Volgende pagina »« Vorige pagina

Interview: Ann De Craemer over Vurige tong

vrijdag 23 december 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Ann De Craemer over <em>Vurige tong</em>

‘Zwijgt en doe voort’

Het mooie van literatuur is dat er op onverwachte momenten talenten opduiken die het literaire speelveld verrijken. Ann De Craemer schreef eerder Duizend-en-één dromen. Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn dat meteen werd genomineerd voor de Bob den Uyl Prijs, maar haar tweede boek komt aan als een vuistslag. In Vurige tong, een vertelling, beschrijft ze de katholieke geest in haar geboortestad Tielt. Een verstikkende jeugd met ontzag voor katholieke hoogwaardigheidsbekleders en een afkeer van sadistische onderwijzeressen. Ann De Craemer rekent af met de mensen die haar jeugd bepaald hebben op het moment dat haar tante Denise overlijdt, een tante die haar hele leven als non heeft gegeven aan de kerk. ‘Ik dacht aan de treurnis in haar ogen toen ze ons week na week verliet, en voelde een woede die ik nooit eerder had gekend.’ Een interview per mail.

Waarom heb je gekozen om van dit boek ‘een vertelling’ te maken en niet een roman?
Literatuur is altijd een verdichting van de waarheid, maar een roman is een vorm die die suggestie nog versterkt. Als lezers een roman in handen krijgen, dat ook op de kaft zien staan, gaan ze er haast automatisch vanuit dat er veel ‘verdicht’ is, dat er heel veel fantasie van de auteur in het verhaal is geslopen. Dat wilde ik vermijden. Ik wilde de lezers door ‘vertelling’ op de kaft te plaatsen nog meer laten aanvoelen dat alles wat in het boek staat echt is, dat alles waar gebeurd is, dat er als het ware geen regenbui in het boek is die er niet is geweest. Dat heeft dan weer te maken met het feit dat ik met dit boek inderdaad een ‘boodschap’ heb, een woord dat auteurs van mijn generatie haast niet meer durven te gebruiken, en de boodschap is, onder meer: dit is de invloed die de Kerk in Vlaanderen heeft gehad, en vandaag voor een deel nog heeft in de mentaliteit van de mensen. En dat wilde ik laten zien aan de hand van een verhaal waarvan mensen voelen dat het echt is, en dat moesten ze niet alleen voelen in de inhoud, maar ook in de vormkeuze: een vertelling.

Waag je je sowieso wel aan fictie of is het genre dat je nu beoefent een uitvloeisel van je journalistieke werk?
Ja, ik ben nu bezig met fictie. Misschien heb ik ‘sluipend’ de weg naar de fictie genomen. De weg van de geleidelijkheid. Eerst het Iranboek, wat nog echt non-fictie was, dan Vurige tong, literaire non-fictie, en nu ben ik bezig met een novelle.

Je schrijft over mensen in Tielt die ook nu nog daar leven. Krijg je al reacties op jouw boodschap in het boek van oud-leraressen en klasgenoten?
Ja, heel veel reacties. En heel veel positieve, tot mijn verbazing vaak van oudere mensen. Ze gaan die mening niet hardop zeggen, het ‘zwijgt en doe voort’ bestaat nog steeds, maar toen ik hier bijvoorbeeld signeerde in de Standaard Boekhandel, kwamen er een paar oudere mensen naar me toe die me letterlijk een schouderklopje gaven en zeiden: ‘Goed dat je dat gezegd hebt, meiske, het werd tijd dat iemand al die pilaarbijters eens op hun doos gaf.’ lees verder ›

Interview: Richard de Nooy – ‘Zelfs goede vrienden vragen zich af in hoeverre mijn verhalen autobiografisch zijn’

zaterdag 17 december 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Richard de Nooy – ‘Zelfs goede vrienden vragen zich af in hoeverre mijn verhalen autobiografisch zijn’

‘Een prachtig verhaal,’ noemde Expreszo, het gay-blad voor jongeren, Zacht als Staal van Richard de Nooy (1965). De roman is het tweede deel van een trilogie, maar is als zelfstandig boek te lezen. De jongen Staal vertrekt als jongeman naar Nederland. Hij komt uit het gay-onvriendelijke Zuid-Afrika en staat opeens in de vrije homoseksuele wereld van Amsterdam. Het loopt niet goed af. Zacht als Staal is een reconstructie van een vroege dood met de moeder van Staal die vanuit Zuid-Afrika overgekomen is om zich te laten gidsen door de onderwereld die haar zoon heeft opgeslokt.

