Willem Frederik Hermans en Groningen: een combinatie die in het verleden niet werkte en in het heden evenmin. Het valt zeer toe te juichen dat er overal in het land bordjes op huizen van beroemde schrijvers komen te hangen. In tegenstelling tot het buitenland eren wij onze schrijvers nauwelijks. Het valt ook zeer toe te juichen dat Groningen dat soort bordjes nu in de stad ophangt. Over de lelijke vormgeving en het lelijke plastic email zullen we het maar niet hebben. Voor de afbeelding van Hermans is een foto van Klaas Koppe gebruikt. Laten we de tekst nader beschouwen:

‘Spilsluizenstraat 17a‘ – Nooit geweten dat de Spilsluizen nog een straat erbij kregen. In Groningen spreekt men van Spilsluizen. Ook in de tijd dat Hermans er woonde stond er gewoon Spilsluizen in het telefoonboek (zie Het Grote Willem Frederik Hermans Boek).
‘Voormalig woonhuis van schrijver W.F. Hermans.’ – Dat is goed. Over een paar jaar weet niemand meer dat Hermans een schrijver was.
‘Hier schreef hij zijn meesterwerken: ‘De donkere kamer van Damocles’ en ‘Nooit meer slapen’.’ – Fijn dat dit een schrijver was die meesterwerken schreef. Jammer dat de titels niet cursief staan, zoals hoort. Erger is dat men blijkbaar het meesterwerk niet in handen heeft gehad, want Hermans spelt ‘Damokles’.

‘W.F. Hermans (1921-1995). Groot schrijver en lector aan de RUG (1952-1973).’ – Niet alleen een schrijver dus die meesterwerken schreef, maar een groot schrijver. Beetje een ambigue zin want je kunt lezen: Groot schrijver en (groot) lector aan de RUG. Of: Groot schrijver (aan de RUG) en lector aan de RUG. Waarom staan de eerste jaartallen trouwens cursief en het tweede paar niet?
‘Hij vertrok na een dispuut met de universiteit.’ – Dat is wel heel kort door de bocht. Vast geschreven door een pr-medewerker die na een treinramp schrijft dat er sprake is van enige blikschade. Dit ‘dispuut’ leidde tot kamervragen, polemieken en drie sleutelromans over Groningen waarin de stad en de universiteit werden geridiculiseerd.
‘Hij heeft nog altijd een markante betekenis voor de stad Groningen.’ – Los van de formulering (hij heeft een betekenis?) vraag je je af wat de makers van het bordje hier bedoeld hebben.
Gelukkig kunnen we verder surfen naar de site. lees verder ›
Wie denkt dat alleen in de beeldende kunst sprake is van verwarring over wie welk werk maakte, dat ‘vervalsen’ in ieder geval in de letteren niet voorkomt (en waarom zou men ook: er valt geen groot geld mee te verdienen), wie dat denkt vergist zich deerlijk.
Over eerlijke vergissingen gaat het natuurlijk niet: dat in de bundel nagelaten verhalen van Jan Arends, Ik had een strohoed en een wandelstok (De Bezige Bij, Amsterdam 1974), een verhaal van Eelke de Jong werd opgenomen (‘Jan Arends I presume’) is zo’n eerlijke vergissing. Het verhaal werd – met toestemming van De Jong en onder vermelding van zijn naam – desalniettemin ook opgenomen in de tweede druk (idem 1976).
Ook pastiches kunnen niet gerekend worden tot de vervalsingen, al kunnen ze soms voor veel verwarring zorgen. In 1985 schreef Theodor Holman voor De Groene Amsterdammer een reeks waarover de Volkskrant op 29 juni 1985 berichtte:
De Groene Amsterdammer […] kreeg begin 1985 een nieuwe hoofdredacteur, Martin van Amerongen, die binnen een half jaar alle bekende en in kleinere kring bekende columnisten van Nederland wist over te halen een enkele bijdrage te leveren aan het blad.
