Next Page »

Interview: Doeschka Meijsing – ‘Ik ben gewoon erg goed in mooie zinnen’

dinsdag 31 januari 2012 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Doeschka Meijsing – ‘Ik ben gewoon erg goed in mooie zinnen’

In 2003 stond in Tzum een interview met Doeschka Meijsing naar aanleiding van het winnen van de Tzum-prijs. In verband met het overlijden van Doeschka Meijsing zetten we dit interview vandaag online. Ik zou wensen dat er een prettiger aanleiding voor was.

‘Ik ben gewoon erg goed in mooie zinnen’

Met de zin ‘Wij mochten op vrije zaterdagmiddagen bij louche verkopers minachtend tegen de banden schoppen, terwijl mijn vader onder de motorkap keek of de problemen die zich zouden kunnen voordoen met touw waren op te lossen.’ won Doeschka Meijsing de Tzum-prijs voor de mooiste zin uit 2002. Ze won behalve een fraaie beker tevens het geldbedrag van €34,- (gelijk aan het aantal woorden in de zin). De schrijfster is er blij mee. Een gesprek over het schrijven en haar twee laatste romans.

Je hebt eerlijk gezegd niet veel prijzen gewonnen.
Het zit met prijzen en mij heel raar. Dit is pas de derde prijs die ik gewonnen heb. Daarvoor heb ik de Multatuli-prijs en de
Annie Romein-prijs gekregen. Als je dat vergelijkt met Robert Anker die zowat alles gewonnen heeft wat er te winnen valt, voor zowel poëzie als proza, dan is mijn oogst buiten gewoon karig.

Terwijl De tweede man een grote prijs had moeten winnen. Is het niet vervelend dat zo’n veelomvattend boek weer zo snel verdwijnt uit de aandacht?
Dat is dan ook helemaal niet waar. Er verschijnen geen stukken meer over in de krant, maar De tweede man wordt nog steeds goed verkocht. Mijn uitgever is blij dat ik zo’n goede doorloop heb. Sommige schrijvers hebben even een succes en dan valt de verkoop weg, maar mijn boeken blijven verkopen. Je ziet overigens dat het boek wel weer wordt opgepakt. Vorig jaar heb ik in het noorden nog een tournee gedaan, waarbij van heinde en verre vrouwen kwamen discussiëren over De tweede man. En ze leggen hoge maatstaven aan! lees verder ›

Interview: Rascha Peper over Dooi

zondag 1 januari 2012 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Rascha Peper over <em>Dooi</em>

‘Oh god, het is toch geen magisch-realisme’

Ze begint een oeuvrebouwer te worden. In tien jaar schreef ze zeven boeken. Haar publiek wordt steeds groter. Het is een trouw publiek. Wie eenmaal valt voor de verhaalkunst van Rascha Peper blijft de schrijfster volgen. Vlak voor haar vertrek naar New York spreekt Rascha Peper over haar nieuwste boek Dooi, de recensies en haar afkeer van de autobiografische literatuur.

Is Dooi ook weer geschreven naar aanleiding van een van de krantenknipseltjes uit je befaamde schoenendoos?
Het is inderdaad gebaseerd op een ware geschiedenis van iemand die vast kwam te zitten in het ijs. En daar las ik in de krant over. De laatste strenge winter die we hebben gehad, toen de Elfstedentocht werd gereden, heeft het de hele januarimaand gevroren en op het moment dat het ging dooien stond er een stuk in de krant over een man die vast zat met zijn boot bij een eilandje. Weliswaar niet op het IJsselmeer, maar in het Gooimeer. Ondanks de dooi was het ijs nog steeds zo verschrikkelijk dik dat hij er niet wegkon. Dat bericht heb ik meteen uitgeknipt. Ik vond het een mooi uitgangspunt voor een novelle. Een hele roman zit daar niet in. lees verder ›

Interview: Jeroen Brouwers over het schrijven en literaire prijzen

donderdag 29 december 2011 | Roos Custers | 0 reacties
Interview: Jeroen Brouwers over het schrijven en literaire prijzen

‘Ik was helemaal nergens geschikt voor, nou toen ben ik maar gaan schrijven’

In 2007 won Jeroen Brouwers de Tzum-prijs. Roos Custers en Dolf Verlinden togen naar Vlaanderen om de prijs uit te reiken. Het interview stond eerder in Tzum 40.

