Tzum-prijs 2011
Sommige schrijvers kunnen de werkelijkheid veranderen. Echt goede schrijvers kunnen dat in één zin. Iemand die op station Utrecht Overvecht de trein neemt, zal na het lezen van de winnende zin voor de Tzum-prijs nooit meer op dezelfde manier aankijken tegen zijn omgeving. De jury verbonden aan het literaire blad Tzum en de literaire site Tzum.info (bestaande uit Roos Custers, Coen Peppelenbos, Bart Temme en Nick ter Wal) is dan ook zeer verheugd om te kunnen meedelen dat de Tzum-prijs voor de mooiste zin van 2010 gaat naar Peter Buwalda. De zin komt uit de vuistdikke roman Bonita Avenue [blz. 341].
Hij was verpieterd op de kamer die hij huurde bij zijn oudtante in Overvecht, een buitenwijk met asbestflats, ‘dreven’ in plaats van ’straten’, en een eigen station met twee sporen om op te gaan liggen. (zie voor de rest van het juryrapport hier).
Alle winnaars van de afgelopen 10 jaar lees je hier.
Nominaties Tzum-prijs 2011 tot dusver
Gerbrand Bakker – De omweg (blz. 147)
- Ze zag de eik liggen, als een omgevallen kandelaar met ongelijke kaarsenhouders.
Gerbrand Bakker – De omweg (blz. 155)
- Hij trok de kaart met de hond uit het rek, vooral omdat ze nooit iets met zo’n huisdier had gehad en de afbeelding van een nijlpaard verkeerd begrepen zou kunnen worden.
Bernlef – Geleende levens (blz. 127)
- Mijn leven kwam mij steeds meer voor als een doorgelopen aquarel waaruit heel soms iets ontsnapte, iets uit het verloren gewaande in het heden leek terug te keren; met een verre, matte en onbereikbare glans.
Kees van Beijnum – Een soort familie (blz. 266)
- Een enkel gezin heeft de terugtocht naar huis nog even uitgesteld, genietend van de rust binnen een alsmaar uitdijend territorium, en misschien ook wel omdat ze opzien tegen het inpakken van de meegebrachte parasols, klapstoeltjes, luchtbedden, emmertjes, schepjes, vliegers, thermosflessen, babyflesjes, resten stokbrood en plastic bakjes met kleverige restjes op de bodem.
Aristide von Bienefeldt – De zus die Anna Magnani niet was (blz. 72)
- Ze liepen in de richting van de laatste slaapkamer, de kamer waar hun grootvader tijdens de laatste Grote Oorlog iets aan vastgeplakt had wat hun vader een Venetiaans Patio genoemd had en hun moeder een platje waar het altijd trekt.
Aristide von Bienefeldt – De zus die Anna Magnani niet was (blz. 101)
- Teun wierp een behoeftige blik op Alice’ netpanty’s en staarde toen een moment behoedzaam voor zich uit, alsof hij in gedachten zijn arbeidscontract doornam op zoek naar de clausule ‘Wat te doen als er tijdens een werkbezoek een paar netpanty’s voorbijkomen’.
Aristide von Bienefeldt – De zus die Anna Magnani niet was (blz. 226, inzender Gabriël Van der Vieren)
- En iedereen die een flard van het gesprek opving,van Johann Winckelmann tot Greta Garbo,van George Sand tot Stefan Zweig,van Dusty Spingfield tot Desiderius Erasmus,zou vanaf dat moment nog maar een doel in zijn leven hebben: Alice Nola leren kennen.
Jan Brokken – Baltische zielen (blz. 169)
- ’s Morgens maakte hij in alle vroegte een wandeling door het bos en wanneer hij dan thuiskwam om zich aan het componeren te zetten, zei hij tegen zijn dochters en zonen: ‘Ik heb aan jullie allemaal gedacht, boom voor boom, zonder iemand van jullie over te slaan.’
Jan Brokken – Baltische zielen (blz. 199)
- Hoe meer zieken hoe meer bedrijvigheid; de economie van de stad dreef op de spijsverteringsproblemen en leverkwalen van de Russische adel.
Jan Brokken – Baltische zielen (blz. 299)
- Het eindpunt van hun diaspora was bereikt, Litouwen en Letland konden opgeborgen worden in het fotoalbum en het leven zou voortaan uit vandaag en morgen bestaan, niet langer uit gisteren.
Jan Brokken – Baltische zielen (blz. 305)
- Zijn leven draaide om eten, roken, drinken (hij nam zijn eerste glas om tien uur ’s morgens), zitten in zijn atelier, liggen, denken, lezen en herlezen (Nietzsche, De geboorte van de tragedie), naar muziek luisteren (Mozart) en schilderen.
Herman Brusselmans – Trager dan de snelheid (blz. 90)
- Louis dagdroomde er vaak over dat hij een andere man was, maar de medemens bood hem daartoe weinig gelegenheden.
Herman Brusselmans – Trager dan de snelheid (blz. 226)
- De eerste vier met wie hij Zoë bedroog zou hij over korte tijd al lang vergeten zijn, maar deze Judith zou hij koesteren in zijn gedachten als de vrouw die hem met toeters en bellen afscheid had leren nemen van z’n seksuele bestaan.
Peter Buwalda - Bonita Avenue (blz. 29)
- Hij had een baardgroei waar evolutiebiologen een vochtige mond van kregen.
Peter Buwalda - Bonita Avenue (blz. 43)
- Volgens zijn CV heeft hij verstand van toeval.
Peter Buwalda - Bonita Avenue (blz. 127)
- Ter staving van zijn opbouwende kritiek trok hij gerust zijn eigen vrienden door het slijk.
Peter Buwalda - Bonita Avenue (blz. 341)
- Hij was verpieterd op de kamer die hij huurde bij zijn oudtante in Overvecht, een buitenwijk met asbestflats, ‘dreven’ in plaats van ‘straten’, en een eigen station met twee sporen om op te gaan liggen.
Peter Buwalda - Bonita Avenue (blz. 394)
- De dromen waren niet meer te stuiten, ze pikten hem met scherpe snavels, als hij wakker schrok landden de raven op de lampenkappen, wachtend tot hij weer indommelde.
Peter Buwalda - Bonita Avenue (blz. 429)
- Bij het horen van mijn naam schoten zijn ogen als ijshockeypucks heen en weer, met een ruk wendde hij zich af, hees brabbelend, zijn schoen trapten in de troep als de achterpoten van een wegschietende hond.
Jessica Durlacher – De held (blz. 110)
- Ik lever een achterhoedegevecht met schimmen uit een verleden dat door niemand meer als levend en belangwekkend wordt beschouwd, hoogstens als materiaal voor een spannend boek of een dramatische film.
Jessica Durlacher – De held (blz. 110)
- Er hing een penetrante oudegebouwenlucht in de flat.
Rob van Essen – Elektriciteit (blz. 7)
- Haar borsten waren veranderd in twee halve bollen en haar tepels leken kleiner; ze maakten een verloren indruk, alsof er om hen heen iets was gebeurd wat ze nog niet helemaal begrepen.
Rob van Essen – Elektriciteit (blz. 8.)
-Ik verdacht hem ervan dat hij ervoor zorgde dat bij elke familieverjaardag iemand werd uitgenodigd die de opname nog niet kende, zodat hij de aanwezigen die aanvoerden dat iedereen het al drie keer had gezien, het zwijgen kon opleggen met een simpele knik in de richting van die ene gast die in gelukkige onwetenheid verkeerde over de exacte wijze waarop een galblaasoperatie in zijn werk ging.
