Nominaties Tzum-prijs 2017

Hieronder staan de nominaties voor de Tzum-prijs 2017 (voor de mooiste zin uit een boek van 2016!). U kunt zelf ook nog tot eind augustus een zin nomineren, zie het formulier onderaan de bladzijde. De voorwaarden zijn:

– De zin moest staan in een oorspronkelijk Nederlandstalig prozawerk dat in boekvorm voor het eerst is gepubliceerd in 2016 (geen eigen beheer-uitgaven).
– Iedereen mag inzenden, iedereen mag meer dan één zin inzenden.
– Inzendingen vermelden met het citaat en bladzijdenummer.
– De deskundige jury (redactie Tzum) voegt zelf ook zinnen toe. Bij meer dan drie genomineerde zinnen uit één boek kan de jury een voorselectie maken.
– Vermeld uw eigen naam en adres. Alleen uw naam wordt genoemd als inzender bij de nominatie.

Onder de inzenders worden drie exemplaren verloot van De valkunstenaar van Coen Peppelenbos.

(Zinnen van redactieleden en/of medewerkers aan Tzum mogen wel worden ingezonden, maar worden uitgesloten voor de eindstrijd.)

Voor de duidelijkheid: nomineren betekent dat u zelf zinnen kunt toevoegen aan de nominaties, niet dat u kunt stemmen op één van de onderstaande nominaties.

De nominaties van de vorige jaren staan in het archief.
Alle winnende zinnen vanaf 2002 zijn hier te lezen.

De nominaties tot nu toe:

Rodaan Al GalidiHoe ik talent voor het leven kreeg (blz. 10)
– Ik keek door het vliegtuigraam en dacht dat ik voor het eerst in mijn leven een mens zou kunnen zijn.

Rodaan Al GalidiHoe ik talent voor het leven kreeg (blz. 361)
– Het maakte mij altijd angstig om aardige en rustige asielzoekers te zien, die ineens iemand anders waren geworden.

Guus BauerVogeljongen (blz. 23)
– Wanneer ik vroeger, gezetn voor het raam in mijn kinderstoel, de straatveger zag, dacht ik dat het papa was die mijn uitzicht opruimde.

Gerbrand BakkerJasper en zijn knecht (blz. 165)
– Ik moest in de loop van de dag vaak denken aan vervlogen verjaardagen, waarbij ik al vroeg op de dag (als ik tenminste niet op school zat) voor het zijraam van de boerderij zat om uit te kijken naar mijn opa en oma en tante Guus, die alle drie vanaf dezelfde kant kwamen aanfietsen.

Griet op de BeeckGij nu (blz. 197, genomineerd door Sophie Beerman)
– Ik wou dat iets dat voorbij is ook voorbijgaat.

Walter van den BergSchuld (blz. 5, genomineerd door Jos Noorman)
– Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodsloeg.

Paulien CornelisseDe verwarde cavia (blz. 44, genomineerd door Joke van Overbruggen)
– Nadat Cavia zichzelf bij Ruud in de kijker had gespeeld door over sociale media te beginnen, was ze bang dat zij uit naam van de afdeling Communicatie moest gaan twitteren.

Paulien CornelisseDe verwarde cavia (blz. 71, genomineerd door Joke van Overbruggen)
– Ze overwoog om naar de biologische markt te gaan, maar ze herinnerde zich op tijd dat het daar vergeven was van de vrouwen van eind dertig die een kaasverkopende natuurman aan de haak probeerden te slaan.

Renate DorresteinZeven soorten honger (blz. 97)
– Geef haar een pompoen en ze weet er niets anders mee te doen dan hem decoratief in de vensterbank te leggen.

Martin Michael DriessenRivieren (blz. 94)
– Op een plek in de wereld waar anders alleen valken of kraaien vlogen, tekende zich een door mensenhand gemaakt ding af, dat de azuren hemel van Bretagne doorkliefde alsof die nu pas werkelijk ontdekt werd.

Rob van EssenKind van de verzorgingsstaat (blz. 34)
– Wanneer ik nu als leesclublid de Bijbel lees, blijft het me verbijsteren dat zo’n lokale godheid kon uitgroeien tot een God die een groot deel van de wereld zou beheersen en eind jaren zestig begin jaren zeventig hevig gevreesd werd in het Overijsselse stadje Rijssen.

Rob van EssenKind van de verzorgingsstaat (blz. 65)
– Het gierende gehuil van de meisjes steeg tot grote hoogte, om na een abrupte daling weer op te klimmen, als een wilde zee van overspannen water waarvan de golven steeds weer stuksloegen op de gevel van het hotel.