Met de zin ‘Al stond in het centrum van het huis een kachel als uit de machinekamer van een stoomschip en stortte ik deze vol kolen en hout uit het bos, ze verspreidde geen warmte, -zoals er ook van mij, volgestort met het witte water van de firma Bols, niet echt meer iets constructiefs uitging.’ afkomstig uit de inleiding van het boek In het midden van de reis door mijn leven won Jeroen Brouwers de Tzum-prijs 2007. Eveneens dat jaar kreeg Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, die hij weigerde, en werd er in de Vlaamse gemeente Zutendaal een monument voor hem opgericht. In december kreeg hij de Tzum-prijs, bestaande uit een beker en 52 euro, in zijn woning te Zutendaal overhandigd.

Alstublieft, deze beker is de Tzum-prijs.
JB: Prachtig, hartelijk dank. Kan dit klepje los? Dan kan ik er jenever uit drinken.

Nou dan moet je wel hard trekken, heeft u eerder een beker gekregen?
JB: Dit is de eerste. Tja, die komt dan in het prijzenkastje hè, op de kast in de hal, daar staan ook die twee Gouden Uilen die ik ooit gekregen heb, en verder heb ik de Multatuliprijs ontvangen, die bestaat uit een kilo zilver, die bevindt zich onder m’n bed.

Ik geef u ook gelijk het prijzengeld, 52 euro, een euro per woord van de winnende zin. Ik heb nu de neiging uzelf te citeren; in de krant zei u in reactie op het bedrag dat verbonden is aan de Prijs der Nederlandse Letteren: ‘een heel oeuvre. En daar krijg je dan een prijsje voor -koop jij daar maar een glaasje bier voor, ouwe’
JB: Ach, ik vind dit een veel aardiger prijs dan die hele staatsprijs, en dat monument dat ze hier in Zutendaal gemaakt hebben, dat vind ik ook veel aardiger dan die grote prijs. Dat is een stuk minder pretentieus. Die grote prijs bestaat uitsluitend uit een handdruk van de koning cq de koningin, nou als die man mij een hand wil geven dan komt hij maar naar Zutendaal hoor! Maar men vindt dat kennelijk zo’n grote eer dat over dat schertsbedragje niet gepraat wordt, en daar heb ik nu een schop tegenaan gegeven.

Dat is dan gelukt, gezien de ophef, wellicht dat het prijzengeld de volgende keer omhoog gaat?
JB: Daar heb ik toch niets aan! Kijk, ik heb om te beginnen de Taalunie, dat is de club die die prijs uitreikt, een brief geschreven dat die prijs mij teleurstelde, en toen zeiden ze dat de ministers dat moesten beslissen en die vergaderen dan en dan, in oktober. Daar heb ik dus op gewacht. Na afloop van die vergadering belde Plasterk mij, vanuit zijn auto, ‘Meneer Brouwers, we zijn het niet eens geworden, de prijs gaat niet omhoog, maar de kans bestaat dat over drie jaar, de volgende laureaat’ en toen zei ik ‘Jaaa, en waarom kan dat over drie jaar dan wel?’, waarop hij zei dat dat lag aan de regelementen. Maar waarom kun je die regelementen dan niet veranderen? Dat soort gelul weet je wel.

Tja, ik denk dan, wat is 16.000 euro op een begroting?
JB: Niks, 16.000 euro, en dat dan eens per drie jaar, en ook nog gedeeld door twee landen dat komt neer op nog geen drieduizend per jaar. Afijn, ik werd ook opgebeld door de Belgische minister, dat is meneer Anciaux, die belde vanuit een trein, hij was het wel met me eens en begon door de telefoon met: ‘Ik ben beschaamd, ik ben beschaamd! Ik zal niet rusten totdat…’ Ja, dat is die diplomatieke wolkenpraat.