Rob van Essen – Elektriciteit (blz. 40)
- Scipio zegt dat die jongen eruitziet als een nachtclubportier die de cursus Agressiebeheersing niet heeft gehaald omdat het examen behlave uit plaatjes ook uit tekst bleek te bestaan, weer zo’n uitspraak die je niet snel vergeet, en wat het nog mooier maakt is dat die nachtclubportier niet met een pitbull loopt, maar met een poedel.
Rob van Essen – Elektriciteit (blz. 52)
- Het is raar, maar ondanks alles voel ik een lichte teleurstelling wanneer het totale aantal slachtoffers naar beneden wordt bijgesteld.
Rob van Essen – Elektriciteit (blz. 156)
- Nigel was de enige van ons die weleens een boek over psychologie had gelezen, en het plan om de brievenbus van Freud in een vrouwelijk geslachtsdeel te veranderen, kwam dan ook van hem.
Rob van Essen – Elektriciteit (blz. 159)
- Met de kut in zijn handen viel Freud langzaam achterover, als een beeld uit een film die vertraagd wordt afgedraaid.
Herman Franke - Traag licht (blz. 15)
- Vrijen om haar zwanger te maken, ging me niet goed af.
Herman Franke - Traag licht (blz. 202)
- Oom Johan was een ongelovige thomas ad absurdum.
Ronald Giphart – IJsland (blz. 25)
- Hoe vaak gebeurde het niet, vroeger, dat ons oude studentenhuis een nachtelijke braderie organiseerde en dat Junior of een andere noordeling een paar nichtjes of buurmeisjes had uitgenodigd en dat je dan in een vredig intiem samenzijn stond met een meisje dat Durkje heette, of Intje, Fokje, Jantsje, Wikje, Geartsje, Rinske, Nynke, Ibbetje of Douwtje.
Wouter Godijn – Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (blz. 7)
- ’s Nachts, aardedonker, kan een zomerse zon er niet plotseling uitbundig op los schijnen, een leeuwin kan geen muisje baren, mijn laten we zeggen drieëndertig jaar en nog een paar maanden geleden gestorven moeder kan zo meteen (Godzijdank) niet op de deurbel drukken omdat ze mij en mijn gezinnetje met een bezoek wil vereren, de waarheid kan men niet schrijven.
Wouter Godijn – Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (blz. 59-60, inzender Rolien Scheffer)
- Op een dag – ik was hoe oud ook al weer? een jaar of zestien denk ik, en geheel vervuld van de bij die leeftijd horende trillerige ontvankelijkheid – op een dag, of liever, een avond, toen zowel mijn vader als ik niet thuis was, mijn vader zal vermoedelijk een Kamerdebat hebben opgeluisterd met zijn solide, maar niet al te belangwekkende aanwezigheid, terwijl ik bij een vriend het gejammer van een populaire puberbard beluisterde, een avond dus – misschien is het goed als we ons eens afvragen, u en ik, waarom ik de neiging heb deze zin steeds langer te maken – op die bewuste novemberavond (duisternis, regen en buitelende bladeren) verliet mijn moeder het huis en begaf zich naar een behulpzaam op loopafstand oprijzende torenflat (het monster had wel zestien verdiepingen!), ging helemaal naar boven, helemaal omhoog, ik vraag me af of ze al die trappen op is gesukkeld, bij wijze van afscheidsritueel, of dat ze, aanzienlijk praktischer, de lift heeft genomen, die trouwens dikwijls defect was, herinner ik me, in dat geval was er dus maar één, hijgpufhijg, mogelijkheid, en vervolgens -
Wouter Godijn – Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (blz. 55-56, inzender Arjen Nolles)
- Het gebeurde bijvoorbeeld regelmatig, vooral ‘s avonds, dat ik ergens op lag, bed of bank, alle leden van mijn teerbeminde gezinnetje gaven zich over aan de slaap, of waren weg, helemaal weg, opgeslokt door een of ander behulpzaam zwart gat of zoiets, ze lieten me eindelijk met rust, en dan, nu komt het, en dan begon ik me voor te stellen dat ik de volgende dag beter zou zijn.
Arnon Grunberg – Huid en Haar (blz. 29)
- Als Violet er geen zin meer in heeft, in mensen, in het gesprek, in het feest, als ze wegwil zonder te weten waarom, dan zegt ze: ‘Ik moet naar yoga.’
Arnon Grunberg – Huid en Haar (blz. 397)
- Dat is het nadeel van vegetariër zijn, dat al het eten op elkaar lijkt.
Daan Heerma van Voss - Een zondagsman (blz. 65)
- Mijn huwelijk is een samenraapsel van lachen, seks, vloeken, vergeten, smeken, vergeven, herinneren, elkaar geluk toewensen, dronken worden met anderen en bovenal elkaar proberen te ontwijken.
Arthur Japin – Vaslav (blz. 44)
- Afgemeten blikken van onder hoge hoeden, norse bevelen uit zware snorren, onwrikbare schouders en dikke nekken ingesnoerd in hoge nertskragen, daaraan had ik geleerd de mannen van de wereld te onderscheiden van de kleine jongens.
Arthur Japin – Vaslav (blz. 269)
- Hoe essentiëler de boodschap, hoe beter die in stilte overkomt.
Deborah Klaassen – Bek dicht en dooreten! (blz. 101, inzender Denise Jenkins)
- In m’n dromen rende ik door een woud van donkere gedachten – ik rende keihard, tot mijn keel ervan ging branden en ik steken in m’n zij kreeg, want ik werd achterna gezeten door een idioot met een tandartsenboor die het op mijn witte broek had voorzien.
Gerrit Komrij – Morgen heten we allemaal Ali (blz. 128)
- Er is geen dichter die niet droomt van een bestaan zonder woorden, het is een armzalige toestand waarin hij aldus verkeert, alsof een pissebed droomt van een leven in de zon, de woorden bezwaren de dichter terwijl hij zonder woorden geen dichter kan zijn, hij zou een ontkenning van zichzelf vormen en niettemin waant hij zich woordeloos pas volop dichter, omdat het woordeloze het meest nadert tot pas gewassen woorden, nieuwe woorden, ongeniepige woorden, woorden zonder bijbetekenis, woorden die niet op ieders lip tot hoerenwoorden worden.
Gerrit Komrij – Morgen heten we allemaal Ali (blz. 139/140)
- Ik probeer te denken aan alle mensen, alle artefacten, alle veldslagen en kadavers, alle pleinen en aquaducten, alle woordbouwsels en melodieën waarvan we niet meer weten dat ze er zijn geweest, die we welbeschouwd niet eens zijn vergeten omdat ook allang is vergeten wat we zouden kunnen vergeten, het vergeefse leven en de vergeefse ambities, de vergeefse moordlust en het vergeefse lijden in tijden die werden uitgewist, waarvan geen getuigenissen onder het zand of in een steen gekrat meer resten, waaraan geen stofkorrel ons ooit nog zou kunnen herinneren, ik probeer eraan te denken en, terwijl ik dus aan niets denk en aan het beroemde zwarte gat en het nog befaamder poëtische verdwijnpunt, ben ik e tegelijk van doordrongen dat de vergetelheid het laatste woord heeft, een woord dat een woordloos woord is, een woord zonder klank of betekenis – God is de vergetelheid en de vergetelheid is God.
Gerrit Komrij – Morgen heten we allemaal Ali (blz. 275)
- Zwartgerokte vrouwen torsten vernuftige landschappen op hun hoofd mee – vismanden, koolstronken, stokbroden, wasteilen in een wirwar die de wet van de zwaartekracht tartte.
Gerrit Komrij – Morgen heten we allemaal Ali (blz. 277)
- Mij vragen hoe ik een boekhandel herken is een zoetekauw vragen waarom hij op het moment dat hij naar een banketbakker verlangt met zijn neus op de ruit van de banketbakkerswinkel staat.