[…]
Allemaal nep. De stukjes waren een parodie. Het waren “pastiches” van de columns die her en der in de gedrukte media verschijnen.
Knappe staaltjes. Sommige stukjes waren zo “echt” dat het maar langzaam tot het wereldje doordrong dat er weer eens een (bekende) grap werd uitgehaald.
lees verder ›
Hermansbiograaf Willem Otterspeer geeft vandaag in de Volkskrant een primeur weg uit zijn volgend jaar te verschijnen boek: Willem Frederik Hermans meldde zich als jonge schrijver, hij had nog maar één verhaal gepubliceerd, aan bij de Kultuurkamer. Van de Kultuurkamer moest je lid zijn, wilde je als kunstenaar of schrijver je vak kunnen uitoefenen. Otterspeer vond de aanmeldingskaart van Hermans niet op de plek waar het alfabetisch had moeten staan bij het NIOD.
Overigens stelt Otterspeer dat niet na te gaan is of Hermans daadwerkelijk lid is geworden van de Kultuurkamer, alleen zijn aanmeldingskaart is teruggevonden. Waarschijnlijk heeft hij alleen een ‘voorlopige legitimatie’ gekregen.
De onthulling van Otterspeer zet bepaalde passages in de boeken van Hermans in een ander daglicht. In Onder professoren komen we de omgekeerde wereld tegen bij de joodse dokter Barend tegen die, in tegenstelling tot zijn ouders, geen J in zijn identiteitskaart heeft staan.
Later, toen zij al waren weggevoerd, ben ik Roef Dingelam nog eens tegengekomen.
‘Als ze het controleren,’ zei ik, ‘wat dan?’ Het was de vraag die ik me dag in dag uit stelde.
‘Controleren,’ zei hij, ‘er zijn honderdduizend joden in Nederland. Wie zal die papieren gaan controleren?’
‘Dat is toch niet onmogelijk,’ zei ik.
‘Nou goed, dan kun je altijd nog zien. Je weet mijn adres.’
Een bladzijde verder staat een zin die met de onthulling in de Volkskrant van vanochtend een andere klank meekrijgt.
Ik ben geen voorstander van de zelfanalyse, maar ook niet vrij van het gevoelen dat het uitspreken van feiten die met jezelf te maken hebben, iets verandert, al zou ik niet precies weten wat.
Iedere wat bekendere schrijver heeft epigonen. Wat drijft mensen om in de stijl van een andere auteur te willen gaan schrijven? Meestal bewondering in combinatie met gering talent.
Soms zijn de motieven van de epigoon minder nobel, en is het te doen om roem en rijkdom. Wie het in dit opzicht het bontst maakte was Gérard Kreuger. Vanuit de gevangenis in Scheveningen, waar hij een straf van dertien maanden uitzat wegens wanbetaling (Het Parool: ‘enige onregelmatige handelingen ter voldoening van schulden’), beschuldigde hij Jan Cremer van diefstal: Cremer zou het manuscript van zijn onverbiddelijke bestseller hebben gejat – Kreuger had het in bewaring gegeven bij een wederzijdse vriendin, en Cremer zou het hebben gestolen om het vervolgens onder zijn eigen naam te laten uitgeven.
Jan Cremer over deze kwestie, in een brief d.d. 24 januari 1966 aan zijn uitgever Geert Lubberhuizen: ‘Deze hele zaak komt me tot hier (en ik wijs nu m’n strot aan) en ik vind dat je er toch maar wat aan moet gaan doen!’ En: ‘Ik ken die hele figuur niet, heb nooit wat dan ook van die figuur gelezen, laat staan gestolen, bovendien ben ik als schrijver en beeldend kunstenaar zeer serieus, hoe gek dat ook klinkt bij de mensen.’ lees verder ›
Brieven van zeer geachte heren
Het is nooit goed om je ergens op te verheugen, omdat de kans dat je dan teleurgesteld wordt te groot is. Ik had me dit literaire seizoen erg verheugd op de literaire briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans en F. Bordewijk. Twee generaties in de literatuur die elkaar ontmoeten: Hermans de jonge, opstandige man van na de oorlog en Bordewijk die zijn reputatie al gevestigd had voor de oorlog. Het boekje is echter niet meer dan een voetnoot bij het oeuvre van Hermans; boeiend, maar niet indrukwekkend.
