Filmpje: Ronald Giphart over humor
Column: Karel ten Haaf – Spookboeken
In Herinneringen aan mijn uitgevers (Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen 2008) schrijft L.H. Wiener over een
dummy die ik hier thuis heb staan, met een afgrijselijk smakeloos omslag overigens, maar met duidelijk leesbare titel en auteursnaam: Koningswater, L.H. Wiener, uitgeverij Bert Bakker. Het is een paars omslag met okergele belettering en in een gifgroen kader een geknakte geneverfles met een gouden kroontje op de hals en een hartvormig etiket waarin de vervlochten initialen L.H.W. te ontwaren zijn. Ongetwijfeld goed bedoeld, maar precies verkeerd. Loodzware ‘losers-symboliek’ en geen spoortje afstand of ironie. Die fles lijkt zelfs nog in de as te staan ook, maar echt goed heb ik daar nooit naar gekeken. In hoeverre de aanblik van die dummy zelf mijn plannen heeft doorkruist, kan ik niet beoordelen, maar hoe dan ook, ik heb dat boek niet afgemaakt en het is dus ook nooit verschenen. Het had een roman moeten worden, maar ik ben geen romanschrijver, daarvoor werk ik te strak en te sober, te compact en te kaal. Ik voelde me gegeneerd dat ik aan iets begonnen was dat ik niet kon waarmaken, temeer omdat de roman Koningswater in de reeds verzonden herfstaanbieding van 1986 wel stond aangekondigd. Bert vatte het echter allemaal nogal laconiek op en verzekerde me dat dergelijke gevallen zich vaker voordeden. Zoiets heette een spookboek in het uitgeversjargon, zei hij. Niets om je druk over te maken.
[pp. 118-119]
Filmpje: Remco Campert en Ronald Giphart en de leerlingen
In een live-uitzending met Khalid Boudou als presentator heeft Remco Campert gisteren gereageerd op vragen van leerlingen over zijn boek Het leven is vurrukkulluk. Het boek stond centraal in de campagne Nederland leest. Ronald Giphart, die de lofrede op het boek schreef, begeleidde de schrijver. Het programma is hier na te zien.

Gisteren werd ook bekend gemaakt dat Het leven is vurrukkulluk verfilmd wordt door Matthijs van Heijningen en Frans Weisz.
Nieuws: Nederland leest Remco Campert – de foto’s van Chris van Houts
Reportage: Literatuur op Lowlands 2011
‘Ik kom hier om het niveau wat op te krikken’
Ik kwam naar Lowlands om muziek te horen. En ik hoorde muziek. De prachtige samenzang van de mannen van Fleet Foxes, terwijl langzaam de avond inviel. U kent het wel: een zacht briesje na een warme dag, een oranje-achtige lucht, wolkeloos. Ik heb bij dat optreden even gehuild, geloof ik. De grappige hup van de bassist van The Horrors. De fantastische drumster van Warpaint en de vervreemdende theatrale indierock van Wild Beasts met de typische falset van Hayden Thorpe. Een stem waar ik al tijden verliefd op ben. lees verder ›
Column: Karel ten Haaf – Prozangen
Er zijn nogal wat prozaschrijvers die ook een enkel gedicht publiceerden. Ik heb het hier natuurlijk niet over auteurs die naast romans en/of verhalenbundels ook een of meer dichtbundels het licht lieten zien, het gaat om schrijvers die zichzelf afficheren als prozaschrijver en uitsluitend als zodanig bekendstaan; om schrijvers dus van wie nooit een zelfstandige poëziebundel verscheen.
Jeroen Brouwers gebruikte een zelfgeschreven gedichtje als motto bij het titelverhaal in de bundel De toteltuin (1968) – ‘Schrijven is als het laten van een wind: / in de meeste gevallen hoeft het niet, / maar het schenkt wat opluchting.’ – en incorporeerde drie haiku’s in de roman Bezonken rood (1981). Bob den Uyl nam zes gedichten op in de verhalenbundel Met een voet in het graf (1971) en L.H. Wiener publiceerde maar liefst tien gedichten in de verhalenbundel Bomen die te mooi zijn moeten worden omgezaagd (1980).