Gerrit Komrij – Morgen heten we allemaal Ali (blz. 278)
- Ik weet niet of het door de nabijheid van die kerk kwam, maar ik raakte tijdens het omhoogkijken ineens bevangen door een heel rooms gevoel.
Ernest van der Kwast – Mama Tandoori (blz. 29)
- Misschien waren mijn broers en ik wel de enige kinderen ter wereld die tien Indiase scheldwoorden kenden voor buitenechtelijke zoon, maar niet in het Hindi konden vragen waar het toilet is.
Ernest van der Kwast – Mama Tandoori (blz. 71)
- De keus was uiteindelijk op Hotel Les Rosiers gevallen, want de week erop hingen er twee gele handdoeken aan de waslijn waarin de naam van dit hotel was geweven.
Ernest van der Kwast – Mama Tandoori (blz. 164)
- De aardappel leidde zijn ondergang in.
Peter Middendorp – Met de kennis van nu (blz. 25)
Laatst ontmoette ik een high potential, een jonge vrouw met een glanzende toekomst waarin nog lang van een fraai uiterlijk kon worden geprofiteerd.
Peter Middendorp – Met de kennis van nu (blz. 157)
- Wie een liefhebber is van authentieke elementen en het onverschillig blijft of die elementen authentiek zijn of bij Hornbach aangeschaft, kan gerust een kijkje nemen in het partijbureau van het CDA.
Margriet de Moor – De schilder en het meisje (blz. 15)
- Dominerende figuur van het tafelgezelschap was een kolossale lomperik, type bandietenkoning, maar dan wel met een soort tiara op, dus eigenlijk een paus.
Margriet de Moor – De schilder en het meisje (blz. 229)
- Arme mensen zijn arme kijkers, ogen ingesteld op de banaliteiten van alledag.
Erik Nieuwenhuis – Woordsoep (blz. 94)
- Als nachtportier haal je je verdiensten vooral uit de verkoop van koffie, Luikse wafels en geheimzinnige potjes met een roze substantie die op nachtcrème lijkt en in combinatie met een zakje Buitoni-toast wordt verkocht.
Erik Nieuwenhuis – Een gat in de lucht (blz. 24)
- Ze eet geen vlees, maar ze draagt wel leren laarzen waar een kwart van het huidoppervlak van een buffel in verwerkt is.
Erik Nieuwenhuis – Een gat in de lucht (blz. 157)
- Een bus vol grotendeels hoogblonde dames zit gebogen over hun kleffe appeltaart, de thee smaakt zoals de thee in Nederland altijd smaakt: alsof het uit de regenpijp is gesijpeld.
Jamal Ouariachi – De vernietiging van Prosper Morel (blz. 29-30, inzender Arnout Hulskamp)
- Hij identificeerde zich niet graag met collega-fossielenjagers: die behoorden maatschappelijk gezien toch een beetje tot de vogelaars, de vliegtuigspotters en de filatelisten, ja, mannen met oubollige baarden die gewapend met vergrootglas of verrekijker, en met kaplaarzen aan hun wolgesokte voeten op een zondagochtend in alle vroegte het veld in trokken, of die specialistische beurzen afstruinden op zoek naar een uniek exemplaar van dit of dat, nee, Morèl hield niet van zulk gezelschap, het stonk daar, in het clubhuis van de verzamelaars, het waren mannen die te monomaan door het leven gingen om zich te bekommeren om zoiets sociaals als een stuifje eau de toilette of een ademverfrissend kauwgumpje op z’n tijd.
Jamal Ouariachi - De vernietiging van Prosper Morel (blz. 290-292, inzender Arnout Hulskamp)
- Stel: je bent Max Huizinga, altijd een computernerd geweest, een onaantrekkelijke nobody met een jampotbril, een moeilijke huid, naar te-lang-in-de-wasmachine-gelegen stinkende kleding (t-shirt maatje xxl, slobberspijkerbroek) – en dan ineens blijkt het ‘innovatieve stukje internetsoftware’ waar je jarenlang in je vrije tijd aan geknutseld hebt, goud waard te zijn en rollen de euro’s algauw met honderdduizenden tegelijk binnen, en wat daarbij komt: het volle leven, ja, de etentjes, de netwerkbijeenkomsten, de op maat gesneden designpakken, contactlenzen in plaats van je vertrouwde bril, de sauna en de sportschool, exclusieve aftershave, snelle sportauto, dat hele godvergeten lifestyletje, inclusief, last but not least, en niet zo’n beetje ook: de vrouwtjes, jaja, dat fenomeen kende je nog niet zo goed, hè, Max, wat een overweldigende hoeveelheid lekkere stoten, beukertjes, neukertjes, rammertjes, stampertjes, slopertjes, gleufjes en sneetjes, och, kijk dat grut nou in hun bloedserieuze mantelpakjes professioneel proberen te zijn, schijnbaar onafhankelijk in geest en middelen, maar ondertussen: tak!, vallen ze onmiddellijk voor de eerste de beste patser met een paar centen op zak en een baan met een volmuilige, Neder-Engelstalige, meerlettergrepige, meerwoordige beroepstitel, pak ’m beet chief executive of corporate technology development consultancy, zo’n knakker die maar met z’n creditcard hoeft te wapperen of de smeerolie der evolutie lekt de dames al door hun hoerige lingerie, en stel je voor dat jij, Max Huizinga, opeens inenen plotsklaps van-het-ene-op-het-andere-moment, just like that, zo’n goedgevulde patser bent, zo’n machtige, vermogende alfa-aap, wist jij veel dat het kon, je had nooit gedacht dat deze wereld binnen jouw bereik lag, je bent al jarenlang vreugdeloos getrouwd met het enige vrouwelijke wezen dat je back in the days kon krijgen, en laten we eerlijk wezen: vrouwelijk is vriendelijk uitgedrukt, er is een hoop welwillende fantasie voor nodig om in deze afzichtelijke homp vlees genaamd Frédérique een vrouw te ontdekken ondanks die elegante voornaam, maar jij, Max, jij hebt nota bene kinderen bij haar verwekt, jij hebt je voortgeplant, uitgerekend jij met uitgerekend háár, terwijl jullie allebei diep vanbinnen wisten dat jullie je gemankeerde genen beter bij je hadden kunnen houden, maar nu is het te laat en zijn er twee koters in het spel en dat maakt het verdomde lastig, nietwaar Max?, om ineens de koelbloedige casanova uit te gaan hangen nu de vrouwen, ik bedoel: de echte vrouwen – van die vrouwen met zo’n taille en van die tieten in zo’n decolleté en van die rokjes met een reet erin die erom smeekt bevrijd te worden door jouw gretige poten –, nu die vrouwen jou willen, Max, jou massáál willen (kan jou het schelen of het vanwege je geld of vanwege je persoon is), nu dat zo is, hoe moet je die verleiding weerstaan, terwijl je tegelijkertijd in de wetenschap verkeert dat Frédérique de enige vrouw (en laten we eerlijk wezen etc.) is waar je hem ooit in hebt gestopt, ja, dat is wel verdomde moeilijk, hè Max, dus daar ga je, hop!, het was een bedrijfsfeestje, je was dronken, die tieten waren groot en gewillig, daar ging je, in de lift van het lusteloze kantoorgebouw waar je je dagen doorbrengt, op en neer, op en neer, het is niet netjes, maar wie maakt er nooit een fout in zijn leven, zoiets kan de beste overkomen, Max, en wat denkt zo’n Frédérique ook eigenlijk, wat denk je, Fré, kom op, de meeste (vrijwel alle) mannen gaan, statistisch gezien, op zeker moment in hun leven vreemd, dus waarom niet de jouwe, jouw Max, je denkt toch niet dat je speciaal bent, toch, Fré, je mag je verdomme in je handen knijpen dat die sukkel van een Max berouwvol is, dat hij bij je wil blijven, bij jou, terwijl de concurrentie als een bende krolse poezen voor de deur van zijn kantoor staat te miauwen, ja, Freddie, dat is de harde waarheid, maar jij – haha, jij!, vleesgeworden minderwaardigheidscomplex! – ruikt voor het eerst in je leven de kans om macht over een ander uit te oefenen, dus wat let je, want met de kinderen onder je ene arm en de huwelijksakte onder de andere ben je maar één of twee klikjes op je mobieltje verwijderd van een juichende echtscheidingsadvocaat, en dan is het voor Max kiezen (voor jouw triomfantelijke toorn) of delen (van zijn geld).