Maar goed, hij meende het wel.
JB: Ja, staat er een paar dagen terug in De Morgen, dat die Anciaux vergevorderde plannen heeft om een pensioen in te stellen voor oudere kunstenaars -niet alleen schrijvers- een écht pensioen, dat is dan heel goed maar ik ben een Hollander en kom dus niet in aanmerking voor die Vlaamse pensioenen dus dat moet Holland nu ook van de grond krijgen, dan heb ik iets bereikt.

Want kunstenaars kunnen over het algemeen geen pensioen opbouwen.
JB: Precies, maar dan staat er weer een hatelijke brief in De Telegraaf: ‘Die Brouwers moet een schop onder z’n kont krijgen!’ en andere mensen zeggen: ‘Die Brouwers is gek, die had z’n hele leven een pensioen moeten opbouwen.’ Dat zijn dus mensen die nergens verstand van hebben. Natuurlijk kun je als kunstenaar geen pensioen opbouwen! Waar OP moet je dat bouwen? Je moet toch ook eten, en je sigaretten kunnen kopen? Nou, ik hoop dus dat daar iets aan gedaan gaat worden, daar heb ik dus door die prijs te weigeren de eerste trap tegen gegeven.
lees verder ›

Interview: Arthur Japin over De zwarte met het witte hart

dinsdag 27 december 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Arthur Japin over <em>De zwarte met het witte hart</em>

Vasthouden aan een droom

In het najaar van 1998 verscheen De vierde wand een verhalenbundel. Voor De zwarte met het witte hart ontving Arthur Japin onlangs de ECI-literatuurprijs, 35.000 gulden. De prijs, bedoeld als aanmoediging voor jonge auteurs, is voor Japin een bevestiging van het succes dat hij al heeft. Verschillende drukken zijn er al van verkocht en het buitenland staat in de rij voor de rechten.

Je hebt van De zwarte met het witte hart ooit een hoorspel gemaakt voor de Tros. Je gaat een opera van het verhaal maken; zijn er ook al filmplannen?
De plannen zijn wel weer aangewakkerd door mijn Engelse uitgever. Films zijn altijd lange termijnplannen. Met het libretto ben ik nu bezig. De opera maak ik met Louis Andriessen en in 2001 moet die in première gaan. Toen ik voor het eerst van het verhaal hoorde, werkte ik bij de opera. Ik zag er meteen al een opera in. Het verhaal van twee Afrikaanse prinsjes die in de vorige eeuw naar Nederland gehaald werden en daardoor allebei uiteindelijk ten onder gaan, vond ik zo’n noodlotsdrama. Helaas had ik niet de goede ingangen om het plan van de grond te tillen en nu het wel gebeurt, is de cirkel weer rond.

De zwarte met het witte hart is heel scenisch opgebouwd. Was je toen al bezig met scenarioschrijven?
Toen ik ermee begon was ik helemaal niet aan het schrijven; ik speelde nog toneel. Op het moment dat ik er mee wilde ophouden kwam dit verhaal op mijn pad. En in die tijd begon net het Stimuleringsfonds dat culturele omroepproducties ondersteunde en die schreef een prijsvraag uit waar je anoniem verhalen en ideeën naar toe kon sturen. Ik stuurde het idee van die prinsjes op als een avondvullende speelfilm, ik wist van toeten noch blazen. Ze waardeerden het maar ze wilden er een vierdelige televisieserie van maken. Ik heb geld gekregen om onderzoek te doen, maar als televisieserie was het verhaal veel te duur. Niet door de locaties, maar door de kostuums; elke vrouw die binnenkomt, kost al gauw 15 duizend gulden. Door het schrijven hiervan had ik wel contact gekregen met verschillende omroepen en daarna heb ik andere televisiedrama’s geschreven. lees verder ›

Interview: Tommy Wieringa over Joe Speedboot

maandag 26 december 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Tommy Wieringa over <em>Joe Speedboot</em>

‘In de werkelijkheid ligt de rijkdom’

Ineens is hij ontdekt door het grote publiek: Tommy Wieringa. Drie romans schreef hij voordat hij met het ontroerende en spannende boek Joe Speedboot doorbrak. Binnen een half jaar beleefde de roman vijf herdrukken en waren de filmrechten verkocht.