lees verder ›
Amsterdam 25 Nov. ‘47
Zeer geachte Heer Bordewijk,
Uw prozastukjes die ik voortreffelijk vond, zullen in het Januari-nummer worden geplaatst. Ik hoop van harte dat U nog in de gelegenheid zult komen de andere stukjes ook te schrijven. Ook voor verdere inzendingen houd ik mij natuurlijk zeer aanbevolen.
Ik dank U zeer voor Uw vriendelijke woorden naar aanleiding van “Conserve”. Mocht U er toe komen er in het Utrechts Nieuwsblad een kritiek over te schrijven, zoudt U dan de administratie willen verzoeken mij er een exemplaar van toe te zenden? Het Utrechts Nieuwsblad is hier namelijk in geen enkele kiosk verkrijgbaar en ook op de leestafel van De Koepel is het niet aanwezig.
Met vriendelijke groeten,
Uw
W.F. Hermans
Aanstaande vrijdag zal op het Huygens Instituut niet alleen het 14e deel van het Verzameld Werk van Willem Frederik Hermans gepresenteerd worden, maar ook een klein boekje met de correspondentie tussen de jonge hermans en de reeds gearriveerde auteur F. Bordewijk: Een onmiskenbare verwantschap – Brieven 1944-1965. Het 144 bladzijden tellende boek wordt ingeleid door Christiaan Weijts. De eerste exemplaren worden uitgereikt aan de Erven Hermans en Bordewijk: respectievelijk Ruprecht Hermans en Gunilla Bordewijk-Ingelsson. Aanmelden moest voor 10 juni, maar misschien lukt het nog na enig soebatten.
Overdosis Hermans
Willem Frederik Hermans is al 15 jaar dood, maar zijn volgelingen zijn nog springlevend. Dirk Baartse en Bob Polak zijn twee van die volgelingen. De twee mannen die ook de drijvende krachten zijn achter het Hermans-magazine stelden een boek samen met voornamelijk stukken uit dat tijdschrift en noemden het Het Grote Willem Frederik Hermans Boek. Het is een boek voor en door fanatici, waarbij Rob Delvigne die tekende voor vele artikelen niet onvermeld mag blijven.
Wie wil weten waar de afgesloten boekenkast van de ouders van Hermans in de Eerste Helmerstraat 208 driehoog stond, dat de naam Osewoudt afkomstig is van een firma in centrale verwarmingsapparaten, waar de slaapkamer van Wim en Emmy aan de Ossenmarkt in Groningen zich bevond, wie wie is in Onder professoren, hoe de deurknop eruit ziet van het pand 86, avenue Niel, en hoe de handgreep van het pand 18, rue Théodule Ribot, die kan alles van zijn gading vinden in dit boek. lees verder ›
Dikke briefwisselingen zijn mooi, maar een paar kattebelletjes van W.F. Hermans zijn leuker. Marc van Zoggel, onderzoeksassistent bij het Huygens Instituut, ontdekte in Brussel vier onbekende documenten van de schrijver. Van Zoggel stond het laatste woonhuis van Hermans te fotograferen toen hij werd aangeklampt door een vrouw. ‘Ze bleek in het huis ernaast te wonen en ook de buurvrouw van Willem Frederik en Emmy Hermans te zijn geweest in de vroege jaren negentig. Hermans was niet alleen een groot schrijver, hij was ook ‘très sympa’. Ze had zelfs nog aardige brieven van hem bewaard. Of ik die wilde zien.’
lees verder ›