Jamal Ouariachi - De vernietiging van Prosper Morel (blz. 471, inzender Arnout Hulskamp)
- Inspiratie – bij gebrek aan een beter woord, want werklust klonk hem te droog – bleek een vreemd iets: waar al het andere taande naarmate je er meer van gebruikte, was inspiratie een goedje dat juist door gebruik vermeerderde.
Gustaaf Peek – Ik was Amerika (blz. 110)
- De donkere huid van haar handen vertoonde plooien als de nerven van een droge rivierbodem.
Yves Petry – De maagd Marino (blz. 125)
- De echt dood, het monotone gereutel van het fysieke en feitelijke sterven, had me tot hiertoe betrekkelijk koud gelaten.
Yves Petry – De maagd Marino (blz. 199)
- Hoe voller de straten en terrasjes, hoe sterker ik moest denken aan de cloaca onder onze voeten.
Leo Pleysier - Dieperik (blz. 27)
- Af en toe, zonder daarvoor toestemming te vragen, maakt nonkel Wies ritjes op vaders nieuwste stuk speelgoed: de BSA-moterfiets die tegenwoordig in onze karrenschuur gestald staat.
Leo Pleysier - Dieperik (blz. 38)
- Juffrouw Cretskens mag dan geen benen meer hebben, toch dwingt ze in ruime kring ontzag en bewondering af.
Leo Pleysier - Dieperik (blz. 68)
- Gisterenavond had moeder zelfs haar eigen ouders erbij geroepen om de uitslaande brand mee te helpen blussen.
Wanda Reisel - Plattegrond van een jeugd (blz. 19)
- Mijn moeder trok tijdens het koken een lijn in de keuken.
Wanda Reisel - Plattegrond van een jeugd (blz. 24)
- Ik verzamelde pistolen en messen.
Wanda Reisel - Plattegrond van een jeugd (blz. 107)
- Oom fried was inmiddels allang gescheiden van tante Bé en getrouwd met tante Tuf die graag bomen zag.
Wanda Reisel - Plattegrond van een jeugd (blz. 202)
- Het meisje was zo’n meisje dat goed wist dat ze er leuk uitzag en haar gebit liet schitteren alsof er een diamantje in zat.
David van Reybrouck - Congo (blz. 41)
- Niemand weet precies wanneer Disasi Makulo ter wereld is gekomen.
David van Reybrouck - Congo (blz. 253)
- De bills golden als onruststokers die zich overgaven aan diefstal, losbandigheid en marihuana.
David van Reybrouck - Congo (blz. 582)
- De lucht zinderde van de hitte en het was nog maar voormiddag.
Henk Rijks – De kostwinner (blz. 152, inzender Marcel Hoeko)
- Hij zag er uit als een bakkersknecht uit een jarenvijftig-jongensboek: gezet, met blozende ronde appelwangen en een onverwoestbaar positieve uitstraling.
K. Schippers – De bruid van Marcel Duchamp (blz. 41)
- Eerst strijkt hij het recht, het is even windstil, het waait weer en dan strijkt hij het niet meer recht.
K. Schippers – De bruid van Marcel Duchamp (blz. 52)
- Vroeger was het in de buurt van Fort Greene Park, waar het huis dicht bij stond, stil en elegant, denk aan een buurvrouw met een bontjas, een voile en handschoenen, die een huis met vier verdiepingen uit komt om inkopen te gaan doen in de groentewinkel of op de vleesmarkt.
K. Schippers – De bruid van Marcel Duchamp (blz. 57)
- Koning, koningin, naakt, je kunt lang naar ze zoeken en wie dat wil vindt altijd wel een kroon, een heup of een borst, al zijn ze nog zo in een algemeen veld van min of meer mechanische ledematen opgegaan.
K. Schippers – De bruid van Marcel Duchamp (blz. )
- Eerst strijkt hij het recht, het is even windstil, het waait weer en dan strijkt hij het niet meer recht.
Jaap Scholten – Kameraard Baron (blz. 61)
- Op de aanpalende binnenplaats van de eeuwenoude barokke huizen waar de flat botweg tegenaan gezet was, werd iedere ochtend tussen negen en tien uur een krankzinnige gelucht, die de hele buurt bij elkaar krijste, een soort stadse variant van de haan die uit volle borst laat weten dat er een nieuwe dag is begonnen.
Jaap Scholten – Kameraard Baron (blz. 64, inzender Giny Backers)
- Ik kan me van de veroveringen van de anderen slechts hun evaluaties herinnneren, in het bijzonder aangaande siliconenborsten, die begin jaren negentig een noviteit vormden en die jongens uitzinnig maakten, net als de stoelverwarming in de bedrijfsauto van Mihály, een verre neef van Ilona.
Jan Siebelink – Het lichaam van Clara (blz. 181, inzender Hans ter Heijden)
- Clara was bang voor haar geworden, had haar niet durven aankijken en papa, uit school komend, had haar volstrekt genegeerd, had zijn hoofd afgewend en was, zonder iets te zeggen, met zijn tas vol proefwerken de trap op gelopen, had zelfs in de haast de stok van de vlizotrap aangeraakt, die met een kletterend lawaai op het zeil van de overloop was terechtgekomen, vervolgens de treden van de trap was afgegleden en tot stilstand was gekomen tegen de voordeur.
A.L. Snijders – Een handige dromer (blz. 19)
- Ik ben voor ongebreidelde vrijheid van meningsuiting, ik ben voor verregaande tolerantie, ik ben voor de botsing der meningen, maar ik merk dat ik toch het liefste lees wat ikzelf ook vind.
F. Springer – Quadriga (blz. 39)
- In een stripverhaal zou nu boven mijn hoofd een wolkje moeten verschijnen met daarin de enige tekst die mijn gevoel op dit moment bij benadering zou omschrijven: ‘XO!?YZ!SL##!’
Toon Tellegen – Wat dansen we heerlijk (blz. 16, inzender Inger Bos)
- Alleen de geur van de honingtaart danste nog, draaide in het rond en kringelde ten slotte langzaam weg door de kieren in het huis van de krekel en verdween in het donker.
Joost Vandecasteele – Opnieuw en opnieuw en opnieuw (blz. 31, inzender Eef Lanoye)
- Welk moment van de dag dat je ook komt, je zult er mensen aantreffen in ongegeneerde afschuw van de beelden die ze te zien krijgen, maar die toch blijven staan in de hoop dat ze nog iets ergers mogen aanschouwen.
Joost Vandecasteele – Opnieuw en opnieuw en opnieuw (blz. 31, inzender Eef Lanoye)
- Mijn liefde voor de buurt was zo groot dat ik zelfs een jongen als minnaar aanvaardde enkel en alleen omwille van zijn flat in de mooiste straat van allemaal.