Laat ik beginnen met mijn misverstand. Nadat ik je boek gelezen had, dacht ik zeker te weten dat de schrijver ook homoseksueel zou zijn. Niet alleen omdat er een grote kennis van de gay-wereld uit Zacht als Staal spreekt, maar ook omdat de standaard hetero-grapjes en vooroordelen ontbreken. Hoe kom je aan die kennis?
Ik heb vanaf mijn 17de, toen ik Zuid-Afrika naar de universiteit ging, eigenlijk altijd gay vrienden gehad. Ik voelde een verwantschap omdat de humor, gesprekken en interesses afweken van de machowereld waarin ik was opgegroeid. Toen ik op mijn twintigste naar Nederland kwam, raakte ik bevriend met een wat oudere man die een relatie had met een jongen van 18 of 19 die verslaafd was aan heroïne. In die tijd heb ik zo’n beetje alle kanten van de Amsterdamse gay-scene gezien, zonder daadwerkelijk eraan deel te nemen. Later ben ik via mijn vrouw ook veel nieuwe gay vrienden tegengekomen. Een aantal daarvan hebben specifieke ervaringen met mij gedeeld of mij doorverwezen naar kennissen, die makkelijker met mij konden praten over hun seksleven of mij iets konden vertellen over hun ervaringen vanuit een specifieke cultuur. Een tweetal vrienden hebben vervolgens vroege versies van het manuscript gelezen en details toegevoegd of correcties gemaakt. lees verder ›

Interview: F. Springer – ‘Je mag de lezer geen seconde vervelen’

dinsdag 8 november 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: F. Springer – ‘Je mag de lezer geen seconde vervelen’

In 2009 interviewden Alfred Schaffer en Victor Schiferli F. Springer voor het literaire tijdschrift Bunker Hill. Tzum.info mocht het interview herplaatsen. Springer overleed gisteren, hij werd 79 jaar.

‘Je mag de lezer geen seconde vervelen’ Een gesprek met F. Springer

- Schrijversvertrekken -

F. Springer (Batavia, 15 januari 1932) is het pseudoniem van Carel Jan Schneider. Hij werd geboren te Batavia, Nederlands-Indië. Tijdens de Japanse bezetting bracht hij een deel van de tijd door in een interneringskamp. Na de oorlog kwam het gezin naar Nederland, na een lange omweg via Ceylon, Singapore en Thailand. Schneider ging naar het gymnasium in Rotterdam en Den Haag en studeerde rechten in Leiden. Van 1958 tot 1961 was hij bestuursambtenaar in Nederlands Nieuw-Guinea, het tegenwoordige Papoea. Daarna werkte hij in New York, Brussel, Dhaka, Teheran, Bangkok, Straatsburg en Angola. Eind jaren tachtig was hij ambassadeur in de DDR.
Zijn gedichten en verhalen uit de jaren vijftig werden aanvankelijk onder zijn eigen naam gepubliceerd. Vanaf Bericht uit Hollandia (1962) gebruikt hij het pseudoniem F. Springer. Hij schreef tot nu toe vele verhalen, novelles en een zestal romans, waarvan met name Bougainville (1981),Quissama (1985), Teheran, een zwanenzang (1991) en Kandy (1998) grote successen waren. Hij ontving voor Bougainville in 1982 de Ferdinand Bordewijk Prijs en in 1995 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Springer is herstellende van een operatie. In mei 2006 werd hij ziek, begin dit jaar kwam hij weer overeind. Voorzichtig denkt hij weer aan schrijven, iets waar hij lange tijd niet mee bezig kon zijn: ‘Ik ben bijna dood geweest. Momenteel heb ik niets onderhanden, maar ik denk er wel veel meer aan dan een tijdje geleden. Maar het proces is nog niet voltooid. Ik ga niet uit, heb geen zitvlees voor toneel- en muziekvoorstellingen.’ Hij woont op een etage van een flatgebouw in Den Haag, met uitzicht op diverse bouwputten. ‘Alles wordt verruïneerd door de projectontwikkelaars, dus ik heb mij hierboven met een touwladder teruggetrokken. Dat is de enige manier om te overleven.’