Rob van EssenKind van de verzorgingsstaat (blz. 70)
Ze is het sombere, humorloze broertje van ironie, ze is de jongen die in zijn lange zwarte jas langs een mistige gracht loopt en denkt dat er iets mis is met zijn hart; maar zijn hart werkt prima, hij is alleen maar moe omdat hij geen conditie heeft.

Rob van EssenKind van de verzorgingsstaat (blz. 71)
– Ik was een van die pubers die op dertienjarige leeftijd aan jeugdsentiment begon te lijden – een vreemd verlangen naar een kindertijd waarin alles eenvoudiger en gereguleerder was; het leven, het lichaam, de school.

Rob van EssenKind van de verzorgingsstaat (blz. 178)
– Een stille, sombere buurt aan de rand van het centrum, aan de rand van álles, eigenlijk – geen slechte plek om je leven uit te stellen.

Tim FonckeGod is klein geschapen (blz. 20 genomineerd door Ann Strickx)
– De tijdbom onder de keukentafel begint te tikken zodra de tafel gedekt wordt voor twee.

Tim FonckeGod is klein geschapen (blz. 52 genomineerd door Ann Strickx)
– Fons hield van vol-au-vent, maar het smaakte hem beter als er geen schrijfster bij geserveerd werd.

Tim FonckeGod is klein geschapen (blz. 70 genomineerd door Ann Strickx)
– Wanneer zijn vrouw over gevoelens praat, antwoordt de doorsneeman op zijn empathisch hoogtepunt: ‘Hm-m.’

Tim FonckeGod is klein geschapen (blz. 85 genomineerd door Ann Strickx)
– Trouwen voor de kerk is zoals neuken voor de hormonenmaffia.

Tim FonckeGod is klein geschapen (blz. 85 genomineerd door Ann Strickx)
– De meest ingenieuze radicaal die ik ooit ben tegengekomen was een pipo die sleutelhangers met Eiffeltorentjes verkocht bij de ingang van de toren van Pisa.

Tim FonckeGod is klein geschapen (blz. 98 genomineerd door Ann Strickx)
– Jij bent met mijn moeder getrouwd omdat je bij je ouders weg wilde en je wilde bij je ouders weg omdat je met je maten op café wilde zitten.

Tim FonckeGod is klein geschapen (blz. 131 genomineerd door Ann Strickx)
– Aan het eind van de dag kruipen we hoe dan ook in ons bed in de hoop dat de zandman een assistente met dikke tieten stuurt.

Tim FonckeGod is klein geschapen (blz. 170 genomineerd door Ann Strickx)
– Al die actrices en andere creatieve geesten die hun ei kwijt willen zouden zich nuttiger maken door samen de grootste omelet ter wereld te bakken.

Ronald GiphartLieve (blz. 155)
– Ze stond op dat moment vier, misschien vijf maanden droog, dus het kon niet anders dan dat haar onenightstand verantwoordelijk was voor het streepje op de predictor.

Koenraad GoudeseuneDe dood van Prince (blz. 35, genomineerd door Koenraad Goudeseune)
– Het levendige gezicht dat ik met kussen had willen overladen werd, vooraleer helemaal te verdampen, in de ovalen uitsnijding van een oud fotoalbum gevangen, en aldus niemand nog van sentimentele waarde en horend bij een tijd zo definitief voorbij als het interbellum waarin ze als een puntgave en ongestempelde postzegel met daarop de statige afbeelding van Leopold II een moment lang in het bezit had geleken van onaangeroerde mogelijkheden, keerde ze, niet zonder afscheid te nemen met de sluier van rijstpapier die ritselend over haar gelaat viel en haar onherkenbaar maakte, genadeloos terug tot het imaginaire bestaan van waaruit zij me was verschenen.

Arnon GrunbergMoedervlekken (blz. 114)
– Hij had gewed op het verlangen, want iets anders zit er niet op voor de mens die de hogere machten heeft afgezworen, en hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat zijn eigen verlangen hem heeft verraden.

Richard HemkerHoogmoed (blz. 255, genomineerd door Leon van Wissen)
– Het opstellen van schema’s voorziet in een behoefte aan structuur en staat garant voor teleurstelling wanneer ik om een onzalig voorbeeld te noemen om 16:30 uur in de namiddag overmand door een raadselachtige vermoeidheid het katholieke bed opzoek en mij voor de lichamelijke ontspanning concentreer op een slechts in zijden topje mij bedienende Beate om dan weg te zakken in een ongemakkelijke pied-de-poulesluimering.