Joost Vandecasteele – Opnieuw en opnieuw en opnieuw (blz. 100, inzender Benjamin Van Wijnendaele)
- Maar wanneer Frida haar eerste woorden uitspreekt weet ik dat de korte stilte alleen maar diende om alle kracht in haar gebroken lijf te bundelen zodat er geen misverstand kan bestaan over de graad van giftigheid waarmee ze haar zinnen uitspuwt.
Dimitri Verhulst – De laatste liefde van mijn moeder (blz. 8.)
- De kilometers die Martine alles bij elkaar heeft afgelegd terwijl ze met een antenne door de hele woonkamer liep op zoek naar een deftige ontvangst zijn niet gering en het hoeft dan ook niemand te verbazen dat zowel de overstap van antenne naar kabeltelevisie als de uitvinding van de afstandsbediening er later toe hebben bijgedragen dat Martine zich opeens om calorieën en spataders moest bekommeren.
Dimitri Verhulst – De laatste liefde van mijn moeder (blz. 17)
- Haar vader keek altijd naar de grond als hij over straat liep, de enige manier om geld te vinden én een goede tactiek om de vriendenkring klein te houden.
Dimitri Verhulst – De laatste liefde van mijn moeder (blz. 38)
- Hoe beter de antibiotica, hoe leger de kerken.
Dimitri Verhulst – De laatste liefde van mijn moeder (blz. 75)
- Want zo gaat dat vaker met dringend plassen: de strijd tegen de stuwing dreigt te worden verloren met de zege reeds in zicht, alsof de sluitspier het aanmoedigende bijna interpreteert als nu!
Dimitri Verhulst – De laatste liefde van mijn moeder (blz. 116)
- Aan drie wanden hingen reproducties van abstracte schilderijen waaruit niet viel af te leiden of de maker ervan een mens dan wel een ontploft blik ravioli was geweest.
Dimitri Verhulst – De laatste liefde van mijn moeder (blz. 177)
- Als het algemeen gevoel van welbevinden door het eten van een stukje taart groter werd, en daarover kon in feite weinig discussie bestaan, dan moest de stemming middels het eten van een stuk Duits gebak euforische hoogten bereiken.
Dimitri Verhulst – Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten (blz. 17)
- Het eerste wat mij opviel toen wij aan hun tafeltje kwamen zitten… want zo marcheert het inderdaad, de gebruiken in de vleeshandel zijn universeel: je biedt een glas aan en de volgende stap wordt door de ander gezet… wie een beest in huis wil krijgen moet het eerst te eten of te drinken geven… enfin, het eerste wat mij opviel waren zijn ogen.
Dimitri Verhulst – Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten (blz. 39)
- In België, dat land met zijn angstpsychosen voor alles wat van ver of dichtbij naar pedofilie rook, als godbetert ontvoerder van minderjarigen geboekstaafd staan, ook al was het aantoonbaar onterecht, tja, dan kon je wel een kruis trekken over je toekomstig geluk.
Dimitri Verhulst – Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten (blz. 62)
- Ook nu, nu ik maanden na datum naar deze vermaledijde kamer ben weergekeerd om iets terug te vinden van de vele gevoelens die mij tussen droom en drek hebben geslingerd, om er vervolgens definitief afscheid van te nemen, ook nu meen ik dus dat mijn lot van werk kan worden ontlast indien ik mij op deze plaats het leven benam.
Dimitri Verhulst – Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten (blz. 88)
- Ironisch genoeg voor een renner die zijn grootste successen had geboekt in een truitje waarop het merk van een kredietverlener stond, moest Jens’ fiets worden verkocht om z’n repatriëring gefinancierd te krijgen.
Joost de Vries – Clausewitz (blz. 101)
- Pas halverwege het neuken bedacht ik dat ik vergeten was hoe leuk dit eigenlijk was, en hoe geil.
Joost de Vries – Clausewitz (blz. 162-163)
- Zijn haargrens was opgejaagd als Napoleon uit Rusland, alsof die op de vlucht was voor de dreiging van zijn wenkbrauwen, die elk jaar onstuimiger leken te worden.
Bernard Wesseling – Portret van een onaangepaste (blz. 103)
- Nu zit je daar op die klapstoel met al die reserves van je en een bek vol ossenworst als ze met een ruk de coulissen vaneen trekken, en ie daar staat, de onvervalste is het natuurlijk zelf, maar nu in de nogal onheilige gedaante van een Siamees echtpaar: linksom verkleed als bruid, rechtsom als bruidegom.
Tommy Wieringa – Ga niet naar zee (blz. 9)
- De mensen in Goor lopen er een beetje raar bij in hun zomerkleding, alsof ze een weddenschap hebben verloren en nu gekke kleren aan moeten.
Menno Wigman – Red ons van de dichters (blz. 175)
- ‘s Nachts verschenen geelgeverfde gangen in mijn dromen, rommelig en druk als wachtruimtes, waar een oude vrouw naar haar kruis greep en drie magere mannen boven een koffiepot zaten te huilen.
Joost Zwagerman – Duel (blz. 5)
- De grote vent zette zich af met de voorkant van zijn voeten – en vanaf het ogenblik dat die voeten van de duikplank veerden en hij het water op zich af zag komen, wist hij dat hij een vreselijke vergissing had begaan; als een voedselzak die vanaf grote hoogte uit een helikopter wordt gedropt, viel de grote vent loodrecht naar beneden.
Joost Zwagerman – Duel (blz. 17/18)
- Het rood en het blauw leken te trillen als een landschap in laaiende hitte – maar een iéts ander blikveld en beide kleuren spoelden als het koelst denkbare water over je heen.
Joost Zwagerman – Duel ( blz. 54, inzender Jesse van Muylwijck)
- De romantiek te ontdekken wat zich achter een berg bevond was niet aan hem besteed, alleen al omdat dit meestal weer een andere berg was.
Joost Zwagerman – Duel (blz. 71)
- Daar stond hij, op sokken en met een broek die dreigde af te zakken, tegenover een snotneus die hem bij zijn middel en op zijn kont betastte met handen die bewogen op de maat van geprofessionaliseerde weerzin.
-voor de voorwaarden: zie hier
-gebruik het formulier onderaan deze pagina.
Nominaties Tzum-prijs 2010
Gerbrand Bakker – Juni (blz. 124)
- Knuffelbeesten op kindergraven die zich eerder hebben volgezogen met regen zijn nu vlokkig uitgedroogd.
Gerbrand Bakker – Juni (blz. 258)
- Zijn huig jeukte, dat gevoel kende hij uit de tijd dat hij weleens languit naast een kalf ging liggen en het beest hem likt met zijn ruwe tong.
Benno Barnard - Een vage buitenlander (blz. 19)
- Mijn moeder was een kind van de tennissende en telefonerende bourgeoisie; het interbellum hing om haar heen als een geur van oude eau de cologne, die maar niet wilde vervluchtigen en waarin de geesten van vroeger rond de piano geschaard liederen van Schubert bleven zingen.
Benno Barnard - Een vage buitenlander (blz. 21)
- Mensen zoals ik (die hopelijk niet in het meervoud bestaan) hebben de morbide neiging voortdurend achterom te kijken, met als gevolg dat we vol blauwe plekken zitten van het heden.
Benno Barnard - Een vage buitenlander (blz. 54)
- Dat is het deprimerende aan de natuur, iedereen is altijd maar aan het vreten, voornamelijk elkaar, zonder de verfijning van tafelzilver, kandelaars en conversatie over het weer en de kinderen.
Benno Barnard - Een vage buitenlander (blz. 192)
- Er hangen grote vochtige wolken boven de Dales, die als spookachtige schaduwen over het land meereizen; het uitzicht is ongeveer datgene wat je je als romanlezer bij de naam Heathcliff voorstelt.
