na de hereniging met West-Duitsland, werd deze regeling vlug weer afgeschaft.
Maar Kaminer mocht blijven. Hij werkte in allerlei tijdelijke baantjes en leerde Duits. Tien jaar later begon hij korte verhaaltjes en beschouwingen te publiceren waarin hij op ironische en grappige manier zijn belevenissen en ervaringen als Russische emigrant in Berlijn verwoordde.

Seit Jahren lese ich täglich in meinem russischen Lehrbuch Deutsches Deutsch zum Selberlernen aus dem Jahr 1991. Ein Trost für Geist und Körper. […] Den im Lehrbuch vorkommenden Leuten geht es saugut, sie führen ein harmonisches, glückliches Leben, das in keinem anderen Lehrbuch möglich wäre: ’Genosse Petrov ist ein Kollektivbauer. Er ist ein Komsomolze. Er hat drei Brüder und eine Schwester. Alles Komsomolzen. Genosse Petrov lernt Deutsch. Er ist fleiβig. Die Wohnung des Genossen Petrov liegt im Erdgeschoss. Die Wohnung ist groβ und hell. Genosse Petrov lernt Deutsch. Diese Arbeit ist schwer, aber interessant.’ […]
Wenn ich zu lange in dem Lehrbuch lese, kommt mir Genosse Petrov manchmal fast unglaubwürdig vor. Dann lege ich das Buch zur Seite und lese zur Abwechslung Deutsch 2 für Ausländer, ein deutsches Lehrbuch vom Herder-Institut, Leipzig 1990:
‘Der Berg Fichtelberg ist der höchste Berg der DDR. Seine Höhe beträgt 1214 Meter. Trotz Emigration, Krankheit, Not und Gefahr war Karl Marx ein glücklicher Mensch, weil er…’. Langsam versinke ich in Schlaf. Ich träume, wie Karl Marx, Genosse Petrov und ich zu früher Stunde auf dem Berg Fichtelberg stehen. Das Wetter ist gut, die Sicht ist klar. Wir unterhalten uns auf Deutsch. ’Ich habe eine sehr schöne Wohnung’, sagt Karl Marx. ’Sie ist groβ und hell. Ich bin glücklich.’
‘Ich auch’, sagt Genosse Petrov.
‘Und ich auch’, flüstere ich vor mich hin. lees verder ›

Essay: Doeke Sijens over Willem de Mérode

dinsdag 3 januari 2012 | Doeke Sijens | 0 reacties
Essay: Doeke Sijens over Willem de Mérode

Huis van duisternis en val

Het huis van Meester Keuning in Uithuizermeeden staat er nog. Achter het raam links van de voordeur was zijn kamer. Vanuit deze kamer, die een omvang van hooguit drie bij vier meter had, had hij zicht op de hoofdstraat van het dorp. Een deur in de kamer gaf toegang, drie treden hoger, tot een alkoof met een bedstee. Hij werkte aan een hoge tafel, omringd door boeken. Eten deed hij bij zijn hospita in de keuken. De kamer vormde zeventien jaar lang een veilig domein. Hij verliet het huis op doordeweekse dagen om les te geven aan de kinderen van de vierde en vijfde klas van de christelijke lagere school. Op zondag bezocht hij de Gereformeerde Kerk met naast de ingang de tekst ‘De mensch niets – Christus alles’,  een uitspraak  waarmee hij het volkomen eens was.  Misschien wel zijn favoriete wandeling was naar het station, voor bezoeken aan zijn ouders in Groningen. Een enkele keer reisde hij verder, naar Utrecht of Amsterdam. Eenmaal maakte hij vanuit Uithuizermeeden een grote reis naar  Italië.
lees verder ›

Opinie: Bekende schrijvers kunnen het papieren literaire tijdschrift niet redden

donderdag 1 december 2011 | Bart Temme | 7 reacties
Opinie: Bekende schrijvers kunnen het papieren literaire tijdschrift niet redden

Tijdschriftredacteur Merijn de Boer schreef afgelopen dinsdag in nrc.next een opiniestuk, ‘De literatuur wordt niet beter van die beurzen’ getiteld. De strekking van zijn verhaal was als volgt: stop met het geven van schrijversbeurzen, maar betaal schrijvers fors voor hun tijdschriftbijdragen. ‘Als schrijvers geen beurs meer krijgen, maar wel tweeduizend euro kunnen verdienen met een tijdschriftpublicatie, zullen ze prompt hun werk inzenden. Door een paar van deze tijdschriftpublicaties, aangevuld met een voorschot van hun uitgever, verdienen ze genoeg om te werken aan hun roman.’ Eureka! En dan komen de lezers vanzelf, denkt De Boer. Want ‘niemand leest die periodieken nog’ constateert hij terecht.