A.F.Th. van der HeijdenKwaadschiks (blz. 103, genomineerd door Gijs van der Kroef)
– Toch, voordat Dorlas senior zich als vertegenwoordiger in stofzuigers op eindeloze Zijderoutes van herrijzend Nederland begaf, liet hij zijn sperma bij zijn wettige echtgenote achter – en dat had tot Dorlas junior geleid.

A.F.Th. van der HeijdenKwaadschiks (blz. 160, genomineerd door Gijs van der Kroef)
– Er was nooit meer iets in de huiskamer verdampt, behalve ongemerkt de liefde zelf.

Auke HulstEn ik herinner me Titus Broederland (blz. 89)
– De waardin zit vol in haar vlees en krap in haar kleur.

Auke HulstEn ik herinner me Titus Broederland (blz. 125)
– Het paard lekte grasgroene diarree in het grasgroene gras.

Auke HulstEn ik herinner me Titus Broederland (blz. 213)
– Nergens zagen we nog mannen met zaaiviolen of hoorden we de kleedbazen ‘hallo, hallo’ roepen boven de koolzaadvelden; tractoren, greppelsnijders en bollenbrekers stonden er verlaten bij, een optocht van mythische beesten.

Mensje van KeulenSchoppenvrouw (blz. 29)
– Hij bracht een hartvormige, zilverkleurige ballon voor me mee, die aan een poot van mijn bed werd vastgeknoopt en er een halve winter over deed om leeg te lopen.

Mensje van KeulenSchoppenvrouw (blz. 102)
– Ik kuste haar toen ze stierf en ik tuit mijn lippen in haar richting als ik ’s nachts op mijn rug wakker lig en ze ergens hoog in het duister verschijnt.

Eva MeijerHet vogelhuis (blz.270)
– De dood op een kruk in de hoek van de kamer, op een kruk in de hoek van mijn hoofd.

Erik NieuwenhuisBen (blz. 29)
– Wat de tijd van zijn leven had moeten zijn, ging onder in vruchteloos zoeken naar een warm lichaam om tegenaan te kruipen in de donkere en koude winters in het tochthol waar hij zich vijf jaar lang wijdde aan een studie die twee jaar na zijn afstuderen werd afgeschaft.

Erik NieuwenhuisBen (blz. 222)
– Rouwen is vermoeiend werk dat alleen valt vol te houden in de hoop op verlossing.

Erik NieuwenhuisBen (blz. 222)
– Ik heb er weleens over nagedacht of mijn mystieke ervaringen niet gewoon hetzelfde zijn wat andere mensen ‘geluk’ noemen.

Nelleke NoordervlietAan het einde van de dag (blz. 70, genomineerd door Gijs van der Kroef)
– Het was klandizie die om de vertering werd getolereerd maar behandeld met een norsheid die de studenten versleten voor de onbeschaafdheid van het proletariaat en die als zodanig een vluchtige antropologische studie waard was.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 10)
– Ik bezie de stad zoals ze echt is, als een bloot vrouwmens met om haar schouders wit bont, een van wie de ene dokter na de andere chirurg niet met zijn poten kan afblijven; een nieuwe boezem, dan weer een ander gezicht.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 37)
– Het was in een ijzeren bed, had mijn moeder me gezegd, een bed ooit gesmeed door mijn grootvader, een kinderbed gemaakt om de tijd te trotseren, dat ik ziek werd.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 47)
– Al die andere mensen die mijn wegen hebben gekruist; stuk voor stuk heb ik ze de voorbije jaren op het schaakbord weten te plaatsen als een ooit bezeten speler die de stukken opnieuw zet en zo de wedstrijd herbeleeft die het een en ander voor hem betekend heeft.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 53/54)
– Mijn ouders zijn nooit pilaarbijters geweest, vooral mijn vader had enkel minachting voor al die lijkbidders in een kerk die devoot met hun handen boven de lakens sliepen en die de soutanedrager achter het altaar beschouwden als hun genadeloze gids in de zoölogie van de lusten.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 136)
– Het laatste laken dat men over zich heen gooit is het boetekleed van de eigen kwetsbaarheid, van zelf een slachtoffer te zijn, zonder ster op uw frak uiteraard, maar toch evenzeer bedreigd, en onder dat laken in slaap te vallen, in de hoop dat het bij het ontwaken allemaal voorbij is.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 162)
– De dromen die morfine brengt zijn straffe kost en het hindert nauwelijks dat droom en zogenaamde werkelijkheid zich hierbij onopgemerkt met elkaar mengen als bij een malse regen die de kleuren van een schilderij door elkaar laat lopen, achtergelaten door een amateurschilder die in volle zon en met geen wolkje aan de lucht naar binnen gaat voor een goede lunch met een glas wijn om pas uren daarna te merken dat het buiten niet meer zo’n bijster zomerweer blijkt en zijn landschap een andere gedaante heeft aangenomen.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 219)
– Maak me niet wijs dat ze al die dingen menen over herenvolk en onderkruipers, over bloed en bodem, en al die andere bektrekkerij met hun poot omhoog, waarbij ze hun zogenaamde ridderlijke idealen uitstallen als een foorkramer op een kermis en dat gebrul van die grote bles op de radio aanbidden als dat van een god.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 222)
– Zo spijt dat ik heb van die woorden, alsof ik plots en door eigen schuld mezelf onder een douchekraan van ijswater heb gezet, klappertandend als een koortslijder, mijn eigen onnozelheid vervloekend, het feit verafschuwend dat mijn tong soms geen gehoor geeft aan mijn verstand, mijn groot bakkes, mijn arrogantie, de smeerlapperij die in mij huist, mijn – godmiljaar – nauwelijks overpeinsde goesting om simpelweg mee te doen, mee te zwanzen, me gewaardeerd te weten.