Abdelkader Benali – De stem van mijn moeder (blz. 36)
- Een week nadat Eva van haar tweeling was bevallen, besloot ik me te laten steriliseren.
Abdelkader Benali – De stem van mijn moeder (blz. 149)
- Een mollige, hartelijke vrouw die al de hele middag lucht aan het omzetten was in geluid, gekleed in een zwartvelours stretchpak dat geen welving van haar enorme lichaam oversloeg, hield de microfoon met een professioneel gebaar onder mijn kin, zonder dat ze me schrik aanjoeg.
Hafid Bouazza – Spotvogel (blz. 40, inzender: Giny Backers)
- De zon begon op onze terugweg met dikke penseelstreken te schilderen; bij thuiskomst gebruikte hij niet eens een penseel, maar kneep gewoon tubes licht uit.
Hafid Bouazza – Spotvogel (blz. 53)
- In de kabbelstroom die tijd wordt genoemd was er iets onveranderd gebleven, een hart als een kei op de bodem onaangetast door de rimpelingen.
Marian Boyer – Een kleine storm (blz. 16, inzender Anne Büdgen)
- Samuel Boordman, Boris Daydream en zijn vriendin, de halfdode vrouwen met hun zeurende kinderen, de treuzelende tijdschrifttypes, de rokers met hun blik alsof Ben hun dealer is, zelfs zijn vaste pleiners: iedereen mag vandaag door de lava worden opgeslokt.
Marian Boyer – Een kleine storm (blz. 53, inzender Magne van den Berg)
- In de groep waar we onder leiding van Buffer eens per week over onze dingen praten gaat het over de vroege dood van familieleden, over het verlangen naar de warme schoot van je vader/moeder/broer/zus en waarom dat niet erg is, over welke mensen kanker krijgen en welke niet, en waarom het niet erg is dat precies andersom te wensen.
Marian Boyer – Een kleine storm (blz. 165, inzender Magne van den Berg)
- De goede glimlach is een welkom en een afscheid tegelijk.
Martin Bril – Mijn leven als hond (blz. 34)
- Geluid genoeg, op het Franse land, en dan sla ik het eeuwig zingen van de motorzaag, de laag overkomende Mirage-straaljager en de doffe knallen van het dubbelloops jachtgeweer maar even over, het gaat nu om vogels, waaronder dus de putter die zacht rinkelend roept.
Martin Bril – Mijn leven als hond (blz. 119)
- Hondendrollen, sigarettenpeuken, lege blikjes, etensresten en rondwaaiende gratis kranten zijn vaak het begin van een onomkeerbaar proces aan het einde waarvan Ella Vogelaar opduikt met mooie beloftes in haar tas en een volksdansensemble aan haar zijde.
Bernard Dewulf – Kleine dagen (blz. 127)
- Soms als de vader alleen thuis is, het kroost elders de moedertaal oefent, hij verstijfd aan de werktafel zit in zijn welopgevoede woorden, in een lexicaal priapisme, helpt het hem: dan spreekt hij ze hardop uit, alle vieze woorden die hij kent, als een rozenkrans.
Minke Douwesz – Weg (blz. 413, inzender: Giny Backers)
- Boeken beschrijven altijd alleen maar problemen, je leest nooit eens hoe je ze kunt oplossen.
Lupko Ellen – Wraaktocht (blz. 5)
- In een uit leem opgebouwd huis,diep in een vallei, omgeven door een tuin waaromheen een manshoge muur was opgetrokken tilde een vrouw van negenendertig jaar het hoofd op van de man die haar kinderen had verwekt.
Lupko Ellen – Wraaktocht (blz. 52)
- De Turkmenen aan de grens hadden het geld aangenomen met de vanzelfsprekendheid van mensen die weten dat ze tussen de maalstenen van de wereldgebeurtenissen totaal betekenisloos zijn, zodat het raadzaam voor ze is om de graankorrels die tussen die maalstenen door vallen zonder vragen op te rapen.
Thomas Heerma van Voss – De allestafel (blz. 55) (ingestuurd door Bert Bentsink)
- Pyromanen blijven kijken naar de door hen gestichte brand, misdadigers keren terug op de plek van hun misdaad, en Mark Oldings loopt automatisch naar het huis waar hij is opgegroeid.
A.F.Th. - Doodverf (blz. 214)
- Behalve voor het uitstallen van enkele stopflessen vol gedroogde ansjovis en artisjokharten in het zuur diende de kleine toonbank van gebarsten marmer alleen ter schraging van Tattamella’s zware borsten, die daar niet in het zuur lagen, en evenmin uitgedroogd waren, maar gewoon naturel aan de blikken van de femmenielli werden aangeboden, als een niet te imiteren voorbeeld en een onbereikbaar ideaal.
Mensje van Keulen – Een goed verhaal (blz. 114)
- Kenzo, Ralph Lauren, Gucci aan de lijn, slipjes en boxers waarin je geen scheet durft te laten.
Herman Koch – Het diner (blz. 58) (ingezonden door Rein Swart)
- Een film die je zelf behoorlijk goed vindt door je eigen, oudere broer een meesterwerk horen noemen, is net zoiets als de gebruikte kleren van die broer te moeten dragen: de gebruikte kleren die de oudere broer inmiddels te klein zijn, maar vanuit jouw perspectief vooral gebruikt.
Herman Koch – Het diner (blz. 85)
- Ze bedoelde eigenlijk te zeggen dat haar twee buren weliswaar homoseksueel waren, maar dat de zorg voor haar katten bewees dat het desondanks mensen waren als jij en ik.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 32)
- In de boedel van haar lichaam, dat het mijne heeft gevormd, primeerden de kuch en de kwakkel.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 53)
- Heel dit land acteert, dit schijtgat van Europa, en al het volk dat zich erin wentelt en keert: het is een kolonie vol komedianten, het schmiert dat het een aard heeft, niet in staat tot wezenlijk contact, het verstopt zich in het voetlicht van de schone schijn en de dure restaurantrekening en het dwangmatig gewauwel over het slechte weer en over de files en de hondendrollen van de buurman, het lijdt aan overacting in de politiek en in het wielerleven – maar voor zijn ware ik heeft het geen volledige tekst meegekregen, nog altijd niet, ook ik niet, we zijn nog altijd boerenpummels in een te prijzig kostuum en met geen andere replieken dan de boerse vloek of de geladen stilte of de rode kop van schaamte.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 65) (ingezonden door Yvonne Custers)
- Lach je te pletter om het palet en de borstels van de professionele zinnenschilder die je denkt te zijn, de kattenstaart waarmee de letterhoer zichzelf opzweept tot een gestroomlijnde productie: je bundeltje schema’s.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 94) (ingezonden door Yvonne Custers)
- Zijn weigering om nog langer een schakel te vormen in de machinerie van een familiebedrijf – waar altij wel een gehaktmachine of een stapel bloederige sierborden viel af te wassen, waar kaas-, garnaale en aardappelkroketten ouderwets met de hand werden gerold en twee keer gepaneerd, waar niet meer dan honderd gram beenhesp of licht gezouten paardenvlees toch aan huis werd besteld, door een zoon des huizes op zijn fiets, vóór hij naar school ging, desnoods vijf wijken verder, want ‘[zij zwaaiend met haar wijsvinger] men moet blij zijn met elke nieuwe klant erbij’, ‘niemand is ons te min of te machtig’, ‘voor de toonbank staand is ieder mens gelijk’ – die weigering, dat doorbreken van de elementaire minddenstandsharmonie, die woog het zwaarst bij zijn berisping.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 136)
- Vijftien jaar had de badkamer met de caravanafmetingen probleemloos dienstgedaan, de sporadisch gekneusde knie niet te na gesproken van wie zich, zijn toilet makend of zich scherend voor het lavabootje, te bruusk omdraaide en aan den lijve moest ervaren hoe gering de speling was gebleven tussen rand en wand.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 145)
- Josée Verbeke – zo stond ze op iedere theateraffiche: onder haar eigen naam, niet eens uit feminisme, want dat vond ze een scheldwoord, zij was geen manwijf, zij had geen emancipatie nodig, ‘bevrijding’ was iets voor zeurkousen en zenuwlijdsters – Josée Verbeke dus, die deinsde nergens voor terug.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 168)
- Ik mag aan de hand van mijn moeder gaan wandelen, maar het heeft buiten geijzeld, gesneeuwd, gehageld, n’importe: het is fris aan de vis, dus ik word aangestoten als voor een maanwandeling.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 180)
- Op een bed van kropsla en cressonnette schikte ze een garnituur van hespenrolletjes, gestoofd witloof, kippenbouten, salamisneetjes alsook tomaten gevuld met garnaalsalade, als voor een stilleven dat zijn plaats zocht in een nationaal museum in plaats van op een feesttafel voor onbekenden.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 209)
- Twee hellevegen zonder man of zoon of vader, zonder kind of kraai tenzij elkaar, twee zelfbenoemde bannelingen van de binnenstad, takkewijven die met niemand contact onderhielden, die in geen buurtwinkel of café opdoken en die naast ons woonden in een rijtjeshuis waarvan nooit eens iemand de ramen lapte of het trottoir aanveegde, waar nooit eens iemand aanbelde behalve van tijd tot tijd een deurwaarder of een optimistische verkoper van encyclopedieën – voor geen van beiden deden ze open.