Cipier van Sal Santen verscheen in Literama (1984) en later als bibliofiele uitgave: het gedicht werd ‘in april 1986 door de “jongens met de Rot(h)naam” te Amsterdam gedrukt ter gelegenheid van Sal’s verjaardagen op 3 augustus 1985 en 1986, in een oplage van 10 exemplaren’. Het laatste hoofdstuk van Santens roman De B van Bemazzel (1989) is een gedicht: Kaddisj van een ongelovige; de eerste strofen van deze aangrijpende finale: ‘Je loopt en je hoopt en je staat in de rij, / Vertwijfelde zoeker naar naasten en vrinden, / Er hangt weer een lijst waar je namen kan vinden, / Is vader, is moeder, staat Maurits erbij? // Je loopt en je hoopt en mijdt schichtig de krant / Die verhaalt van het lot, dat de joden moest treffen, / Je vlucht voor wie meeleeft, kan iemand beseffen / Hoe ’t simpelste woord een illusie verbant?’
(In 1995 verscheen de bundel Een veertje in de wind – ‘Voor Sal, ter gelegenheid van je tachtigste verjaardag, van je kinderen en kleinkinderen’ – in een oplage van 80 exemplaren; omdat deze eigenbeheer uitgave hors commerce bleef, reken ik Santen toch tot de schrijvers van wie geen zelfstandige dichtbundel verscheen.)
lees verder ›
Reportage: Wie wordt de nieuwe Mulisch?
Wie wordt de nieuwe Mulisch?
In de vakantietijd enkele succesnummers uit het rijke papieren archief van Tzum. In 1998 ging Derwent Christmas op pad om uit te zoeken wie de opvolger zou worden van Harry Mulisch. Niet door inhoudelijke analyse, maar door een paragnost te vragen om een voorspelling te doen aan de hand van foto’s. Ondergetekende had het idee bedacht, maar ik was te schijterig om het uit te voeren. Derwent niet. Het resultaat was een opmerkelijke reportage met even opmerkelijke voorspellingen. Niet iedere recensent was lovend over deze reportage. Peter Swanborn in de Volkskrant had het over een ‘lasterpaktijk van een paragnost’.
De weg naar Irnsum is donker. Terwijl ik de auto over de kronkelige weg tussen de duistere weilanden door laveer, kijk ik vluchtig op het dashboardklokje. Ik ben al een keer verkeerd gereden en heel stiekem vraag ik me af of hij dat nu weet. Ik ga op bezoek bij Antoon Wester, paragnost van Irnsum.
‘Twee trappen op,’ zegt de vrouw die me binnen laat en ze gaat me voor naar een vertimmerde zoldering, waar het naar wierook ruikt en waar rustgevende muziek klinkt. In een wit beklede stoel zit Wester op me te wachten. Hij staat niet onmiddellijk op als de vrouw me aan hem presenteert, maar neemt me even heel kort op met een strakke blik. Als we elkaar de hand schudden denk ik: dus jij gaat de toekomst van jonge schrijvers voorspellen.
‘Misschien moet ik eerst even vertellen wat ik precies doe,’ zegt Wester en gaat ontspannen achterover zitten en legt z’n vingertop-pen tegen elkaar aan: ‘Het is namelijk niet eenvoudig om vanaf een foto iets waar te nemen. Daarom werk ik heel gericht op de persoon, dat wil zeggen dat ik me niet zozeer bezig houd met aura’s en dergelijke. Ik richt me op de persoon en krijg zaken door uit diens verleden, heden en toekomst. Vraag me niet hoe dat komt, dat weet ik zelf niet en dat interesseert me ook maar bar weinig. Wat ik probeer, is de lijnen te vinden naar die persoon. Ik probeer de persoon terug te vinden, te kijken waar hij zich op het moment bevind en dan heb ik het niet over een plaats, maar over zijn hele wezen. Hoe voelde hij zich op het moment dat de foto is gemaakt. Als paragnost ben je in staat zaken te zien, horen en voelen die van veel grotere invloed en kracht kunnen spreken dan de normale kracht die we ervaren in de wereld.
Aan gedragingen heb ik niets. Ik moet achterhalen wie de persoon is achter de persoon die ik tegenover me heb zitten. Neem bijvoor-beeld gedrevenheid, ambitie. Aan de houding en het gedrag van iemand lees je vrij gemakkelijk een bepaalde gedrevenheid af. Waar ik me op richt is de herkomst en de werking van de prestatiedrang. Ik kruip daarvoor in de huid van de ander en probeer te ontdekken hoe de persoon in elkaar zit, want ambitie is vaak gerelateerd aan de opvoeding en het opgroeien.’
lees verder ›