Bij het gesprek is Liesbeth Dolk aanwezig. ‘Zij maakt mijn biografie dus ze mag er ook bijzitten. Ze moet zich wel haasten. Ik leef nog, maar mijn generatie valt bij bosjes.’ Springer is in een opgewekt humeur en kijkt ons met pretoogjes aan. ‘Nou jongens, zeg het maar. Ik las laatst een interview in The Paris Review met Dorothy Parker waarin ze zei: Don’t put such silly questions, stupid!’

We willen het graag hebben over uw vroege leeservaringen. Wat las u?
‘Ik had een verbrokkelde jeugd, na drie klassen lagere school kwamen de Japanners en ben ik het kamp ingegaan. Na de oorlog, toen we in Nederland waren teruggekeerd, ging ik meteen naar het gymnasium. Daar heb ik heel hard gewerkt en dat vond ik leuk. Omdat ik veel jaren helemaal niet had kunnen leren, vond ik het geweldig om op een echte school te zitten. Mijn ouders hebben mij heel vroeg leren lezen, ik was een heel vervelend jongetje. Toen ik nog nauwelijks vijf was kon ik al lezen.
Mijn belangrijkste vroege leeservaring heb ik gehad met Het boek voor de jeugd, een uitgave van de Arbeiderspers uit 1939 waarin Nederlandse schrijvers de hele wereldliteratuur navertellen voor de jeugd. Een gouden boek, waarmee ik echt heb leren lezen. Van de sprookjes van Andersen tot aan Sherlock Holmes, gedichten van Cats en Huygens, Van Lennep, een hele doorsnee van de wereldliteratuur in één uitgave. Dat boek heb ik gekoesterd tot we de kampen ingingen en ik het kwijtraakte. Veel later zag ik het in de etalage liggen bij een Amsterdamse antiquair. Ik was er altijd naar op zoek gebleven en heb er later mijn kinderen ook uit voorgelezen.
Reinold Kuipers, mijn latere uitgever bij Querido, heeft dit boek destijds uitgegeven. Echt een vondst, een geweldige formule. Daarmee is voor mij de wereld van het lezen geopend. Saidja en Adinda heb ik via dit boek leren kennen, waarna ik fan werd van Multatuli. Op een dag was mijn vader, die leraar Duits was, een schifting aan het maken in zijn bibliotheek. Dat deed hij wel vaker, omdat we in Indië veel verhuisden. Er kwam een antiquair langs om naar de boeken te kijken; ik kwam net binnen en zag Multatuli bij de stapels liggen. Toen zei ik: Dat mag je niet verkopen! Ik moet een jaar of tien zijn geweest.’

Was Multatuli de schrijver uit dat boek die u het meeste trof?
‘De kennismaking met Conan Doyle was ook heel belangrijk, die heb ik later verzameld. En de verhalen van Karl May. In 1942 gingen we het kamp in, en Het boek voor de jeugd raakte kwijt, alles verdween. Wij moesten de huizen waar we woonden verlaten en achterlaten zoals ze waren. Mijn vader was allang geïnterneerd en toen had ik, voor de grap of uit verveling, mijn handtekening in een aantal boeken gezet. En in 1948 kwam er in Den Haag een kist aan met boeken waarin mijn hanenpoten stonden. De inboedel was in depot bij de Universiteit van Bandoeng en daar heeft het alles overleefd. Iemand daar moet alles hebben uitgezocht en opgestuurd. Carel Jan Schneider, het adres in het kamp, en dat kwam opeens aan in Nederland.’
lees verder ›

Interview: F. Starik over zijn nieuwe boek Een steek diep

donderdag 3 november 2011 | Jurre van den Berg | 0 reacties
Interview: F. Starik over zijn nieuwe boek <em>Een steek diep</em>

‘Straks beginnen die dichters nog te huilen’

De Amsterdamse stadsdichter F. Starik bundelde verslagleggingen van Eenzame uitvaarten en bijhorende gedichten in zijn nieuwe boek Een steek diep. De bundel vertelt 37 keer hetzelfde relaas van de zelfkant van de samenleving. ‘Het gedicht maak ons allemaal medeplichtig.’