De naam Joe Speedboot komt uit de werkelijkheid.
Tijdens mijn studie hoorde ik van een jongen die zijn familie haatte en die ervoor koos om met een machtig gebaar te breken met zijn verleden door voor de naam Joe Speedboot te kiezen. Dat was een anekdote die ik ook half-vergeten was, totdat ik een romanidee nodig had en die naam me weer te binnen schoot. Toen dacht ik: daar zit iets in: een soort mosterdzaadje waar iets groters uit kan groeien. Ik wist dat ik met die naam iets kon, wat wist ik nog niet, want dat is de alchemie van het schrijven: dat je begint met husselen met ingrediënten, namen, bepaalde bestaansproblemen en dan maar aan het werk gaat.

En dan kies je voor een verteller, Fransje, die net uit een wekenlang coma is ontwaakt en die door een noodlottig ongeval met een grasmaaier alleen maar de beschikking heeft over zijn rechterarm en zijn verstand.
Dat was wel een probleem, want ik had als hoofdpersoon een mateloze beweger. Joe Speedboot bouwt een vliegtuig, verbouwt een shovel om aan de rally Parijs-Dakar mee te doen; hij is geboren voor het avontuur. Als je daar een zelfde figuur tegenover zet, komt er geen dynamiek. Ik had iemand nodig die niet beweegt, iemand die claustrofobisch opgesloten zit in zijn eigen lichaam. Ik dacht toen terug aan een jongen op mijn oude school, Rutger Boots – aan wie ik het boek ook heb opgedragen, die op zijn tiende door een dronken automobilist is aangereden en twintig meter werd weggeslingerd. Hij heeft negen maanden in coma gelegen, ik zie nu ook opeens dat dat dezelfde tijd is als voor een geboorte, en is er toen langzaam uit tevoorschijn gekomen. Ik zat op een antroposofische school en elke ochtend zeiden we een antroposofisch gebed voor hem.

Wat doe je dan?
Dan kom je op school en dan zeg je: ‘Ik zie rond in de wereld waarin de zon haar licht zendt, waarin de sterren fonkelen, waarin de stenen rusten…’ enzovoort. En dan vinden ze het gek dat je verzet biedt! Maar het heeft wel geholpen, want hij is opgewekt door Rudolf Steiner. lees verder ›

Interview: Thomas Rosenboom over Zoete mond

zaterdag 24 december 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Thomas Rosenboom over <em>Zoete mond</em>

‘Het moest een beetje viezig zijn’

Een nieuw boek van Thomas Rosenboom is een literaire gebeurtenis van formaat: de schrijver wordt overal geïnterviewd en overal besproken, de winkels liggen vol met stapels van zijn roman. Er kwamen zelfs filmpjes ter promotie.
Zoete mond gaat over een wat naïeve en wereldvreemde dierenarts die na de dood van zijn vrouw gaat wonen in een klein dorpje aan de Rijn. De kinderen in het dorp worden binnen de kortste keren aangestoken door een liefde voor dieren. Natuurlijk blijft niet alles zo idyllisch. Tzum sprak met de auteur.