Ik wil het nu niet hebben over de toekenningen van schrijversbeurzen. Wie wel een beurs krijgt en wie niet. Dat is een discussie apart. Ik wil het hebben over de toekomst van het literaire tijdschrift, want het stuk van De Boer is naïef. Ik zal uitleggen waarom.

Vanaf 2012 zullen de papieren tijdschriften geen subsidie meer ontvangen. Er zal alleen nog maar geld zijn voor digitale initiatieven. Opvallend is dat De Boer hier met geen woord over rept. Hij geeft geen enkele suggestie hoe het tijdschrift aan deze nieuwe subsidietoekenning kan voldoen. En dat terwijl Tirade toch één van de eerste tijdschriften was die een website oprichtte. Het tijdschrift nodigt geregeld schrijvers uit om een blog bij te houden op internet en lezers kunnen een digitaal abonnement afsluiten. Het is een initiatief dat naar mijn mening niet ver genoeg gaat. Want waar is de poëzie? Waar is het proza? Waar zijn de essays? Tirade zal op deze manier onmogelijk in aanmerking komen voor de nieuwe subsidietoekenning vanaf 2012.

Maar daar maakt De Boer zich niet druk om. Hij wil het papieren literaire tijdschrift behouden. Eureka! En nu denkt u misschien dat hij met een fris idee op de proppen komt. Maar nee. Hij wil ‘de groten der Nederlandse literatuur’ inschakelen om het papieren tijdschrift te redden. ‘Als Brouwers, Van der Heijden, Thomas Rosenboom, Stephan Enter, P.F. Thomése, Willem Jan Otten, Arnon Grunberg, Peter Buwalda en Adriaan van Dis – aangevuld met goede, minder bekende schrijvers die volgens het oude systeem een beurs zouden hebben gekregen – allemaal in een nummer van een literair tijdschrift staan, zal dat nummer veel worden verkocht en veel worden gelezen.’

Tsja. In het novembernummer van Hollands Maandblad staan onder andere bijdragen van Arnon Grunberg, J.M.A. Biesheuvel, Wim Brands en Vrouwkje Tuinman. Een nummer met bekende schrijvers. Toch? Er is nog geen stormloop op het nummer geweest in de boekhandel. Tirade, notabene het tijdschrift van De Boer, bracht in het voorjaar een nummer uit over de dood. Welke schrijvers stonden er zoal in? Peter Buwalda, Herman Koch, opnieuw Arnon Grunberg, Leo Vroman, Tomas Lieske. Een nummer met bekende schrijvers. Toch? Het nummer raakte niet uitverkocht.

lees verder ›

Essay: Koen Schouwenburg – Literatuur na 9/11

zondag 11 september 2011 | Koen Schouwenburg | 0 reacties
Essay: Koen Schouwenburg – Literatuur na 9/11

Literatuur na 9/11

Dit jaar is het tien jaar geleden dat een aantal idioten besloot om vier vliegtuigen te kapen. Eén vliegtuig stortte neer in de staat Pennsylvania (vlucht 93) doordat de terroristen werden overmeesterd en zoals bekend vlogen twee vliegtuigen in de Twin Towers en één in het Pentagon. Vlak na deze aanslagen publiceerden enkele intellectuelen opinie-artikelen waarin ze het einde van het postmodernisme voorspelden. De aanslagen zouden een einde maken aan het relativisme en ironie van het postmodernisme, tenminste, daar hoopten deze schrijvers vurig op. De vraag is: kregen ze gelijk? Nu, tien jaar later, kunnen we de balans opmaken.

Eerst is het nodig iets op te helderen, namelijk het antwoord op de vraag hoe goed deze opiniemakers ingevoerd zijn in het postmodernisme. Hoogleraar Thomas Vaessens publiceerde het veelbesproken boek De revanche van de roman. Deel I van zijn boek is een theoretisch kader over het postmodernisme (en modernisme). De aanvallen op Vaessens in de kritiek waren voornamelijk gebaseerd op de delen die hierop volgden.