In Amsterdam zijn uitvaarten zo’n vijftien keer per jaar ‘eenzaam’: er kunnen geen nabestaanden worden achterhaald, of deze zijn niet in staat of voornemens bij de uitvaart aanwezig te zijn. Het Bureau Uitvaarten van Gemeentewegen doet wat in haar macht ligt om de eenzame uitvaarten ‘gewone’ uitvaarten te laten zijn, al staat er niets over in de gemeentewet: een gemeentekist, drie muziekstukken (‘drie keer licht klassiek’) en een bloemstuk. Alleen een grafsteen ontbreekt. Daar voorziet het budget niet in.
lees verder ›

Interview: Lisette van de Heg over de vliegende start van haar schrijverschap

woensdag 2 november 2011 | Lucas Zandberg | 0 reacties
Interview: Lisette van de Heg over de vliegende start van haar schrijverschap

‘Er is de laatste jaren een verschuiving gaande in christelijke hoek’

Onlangs verscheen de roman Noor van schrijfster Lisette van de Heg. Sinds het verschijnen van Mara, haar debuutroman over de door misbruik zwanger geraakte Maria, wist Lisette van de Heg (1983) stilletjes meerdere vertalingen, een verfilming en vier herdrukken te scoren. Een gesprek over een succesverhaal uit onverwachte hoek.

Qua ontvangst zou je Mara een droomdebuut kunnen noemen. Toch ben je vrij onbekend bij het grote publiek. Hoe kan dat?
Een eenduidige reden kan ik daarvoor niet geven, omdat succes afhankelijk is van veel verschillende factoren, die je niet allemaal zelf kunt beïnvloeden. Wel is het zo dat mijn naam bij een deel van het ‘grote publiek’ wél bekend is, namelijk in christelijke hoek. Mara is uitgekomen bij een imprint van Vuurbaak, een uitgeverij die christelijke boeken uitgeeft. Gevolg hiervan is dat mijn boeken vooral in christelijke boekhandels te vinden zijn. Het is jammer dat er in de Nederlandse boekenwereld zo’n scheiding is ontstaan tussen christelijke en niet-christelijke boekhandels/ uitgevers/ lezers/ schrijvers. We zouden over en weer veel aan elkaar kunnen hebben in ons toch al kleine taalgebied.

Wat dan?
Er kan uitwisseling zijn, dat is alleen maar verrijkend. Los daarvan de vraag: gaat het om wat ik schrijf, of om wat ik geloof? Als iets een bepaalde kwaliteit heeft, mag je verwachten dat het om die kwaliteit gewaardeerd wordt, niet om wat de maker van datgene wel of niet gelooft. De realiteit is dat het niet zo één op één werkt. Niet elk goed geschreven boek, wordt goed gewaardeerd, en niet iedere bestseller is even goed geschreven. Dat brengt me weer terug bij het begin van mijn antwoord: succes is afhankelijk van veel verschillende factoren. Succes is geen uitgezette route die je kunt bewandelen. Belangrijk is dan de vraag: ga je (alleen) voor succes? Succes is mooi, maar voor mezelf is nog belangrijker dat ik achter mijn eigen werk sta. Schrijven is wat ik graag doe en dat doe ik zo goed mogelijk.

In recensies is Mara beschreven als ‘uitstekend boven het gemiddelde christelijke verhaal’ en wordt vermeld dat ‘de christelijke moraal niet al te nadrukkelijk aanwezig is’. Dit wekt de indruk dat Mara de uitzondering is die de regel bevestigt en dat veel boeken van dit soort uitgeverijen literair gezien van lage kwaliteit zijn. Klopt dat beeld?
Ik weet niet in hoeverre deze citaten uit hun verband getrokken zijn. Het is een wat gechargeerde stelling om te zeggen dat ‘veel boeken van dit soort uitgeverijen’ etc. Ik denk dat deze uitspraken gedeeltelijk overblijfsels zijn uit een periode die we langzamerhand achter ons hebben gelaten. Er is een tijdlang weinig boeiends/ opzienbarends verschenen in christelijke hoek, maar daar is de laatste jaren een verschuiving gaande. Er zijn zeker schrijvers te noemen die kwalitatief goede boeken schrijven. Dus nee, ik denk niet dat het klopt.
lees verder ›