Tom Lanoye – Sprakeloos (blz. 210)
- Het waren mondelinge krachtmetingen, bezwerende beurtzangen vol oneindig zich herhalende beledigingen en verwensingen, occasioneel afgewisseld met een holle lach, de imitatie van een waanzinnige dóór een waanzinnige, alles bij elkaar een woeste polyfonie voor twee gestoorde zielen die elkaar de keel wel over konden bijten, wat ze elkaar ook geregeld beloofden, maar het nalieten omdat ze niet wisten wat ze met hun tijd zouden moeten aanvangen zonder elkaar.
Tomas Lieske – Een ijzersterke jeugd (blz. 109)
- Haar borsten zullen gewaagd zijn opgebonden en besprenkeld met muskusgeur, zodat men mij zal benijden en tegelijk tijdens de feestelijke heildronk mij zal aanmoedigen haar te bespringen met de drieste moed van een bergleeuw en met de genadeloosheid van een oerrund.
Peter Middendorp – De lachende derde (blz. 162)
- Voor mijn voeten lag een dode vogel op de stenen, een merel, vermoedde ik, maar ik dacht niet dat dat iets met mij te maken had.
Bart Moeyaert – Graz (blz. 10)
- Hele ladingen toeristen van het luie soort worden er op die plek uitgestort, ze stromen de poort door, het Mausoleum in en uit, en daarna met een gids langs het fresco met de drie plagen de Dom in, om er via de westvleugel weer uit te komen, de weg omhoog te gaan, zuchtend de heuvel op, als mieren met een ei achter elkaar aan.
Bart Moeyaert – Graz (blz. 30)
- Thuis wilde hij de kwalen van de klanten niet mee naar boven nemen, en als we het aan tafel niet over klaplongen, gordelroos of glaucoom konden hebben, bleven er weinig onderwerpen over.
Cees Nooteboom - ’s Nachts komen de vossen (blz. 41)
- Taal is iets wat je erft, je bent het nooit helemaal zelf als je spreekt, ook dat helpt bij de leugen.
Cees Nooteboom - ’s Nachts komen de vossen (blz. 61)
- De Alpen zijn vandaag in regensluiers verdwenen, de bomen zijn al weer wat groener dan toen ik aan deze geschiedenis zonder verhaal begon te schrijven, ik hoor de regen op het dak en een paar vogels die daar tegenin zingen, en ben in harmonie met het universum, al was het maar omdat het er nog is.’
Cees Nooteboom - ’s Nachts komen de vossen (blz. 78)
- Drank ageert, werkt, vreet, valt aan, medische dossiers zijn ook romans.
Cees Nooteboom - ’s Nachts komen de vossen (blz. 149)
- Kom hiernaartoe wilde ik zeggen, maar ik weet niet waar hier is, en waar het ook is, er is verder niemand.
David Pefko – Levi Andreas (blz. 128)
- Ze betrad de ruimte op een manier waarop iemand een ziekenhuis in een derde wereldland in loopt: met ingehouden spanning, de hand voor haar mond, bang om geïnfecteerd te worden met een besmettelijk virus.
Rascha Peper - Zwartwaterkoorts
- De volle omvang van de armzaligheid van hun amper gedeelde bestaan was nog nooit zo helder tot haar doorgedrongen als achter dat dikke glas, waarop de vette vlekken van neuzen, voorhoofden en kussen van andere mensen kleefden.
Ilja Leonard Pfeijffer & Gelya Bogatishcheva – De filosofie van de heuvel (blz. 64)
- Het was een claustrofobisch provinciestadje met een centrum dat alleen maar niet was afgebroken omwille van de ansichtkaarten.
Vera Van Renterghem – Coke (blz. 11) (ingezonden door Inger Bos)
- Hij kijkt me aan alsof hij me moet rangschikken in een kast met bizarre boeken.
Rob Riemen – Adel van de geest, een vergeten ideaal (blz. 169)
- Waar geen vrijheid is, kan geen cultuur bestaan, maar waar de cultuur gebannen is, is alle vrijheid betekenisloos en rest slechts willekeur en trivialiteit.
Thomas Rosenboom – Zoete mond (blz. 58)
- Zo gleed het leven voorbij, gelijkmatig als de rivier, in gedurige vernieuwing die eigenlijk opeenvolging was, of vervanging, zodat er niet veel veranderde.
Thomas Rosenboom – Zoete mond (blz. 58)
- Elk jaar kwamen er nieuwe appels aan de bomen, andere appels, maar het bleven appels; elk jaar stonden er nieuwe lammetjes in de wei, maar het bleven lammetjes, en uiteindelijk gold dat ook voor de mensen, die wel stierven en geboren werden, maar voornamelijk toch hetzelfde bleven.
Philibert Schogt – Beste reiziger (blz. 35)
- We vinden het jammer hoe een traditoneel Iers vissersdorpje wordt aangetast door de yuppen uit Dublin of Cork, om even later te juichen over een pasgeopende sushibar in precies datzelfde dorpje.
Philibert Schogt – Beste reiziger (blz. 49)
- Toen ik erachter kwam hoeveel kilometer ik in volgepropte busjes over hobbelige wegen moest afleggen, door een gebied waar je niet alleen de gebruikelijke bandieten, maar ook schietgrage guerillastrijders en paramilitaire bendes tegen het lijf kon lopen, leek het me een stuk relaxter om mijn bezoek aan de ruïnes uit mijn duim te zuigen.
F. Starik – De gastspeler (blz. 191) (ingezonden door Meinbert Gozewijn van Soest)
- Een nachtcafé, dat des zomers zeer toepasselijk De nachtbraker heet, alsof je daar gewoon de zaak onder mag kotsen, De nachtbraker die zich ‘s winters De skihut noemt en daarom jaar na jaar des winters de gevel aftimmert met dezelfde ruwhouten planken, een paar kapotte ski’s erop geschroefd, het geheel afgedekt met een dikke laag spuitsneeuw.