Het eerste deel van Vaessens’ boek is exemplarisch voor het stuitende onbegrip omtrent het postmodernisme. Vaessens walst met zevenmijlslaarzen in één keer door naar Derrida, Lyotard en Foucault. De filosofie van Wittgenstein en Nietzsche, zonder welke het postmodernisme ondenkbaar is, worden genegeerd (oké, Vaessens haalt het stukje uit De vrolijke wetenschap aan van de dwaas en god, maar deze verwijzing zorgt niet voor een beter en breder begrip van het postmodernisme of Nietzsches rol hierin). Bij Vaessens is het postmodernisme eigenlijk alleen relativisme en ironie. Hij denkt dat het postmodernisme zichzelf niet serieus neemt, dat het postmodernisme statusverlies van de literatuur tracht te bewerkstelligen en dat postmodernisme hetzelfde is als deconstructie (trouwens: ‘wegdeconstruceren’ is een neologisme dat riekt naar onwetendheid) en dat de aanval op de moderne metafysica het gevolg is van de kenmerken van het postmodernisme. lees verder ›

Essay: Literaire tijdschriften hebben hun eigen ondergang bewerkstelligd

zondag 26 juni 2011 | Bart Temme | 57 reacties
Essay: Literaire tijdschriften hebben hun eigen ondergang bewerkstelligd

De afgelopen twee weken heb ik me vaak verbaasd. Literair Nederland is onthutst door de bezuinigingen op de literaire tijdschriften. Staatssecretaris Halbe Zijlstra heeft namelijk besloten om de drie ton subsidie aan de tijdschriften stop te zetten. Ze trekken te weinig lezers. Hij neemt daarmee grotendeels het advies van de Raad voor Cultuur over. De onrust die vervolgens in dag- en weekbladen en op internet ontstond, verwonderde me. Alsof het besluit onverwachts kwam.

Ook de quasi-laconieke reacties van redactieleden van literaire tijdschriften vielen mij op. ‘We bekijken nog hoe we gaan reageren,’ zei redactielid Michel van de Waart van De Gids in NRC Handelsblad. Merijn de Boer van Tirade zei in dezelfde krant: ‘We hebben nog geen plan liggen, maar het is duidelijk dat we niet op dezelfde manier kunnen doorgaan.’ lees verder ›

Essay: Over de aandacht van de literatuurkritiek voor debutanten

zondag 23 januari 2011 | Bart Temme | 6 reacties
Essay: Over de aandacht van de literatuurkritiek voor debutanten

I inleiding

Afgelopen week werd de website literairedebuten.nl gelanceerd. Op deze site worden Nederlandse debuten besproken door leden van de Vereniging van Letterkundigen. Volgens de initiatiefnemers Hans Vervoort en Erik de Vries is dat nodig, want debuten ontberen vaak de aandacht in de kranten en tijdschriften. Dat is veel gehoorde klacht. Begin 2009 debuteerde Anke Scheeren met de roman De mooiste dagen zijn het ergst bij Nieuw Amsterdam. Haar debuut kreeg in een aantal Nederlandse dag- en weekbladen kritieken. In een interview met NRC Handelsblad toonde ze zich bewust van deze uitzonderlijke positie, want volgens haar uitgever worden lang niet alle debuten door critici besproken: ‘(…) mijn uitgever had me al gewaarschuwd dat de meeste debutanten niet eens besproken worden.’ [1] lees verder ›

Essay: De opkomst van de rancunerecensie

zaterdag 25 september 2010 | Coen Peppelenbos | 2 reacties
Essay: De opkomst van de rancunerecensie

Hoe Arie Storm en Jeroen Vullings zich afkeren van het publiek

Dit jaar was ik voor het eerst op Manuscripta. Ik heb er wat rondgelopen en hier en daar een interview bijgewoond. Bij sommige schrijvers was het heel druk, bij anderen stond een handjevol mensen, vooral uitgeverijmedewerkers, te kijken. Dat laatste was het geval bijvoorbeeld bij Arie Storm die zich door enkele bladzijden uit zijn nieuwe boek zwoegde, bang contact te maken met die paar ogen die op hem gericht waren. Hoe anders was dat bij Adriaan van Dis en Tzum-medewerker Arthur Japin, twee schrijvers die zich nadrukkelijk wel om hun publiek bekommeren. Lange rijen mensen die er rustig een half uurtje wachten voor over hadden om de door hen bewonderde schrijver te zien optreden. lees verder ›