Interview: Margherita Pasquini – ‘Ik heb een zwart hart, daar is niets meer aan te doen’

donderdag 4 augustus 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview: Margherita Pasquini – ‘Ik heb een zwart hart, daar is niets meer aan te doen’

Tijdens de zomervakantie af en toe stukken uit de oude papieren Tzum. In 1999 interviewde redacteur Gideon van Ligten de schrijfster Margherita Pasquini. Ze had net haar debuut Verschroeide ossobuco gepubliceerd.

‘Ik heb een zwart hart, daar is niets meer aan te doen’

Margherita Pasquini over Verschroeide ossobuco en alle ellende

De van een Italiaanse vader en een half-Friese moeder afstammende Margherita Pasquini werd geboren in Rome en kwam op haar vierde naar Nederland. In de jaren ‘97-’98 was ze korte tijd redactrice van het culttijdschrift Mosselvocht. Dit jaar kwam heer eerste boek uit bij Prometheus: Verschroeide ossobuco, een roman in verhalen die de geschiedenis beschrijft van een vrouw die zichzelf overtuigd solipsiste noemt. De vrouw, een slachtoffer, on-der meer van haar vaders driftbuien, komt uit een immigrantengezin en probeert haar trieste jeugd te overschreeuwen door van de ene liefde in de andere te duiken, uitgebreid te citeren en overal om aandacht te vragen. Uiteindelijk eindigt ze als seriemoordenaar.

Verschroeide ossobuco opent met een spervuur van namen, citaten, half-citaten, Engelse en Latijnse termen. Ik had na twintig bladzijden een paar aspirientjes nodig om verder te kunnen lezen. Was je niet bang dat veel lezers al snel zouden afhaken?
Toen ik begon met schrijven, hield ik helemaal geen rekening met lezers. Ik ben gewoon begonnen en ik heb gedaan wat ik wou. Later ben ik dat een beetje gaan aanpassen. Er is ook al heel veel in geschrapt, in de oorspronkelijke versie waren de verhalen nog veel erger. Nu ben ik misschien een beetje gekalmeerd.
Er is natuurlijk ook verschil tussen al die verhalen. Het eerste is geschreven toen ik achtentwintig was en een verhaal als ‘Ossobuco’ zelf op m’n vijfendertigste. Daardoor is er ook verschil in stijl te bemerken. Veel mensen denken dat ik het laatste seriemoordenaarverhaal als laatste geschreven heb, maar dat heb ik alleen maar achteraan gezet omdat het uiteindelijk een fragmentarische verwordingsgeschiedenis is. En door seriemoordenaar te worden heeft de ik-figuur toch een manier gevonden om het systeem te verslaan. lees verder ›

Interview – Jaap Scholten: ‘Schrijven zoals je ‘s nachts moet pissen’

zondag 24 juli 2011 | Coen Peppelenbos | 0 reacties
Interview – Jaap Scholten: ‘Schrijven zoals je ‘s nachts moet pissen’

In deze regenachtige zomer enkele succesnummers uit het rijke papieren archief van Tzum. In 1998 interviewde Derwent Christmas Jaap Scholten voor het allereerste nummer van Tzum. Scholten had toen alleen nog maar een verhalenbundel en een roman op zijn naam staan.

Schrijven zoals je ’s nachts moet pissen

Vrij onopvallend sloop hij de Nederlandse letteren binnen. In de week dat de Golfoorlog uitbrak en De wetten van Palmen verscheen, kwam zijn verhalenbundel op de markt. De bundel bleef nagenoeg onopgemerkt, maar met de roman Tachtig revancheerde Jaap Scholten zich. Er verschenen positieve recensies in de ‘belangrijke’ media, de bundel verscheen in de Rainbowpocket-serie en de verkoop van de roman verloopt al drie jaar zeer gestaag. Inmiddels werkt hij aan zijn tweede roman, die in het najaar van 1998 zal verschijnen bij uitgeverij Thomas Rap. Jaap Scholten over Nix, verbeelding en brieven.