Jeroen OlyslaegersWil (blz. 318)
– Alles ruikt naar fenol, naar het ontsmettingsmiddel dat ze in ziekenhuizen en lijkenhuizen gebruiken, maar evengoed naar pis en kak, wanhoop, en het eeuwige gelijk als een rottend stuk vlees met maden als wemelende misverstanden

Lodewijk van OordAlles van waarde (blz. 20, genomineerd door Nils Goedkoop)
– Hij voelde niet hoe het vocht van de straatstenen langzaam door zijn versleten zolen zijn sokken in trok, hoorde niet hoe twee in jacquet gestoken studenten met rammelende fietsen over de klinkers in de Kloksteeg trapten, rook niet de verse verf op de leuningen van de Nonnenbrug, aangelengd met een lichte geur van bloesem uit de Hortus Botanicus, of anders wel uit het kruidentuintje aan de Vijfde Binnenvestgracht; dit alles was Wijnand niet gegeven, zelfs het zweet in zijn oksels, die eeuwige geur der mensheid, ontging hem.

Lodewijk van OordAlles van waarde (blz. 38, genomineerd door Nils Goedkoop)
– Het waren geluiden als deze die het gebouw karakter gaven, die het pand als het ware bezielden, zoals ook het gefladder van de luxaflex in de tocht dat deed, een scherp geschraap van aluminium op aluminium dat ook als de ramen gesloten waren gewoon doorging, of, in de zomer, het getik van bromvliegen tegen de ruitjes, bromvliegen die stuiterden tot ze stierven en levenloos in de vensterbank bleven liggen, zodat Wijnand ze op een verveeld moment hun vleugeltjes kon uittrekken.

Lodewijk van OordAlles van waarde (blz. 118, genomineerd door Nils Goedkoop)
– Ook zij had de voor deze contreien haast onvermijdelijke tongval, die typische aan de voorzijde van de keel geboetseerde uitspraak waaruit op te maken viel dat ze besloten had het studeren in Leiden uiterst serieus te nemen, evenals de hese stem die verklapte dat ze ook het beschonken en doorrookte verenigingsleven niet aan zich voorbij liet gaan.

Lodewijk van OordAlles van waarde (blz. 150, genomineerd door Nils Goedkoop)
– Hij moest helaas constateren dat de Leidse academie dat soort types wel vaker afleverde; van die bijeen gebabbelde jongens die na een handvol jaren bij Heineken of de KLM meenden de wereld in hun broekzak te hebben, daarbij uit het oog verliezend dat die wereld niet veel verder reikte dan de bebouwde kom van Amstelveen of Zoeterwoude.