Rosita Steenbeek – Ander licht (blz. 118)
- Het karkas van de boot in aanbouw tussen de met sneeuw bedekte stapels hout lijkt een leeggevreten walvis op Spitsbergen.
A.L. Snijders – Vijf bijlen (blz. 47)
- Er bestaan veel opvattingen over het leven, de mijne is eenvoudig: het bestaat uit herinneringen.
A.L. Snijders – Vijf bijlen (blz. 55)
- Ik kan niet schaken, ik ken de regels niet, maar ik lees er graag over, een woord als torengambiet voert me naar gebieden waar de hypotheekrente en de gereformeerde machtsovername van het land onbekend zijn.
A.L. Snijders – Vijf bijlen (blz. 163)
- Ik heb de pest aan vaders die hun kinderen niet bewonderen (die ‘kritisch’ zijn, zogenaamd om ze te harden, ‘weerbaar’ te maken – mijn grootvader bewonderde zijn twee zonen, een van die zonen werd mijn vader en die bewonderde mij, ik zou toch wel een grote klootzak zijn, zonder gevoel voor traditie, als ik mijn zonen niet zou bewonderen.)
A.L. Snijders – Vijf bijlen (blz. 486)
- Een vrolijke begrafenis maakt heel erg duidelijk dat de dood een catastrofe is.
Peter Terrin - De bewaker (blz. 72)
- Keer op keer zie ik het laagste punt van de vaas de tegelvloer naderen, en raken; ik zie hoe het gewicht van de vaas doorschiet, zoals een walvis in het water verdwijnt, een auto verkreukelt tegen een muur, tot de snelheid stokt, de eerste weerstand zich laat gelden, de breuklijnen zich door het kristal vertakken en de scherven ontstaan, die ten slotte de vorm van de vaas helemaal opheffen.
P.F. Thomése - J. Kessels – the novel (blz. 55)
- Oben Ohne heette het pittoreske toplesstentje, maar aan de zware kutstank te oordelen stond de zaak von unten ook behoorlijk open.
P.F. Thomése – J. Kessels – the novel (blz. 92)
- In ieder mens school een Duitser die je beter niet kon tegenkomen.
P.F. Thomése – J. Kessels – the novel (blz. 119)
- Vooralsnog was onze bestemming Tilburg, een prima plek om dood te zijn als je het mij vroeg, ook als je nog leefde.
P.F. Thomése – J. Kessels – the novel (blz. 156)
- Alle nieuwbouwwijken lijken op elkaar, elke doorzonwoning is ongelukkig op zijn eigen wijze.
P.F. Thomése – J. Kessels – the novel (blz. 157)
- In hun niet aflatende strijd tegen de waardevermindering hadden de altoos bezorgde bewoners hun huisjes opgepimpt tot paleisjes waar zij in hun zithoeken en aan hun huisbars de koning konden uithangen – terwijl je het bederf als het ware zag blinken in de net iets te opgepoetste deurknoppen, de gezandstraalde opritten, de pergola’s van geprepareerd fabriekshout.
Franca Treur – Dorsvloer vol confetti (blz. 32) (ingezonden door Rein Swart)
- Elkaar aanraken gebeurt verder alleen met de Jozo ertussen of de kaasschaaf, of per ongeluk.
Franca Treur – Dorsvloer vol confetti (blz. 194) (ingezonden door Giny Backers)
- Ze zegt dat ze de hele dag nog niks anders heeft gehoord dan het gefluit van de wind en het geklapper van het zonnescherm dat niet meer helemaal tot boven kan.
Franca Treur – Dorsvloer vol confetti (blz. 218) (ingezonden door Giny Backers)
- Een vitrage van uitgesneden klinkers en medeklinkers ontrolde zich in alle mogelijke combinaties, om vervolgens weer in een een heel nieuwe volgorde neer te komen op een roze jurk, een roze hoed, kruinen met stekels, revers van niet al te dure pakken, tussen kraagjes en op verontwaardigde gezichtsplooien, op de betonnen vloer, waar met steeds grotere tussenpozen weer nieuwe letters aan werden toegevoegd, tot een taal waarin slechts het mogelijke besloten lag en niets voor altijd en immer was vastgelegd.
Joost Vandecasteele - Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij (blz. 138) (ingezonden door Rein Swart)
- We laten verhalen achter als afgewerkte appartementsblokken, zetten een stap terug om te kijken of ze standhouden tegen de elementen en opvallen in de skyline tussen duizenden andere.
David Veldman – Egidius Donker ra-ra boem-boem (ingezonden door Benno Meijer)
- Toen Willem III, de laatste van de ‘oude’ Oranjes, in 1702 met paard en al struikelde over een molshoop, zijn sleutelbeen brak en tien dagen later kinderloos stierf, verschenen wij, zijn achterneven op het toneel.
David Veldman – Egidius Donker ra-ra boem-boem (ingezonden door Philomene Dewaide)
- Hij schopte zijn pantoffels uit, beklom een verrijdbare ladder, zette af, de punten van zijn ochtendjas fladderden als opgeschrikte duiven, zijn vinger raasde langs de leren ruggen, hij remde, trok een boek tevoorschijn, het boek viel open, bladzijden ratelden van rechts naar links, stof dwarrelde op – en daar stond het, zwart op wit: het einde der tijden.
David Veldman – Egidius Donker ra-ra boem-boem (ingezonden door Stefan Bijnen)
- Een paar weken voor hij Candy ontmoette, nu toch alweer een jaar of tien terug, had Johnny ontdekt dat hij langzaam maar zeker werd opgepeuzeld door vliegjes.
Anton Valens - Vis (blz. 56)
- Als je van kleur houdt, zijn containerschepen een lust voor het oog.
Anton Valens - Vis (blz. 67)
- Uit het atonale daveren van de tollende schroef en het rondgeschepte water werden zuivere, langgerekte tonen geboren, als verheven middeleeuwse koorzangen: ‘Glooooooo! Riaaaaaaah!’
Anton Valens - Vis (blz. 79)
- Ik had zin om te brullen, maar ondanks de staalfabriek om me heen durfde ik het niet, uit bezorgdheid dat een van de anderen me zou kunnen horen – dat was dan toch weer die geremdheid.
Anton Valens - Vis (blz. 125)
- Al wat ik zag was het voorbijgaande en het instabiele, het verstrijken van tijd en het verouderen, en al wat ik hoorde was monotoon suizen.
Anton Valens - Vis (blz. 128)
- Het was een eigenaardig moment, uitermate geschikt om een psalm aan te heffen, maar zoals ik al eerder heb aangestipt bevond het spirituele leven op de DH731 zich in een permanente toestand van laagtij.
Christiaan Weijts – De Etaleur (blz. 10, ingezonden door Alexander Baneman)
- Het Luilekkerland waar we in de Middeleeuwen al van droomden – met pannenkoeken die aan de bomen groeiden en gebraden ganzen die regelrecht je mond in vlogen, als in de universums van Brueghel – is hier uit het vulgaire opgestegen, aangesjiekt en gestileerd met een vleugje parisienne, besprenkeld met associaties met champagne en cognac.
Tommy Wieringa – Caesarion (blz. 116)
- De telefoonpalen langs de weg wasemen carbolineumdamp uit, op de draden zitten mussen en oeverzwaluwen als noten op een notenbalk.
Tommy Wieringa – Caesarion (blz. 247)
- Het was een trap die je niet kon afdalen zonder te denken aan een publiek dat je daar beneden opwachtte met stormachtig gejuich of een guillotine.
Tommy Wieringa – Caesarion (blz. 255)
- In het café beneden helpt de pianist het oeuvre van The Beatles om zeep.