Voor het eerst is een boek van jou in de markt gezet met filmpjes op YouTube.
We zijn gaan filmen in de buurt van Tolkamer, dat is waar de Rijn ons land binnen stroomt. Dat is niet meer bij Lobith, maar bij Tolkamer. Ik ben in Arnhem opgegroeid en ons gezin bracht vaak de weekenden door bij een zandafgraving daar bij Tolkamer. Ik kende dat gebied als jongetje al. Ik zeilde ook met een klein bootje op de Rijn, heel gevaarlijk eigenlijk. Ik deed het alleen maar als mijn vader er niet bij was en als het heel hard woei. Je had een heel harde westenwind nodig om tegen die stroom op te komen. Anders zou je met de stroom meegenomen worden en niet meer terug kunnen.
In Zoete mond staan eindelijk een paar zaken die ik zelf heb meegemaakt. Bij de beschrijving van de tocht over het IJsselmeer van Rebert kon ik uit eigen ervaringen putten.

Het plaatsje heeft de fictieve naam Angelen. Zo langzamerhand zijn er in Nederland heel wat plaatsen die een link hebben met jouw boeken. Bestaan er al Rosenboomwandeltochten?
Daar houd ik me eerlijk gezegd niet zo mee bezig. Zodra ik een boek af heb ben ik mijn belangstelling ook kwijt. Ik weet dat er in Amsterdam iets is naar aanleiding van Publieke werken, maar om dat nu zelf te gaan lopen. Ik heb nooit over Amsterdam aan het eind van de negentiende eeuw willen schrijven. Ik had een verhaalgegeven dat daar toevallig in die tijd speelde. Als voorbereiding op dat boek heb ik alles gelezen wat ik maar kon vinden, maar het gaat om het verhaal, het drama. Ik heb zelf nooit het idee gehad: ik schrijf over Amsterdam.
Bij De nieuwe man dat in Groningen speelt had ik een luchtfoto gezien, maar die heb ik verkeerd geïnterpreteerd: noord en zuid heb ik omgedraaid. Dat Wirdum ligt ook niet aan de vaart zoals ik dacht, maar een eindje er vandaan. Bij Zoete mond kende ik het landschap al.
lees verder ›

Interview: Ann De Craemer over Vurige tong

vrijdag 23 december 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Ann De Craemer over <em>Vurige tong</em>

‘Zwijgt en doe voort’

Het mooie van literatuur is dat er op onverwachte momenten talenten opduiken die het literaire speelveld verrijken. Ann De Craemer schreef eerder Duizend-en-één dromen. Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn dat meteen werd genomineerd voor de Bob den Uyl Prijs, maar haar tweede boek komt aan als een vuistslag. In Vurige tong, een vertelling, beschrijft ze de katholieke geest in haar geboortestad Tielt. Een verstikkende jeugd met ontzag voor katholieke hoogwaardigheidsbekleders en een afkeer van sadistische onderwijzeressen. Ann De Craemer rekent af met de mensen die haar jeugd bepaald hebben op het moment dat haar tante Denise overlijdt, een tante die haar hele leven als non heeft gegeven aan de kerk. ‘Ik dacht aan de treurnis in haar ogen toen ze ons week na week verliet, en voelde een woede die ik nooit eerder had gekend.’ Een interview per mail.

Waarom heb je gekozen om van dit boek ‘een vertelling’ te maken en niet een roman?
Literatuur is altijd een verdichting van de waarheid, maar een roman is een vorm die die suggestie nog versterkt. Als lezers een roman in handen krijgen, dat ook op de kaft zien staan, gaan ze er haast automatisch vanuit dat er veel ‘verdicht’ is, dat er heel veel fantasie van de auteur in het verhaal is geslopen. Dat wilde ik vermijden. Ik wilde de lezers door ‘vertelling’ op de kaft te plaatsen nog meer laten aanvoelen dat alles wat in het boek staat echt is, dat alles waar gebeurd is, dat er als het ware geen regenbui in het boek is die er niet is geweest. Dat heeft dan weer te maken met het feit dat ik met dit boek inderdaad een ‘boodschap’ heb, een woord dat auteurs van mijn generatie haast niet meer durven te gebruiken, en de boodschap is, onder meer: dit is de invloed die de Kerk in Vlaanderen heeft gehad, en vandaag voor een deel nog heeft in de mentaliteit van de mensen. En dat wilde ik laten zien aan de hand van een verhaal waarvan mensen voelen dat het echt is, en dat moesten ze niet alleen voelen in de inhoud, maar ook in de vormkeuze: een vertelling.