Lodewijk van OordAlles van waarde (blz. 176, genomineerd door Nils Goedkoop)
– Hij had als zij in de buurt was het gevoel ergens van verlost te zijn, het idee dat de zwaartekracht wat minder heftig aan zijn lichaam trok en het leven daarom wat lichter werd, alsof hij plotseling vele kilo’s was afgevallen, kilo’s vol schroom en ongenaakbaarheid

Lodewijk van OordAlles van waarde (blz. 200, genomineerd door Nils Goedkoop)
– Een discussie volgde, waarin Sjuul probeerde uit te leggen dat dit vintage ironie was, omdat iedereen wel begreep dat good old Clinton hier natuurlijk juist wel, nou ja, en dat iedereen hier wel wist dat die Oxfordse joint hem destijds in Amerika flink in de problemen had gebracht, waarop Taziri met groeiende boosheid uit de doeken deed dat ze ironie maar kinderachtig vond, een flauwiteit van fletse mannen die zich achter een stijlmiddel verscholen zodat ze als de storm opstak konden beweren dat de anderen het verkeerd hadden begrepen, hun woorden verkeerd interpreteerden, zodat hun discriminerende opmerking uiteindelijk geen discriminatie genoemd kon worden maar een klassiek gevalletje van ironie, of satire, wat ook al zo’n melig noodverbandje was, net zoals hun latente racisme en seksisme ook steevast heel anders waren bedoeld, waardoor de bewijslast zich plotseling omkeerde en hun onnozele toehoorders werden gelaakt om het feit dat ze deze heel elementaire nuanceverschillen weigerden te begrijpen, wat misschien wel iets te maken had met hun plattere neuzen of getinte huid; en ook deze constatering was natuurlijk irónisch bedoeld, daar moest niemand verder iets achter zoeken.

Lodewijk van OordAlles van waarde (blz. 219, genomineerd door Nils Goedkoop)
– Het was hem opgevallen hoe ze haar sigaret op elegante wijze kon vasthouden, in haar slanke vingers met nagellak die vrijwel altijd bij haar lipgloss paste, en hoe ze haar rook altijd een beetje naar opzij uitblies, om vervolgens met haar vrije hand een nonchalante veeg in de lucht te geven, nooit echt door de rook heen maar altijd ernaast, alsof haar beweging meer een symbolisch gebaar was dan een doelgerichte poging de rook te verdrijven.

Lodewijk van OordAlles van waarde (blz. 219, genomineerd door Nils Goedkoop)
– Even overwoog hij te refereren aan de piepkleine donzige haartjes boven haar lippen, die eruitzagen alsof ze met een heel dun kohlpotlood van een duur merk waren aangebracht, maar hij zweeg hierover, omdat hij wist dat een snorretje, zoals het soms denigrerend werd genoemd, weleens gevoelig zou kunnen liggen, en hij bovendien vermoedde dat het haar zou bevreemden dat hij dit juist opwindend vond.

Marja PruisZachte riten (blz. 64)
– Hij is met de pepermolen in de weer alsof hij iemand de nek aan het omdraaien is.

Lize SpitHet smelt (blz. 12, genomineerd door Marjan Kloosterman)
– Uit zijn mond klinkt mijn naam soms als een bevel, soms als een vraag, zelden als iets dat van mij is.

Lize SpitHet smelt (blz. 168)
– Jolan verklaarde zich badmeester van de pot pruttelende olie – wie zijn vleesje liet verzuipen, zou ’s anderendaags moeten afwassen.

Lize SpitHet smelt (blz. 210)
– De schrammen op mijn rug brandden minder hard dan de schaamte.

Lize SpitHet smelt (blz. 255)
– Wie zat te plassen, zat nog geen vijftien centimeter van een derdewereldland verwijderd.

Lize SpitHet smelt (blz. 289)
– Buiten, achter het raam dat moeder heeft afgeschermd met een voile en vier punaises, drijft de lucht voorbij: grijs, vers gestort beton, volgzaam aan zichzelf.

Lize SpitHet smelt (blz. 330)
– ‘Het mag wel eens gaan sneeuwen,’ zei moeder.

Vrouwkje TuinmanAfscheidstournee (blz. 9 genomineerd door F. Starik)
– Een van de beste eigenschappen van Paolina was dat ze niet klaagde over het feit dat ze met haar dode schoonvader moest samenwonen.

Anton ValensHet compostcirculatieplan (blz. 156)
– Het lachje van de stratenmaker gonsde door de tuin – aldoor vergat ik het om het dan weer te herkennen, als de jennende stem van een oudere broer of een oom die solliciteert naar een klap met een bordspel in zijn gezicht, terwijl ik de schimmelende plakkaten dichter ineenwerkte.

Pieter WaterdrinkerPoubelle (blz. 72)
– Het niervormige zwembad blikte haar, trillend in zijn eigen azuur, als een monsterlijk misvormd cyclopenoog aan.

Koos van ZomerenAlptraum. Stanley’s laatste gems (blz. 81)
– Wat ik geloof ik nog niet genoteerd heb: het geluid van een vogeltje op de dakrand, dat klonk als de nageltjes van Stanley op het parket.

Zin nomineren