Je debuteerde in een periode waarin in de media veel aandacht werd geschonken aan de generatie Nix. Jouw naam is nooit in verband gebracht met die generatie, hoewel je er qua tijd en leeftijd wel bij zou passen. Hoe verklaar je dat?
‘De generatie Nix was al een hype voordat Tachtig verscheen en pas nadat ik debuteerde. Ik val er eigenlijk een beetje tussenin. De schrijvers die debuteerden in de periode tussen mijn boeken, hebben ze generatie Nix genoemd. Aan de ene kant, qua thematiek, pas ik bij die groep, alhoewel Nix niet echt een noemer heeft natuurlijk. Aan de andere kant hoor ik er niet bij omdat de Nix-boeken heel erg vanuit de ik zijn geschreven. Bij mij is het allemaal veel breder. Als ik in die tijd was verschenen was ik waarschijnlijk ook als Nix-schrijver aangeduid. Maar ik ben er helemaal niet treurig om dat ik niet in dat hokje ben gestopt, want ik vind het veel prettiger om gewoon alleen te staan. Dat lijkt me bij uitstek de plek voor een schrijver, buiten de groep. Die generatie Nix was op een gegeven moment alleen nog maar een manier om in het spotlight te staan en is daarmee volkomen uitgebuit.’
lees verder ›

Interview: Wolfram Swets over bibliofiel uitgeven

woensdag 1 juni 2011 | Nick ter Wal | 0 reacties
Interview: Wolfram Swets over bibliofiel uitgeven

‘De grootste kunst is volhouden’

Sinds de herfst van 2004 is Nederland een bibliofiele uitgeverij rijker. De directie van Uitgeverij 69 bestaat uit één man: Wolfram Swets. Je komt hem tegen op boekenmarkten en beurzen voor margedrukkers. Dan zit hij steevast een dikke Privé Domein te lezen, als hij niet nét het laatste exemplaar van een uitgave afrekent. In zijn fonds zitten grote namen als Eva Gerlach, K. Schippers en L.H. Wiener, maar Swets werkt net zo lief samen met een jonge debutant als Ester Naomi Perquin. De oplage is doorgaans gelijk aan het geboortejaar van de oprichter: 69. Vijf vragen voor Wolfram Swets.

In 2004 richtte je Uitgeverij 69 op. Waarom?

Het uitgeven was mij niet nieuw: toen ik halverwege de jaren ’90 als secretaris voor de librettist Kenward Elmslie werkte, maakte ik ook kennis met zijn uitgeverijtje, Z Press. Dat had sinds 1974 een aardig, met name New York School-georiënteerd portfolio opgebouwd, maar de laatste negen jaar was er niets mee gedaan, en dat vond ik best zonde. Mijn suggestie van een revival wees Elmslie eigenlijk gelijk van de hand: too much work for the old man. Toen stelde ik hem voor om het iets kleinschaliger aan te pakken. Eenvoudige chapbooks in een beperkte oplage, slechts een enkel gedicht, geflankeerd door een illustratie. Dat leek mij overzichtelijk genoeg. En daarmee kreeg ik hem over de streep. Ik was een bibliofiel die bibliofiele boekjes mocht gaan maken. Onder zijn waakzaam oog en wenken ben ik toen begonnen met wat uiteindelijk zes boekjes zouden gaan worden.

Toen ik in 2000 naar Nederland terugkeerde, dacht ik helemaal niet aan een voortzetting. Mijn Z Press-avontuur zag ik eerder als een incident, een avontuur. Ik had eerst wat tijd nodig om te re-integreren. Mensen bleven echter wel vragen waarom ik er niet mee doorging. En toen ik Erwin Olaf leerde kennen en het met hem ook ter sprake kwam en hij zoiets had van you go get them boy, zag ik dat ik het echt onder de leden had. Ik was ook gelijk om. Het bleef een hartszaak, een halszaak. lees verder ›

Volgende pagina »« Vorige pagina