Waag je je sowieso wel aan fictie of is het genre dat je nu beoefent een uitvloeisel van je journalistieke werk?
Ja, ik ben nu bezig met fictie. Misschien heb ik ’sluipend’ de weg naar de fictie genomen. De weg van de geleidelijkheid. Eerst het Iranboek, wat nog echt non-fictie was, dan Vurige tong, literaire non-fictie, en nu ben ik bezig met een novelle.

Je schrijft over mensen in Tielt die ook nu nog daar leven. Krijg je al reacties op jouw boodschap in het boek van oud-leraressen en klasgenoten?
Ja, heel veel reacties. En heel veel positieve, tot mijn verbazing vaak van oudere mensen. Ze gaan die mening niet hardop zeggen, het ‘zwijgt en doe voort’ bestaat nog steeds, maar toen ik hier bijvoorbeeld signeerde in de Standaard Boekhandel, kwamen er een paar oudere mensen naar me toe die me letterlijk een schouderklopje gaven en zeiden: ‘Goed dat je dat gezegd hebt, meiske, het werd tijd dat iemand al die pilaarbijters eens op hun doos gaf.’ lees verder ›

Interview: Richard de Nooy – ‘Zelfs goede vrienden vragen zich af in hoeverre mijn verhalen autobiografisch zijn’

zaterdag 17 december 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Richard de Nooy – ‘Zelfs goede vrienden vragen zich af in hoeverre mijn verhalen autobiografisch zijn’

‘Een prachtig verhaal,’ noemde Expreszo, het gay-blad voor jongeren, Zacht als Staal van Richard de Nooy (1965). De roman is het tweede deel van een trilogie, maar is als zelfstandig boek te lezen. De jongen Staal vertrekt als jongeman naar Nederland. Hij komt uit het gay-onvriendelijke Zuid-Afrika en staat opeens in de vrije homoseksuele wereld van Amsterdam. Het loopt niet goed af. Zacht als Staal is een reconstructie van een vroege dood met de moeder van Staal die vanuit Zuid-Afrika overgekomen is om zich te laten gidsen door de onderwereld die haar zoon heeft opgeslokt.

Laat ik beginnen met mijn misverstand. Nadat ik je boek gelezen had, dacht ik zeker te weten dat de schrijver ook homoseksueel zou zijn. Niet alleen omdat er een grote kennis van de gay-wereld uit Zacht als Staal spreekt, maar ook omdat de standaard hetero-grapjes en vooroordelen ontbreken. Hoe kom je aan die kennis?
Ik heb vanaf mijn 17de, toen ik Zuid-Afrika naar de universiteit ging, eigenlijk altijd gay vrienden gehad. Ik voelde een verwantschap omdat de humor, gesprekken en interesses afweken van de machowereld waarin ik was opgegroeid. Toen ik op mijn twintigste naar Nederland kwam, raakte ik bevriend met een wat oudere man die een relatie had met een jongen van 18 of 19 die verslaafd was aan heroïne. In die tijd heb ik zo’n beetje alle kanten van de Amsterdamse gay-scene gezien, zonder daadwerkelijk eraan deel te nemen. Later ben ik via mijn vrouw ook veel nieuwe gay vrienden tegengekomen. Een aantal daarvan hebben specifieke ervaringen met mij gedeeld of mij doorverwezen naar kennissen, die makkelijker met mij konden praten over hun seksleven of mij iets konden vertellen over hun ervaringen vanuit een specifieke cultuur. Een tweetal vrienden hebben vervolgens vroege versies van het manuscript gelezen en details toegevoegd of correcties gemaakt. lees verder ›

Next Page »