Suiker in de chocoladevla

Aanstaande maandag wordt de shortlist van de Libris Literatuur Prijs bekend gemaakt. Op de longlist prijkt het boek Dieperik van Leo Pleysier. Pleysier is zo’n schrijver die makkelijk aan je aandacht ontsnapt. Hij maakt niet veel publicitair lawaai. In het verleden heb ik Wit is altijd schoon (omdat dat genomineerd was voor de AKO-literatuurpijs) en De gele rivier is bevrozen gelezen. Verstilde familieromans waar de emoties opgeroepen worden door heel gewone zaken te beschrijven.

Dieperik begint op een zomeravond op de boerderij. De hoofdpersoon, Michel, een jongen nog, speelt buiten op zijn fiets, moeder zit binnen bonen te doppen, vader is uit. Over de oudere broer van Michel kom je weinig te weten, wel over de broer van de moeder, nonkel Wies, die meehelpt op de boerderij.

Tussen de vader van Michel en Nonkel Wies bestaat er behoorlijk veel animositeit. Gezamenlijke maaltijden worden in knetterende spanning doorgebracht, zeker als hij ook nog eens chocoladevla van zijn zuster krijgt voorgeschoteld.

En terwijl hij zit te smullen, strooit hij er geregeld nog een paar lepels witte suiker over uit. (Bruine suiker is voor op mijn boterham met plattekaas. Of anders voor op een bord koude rijstebrij, vaders lievelingsdessert.)
‘Er zit al suiker in hoor!’
‘Wat?’
‘Dat er al suiker in zit!’
En dus nog een lepel witte suiker. En nog een.
En nog een.

Michel kijkt op tegen zijn oom, net terug uit dienst. Vader bekommert zich nauwelijks om zijn kinderen en gaat liever roken, kaarten en drinken met zijn maten, nonkel Wies neemt de zonen om beurten mee op de motorfiets naar een plas om te zwemmen. Daar weet hij de ogen van alle meisjes op zich gericht. Michel identificeert zich met zijn stoere, krachtige oom.

Die zwemplek, vlakbij een oude steenfabriek, is het middelpunt van de vertelling, want daar vedrinkt Michel bijna omdat hij te ver het water in gelopen is. Pleysier beschrijft die verdrinking als een lange droom. Gelukkig wordt Michel gered door zijn oom die eerder boos dan ongerust is. Of beter gezegd: die zijn ongerustheid toont door boos te zijn.

Razend kwaad en helemaal over zijn toeren was nonkel Wies. En dat bleef hij toen nog geruime tijd ja. Al stak hij me op het einde, en anders dan gewoonlijk, bij het afdrogen en terug aankleden een handje toe.
‘Gaat het?’
Ik knikte en snikte van ja. Waarop hij met zijn eigen zakdoek mijn tranen bette en mijn neus en mond nog eens afdroogde.

De twee besluiten dat het voorval een geheim moet blijven tussen hen twee en vanaf dat moment is er een verbond. Dat nonkel Wies niet lang daarna bij een ruzie met de vaderfiguur toch voorgoed vertrekt, doet niets af aan dat stille verbond.

Pas veel later, Pleysier maakt een bladzijdelange haast absurdistische opsomming van handelingen die een heel leven samenvatten, op het gouden huwelijksjubileum van zijn oom en tante zal hij terugkomen op het voorval.

Veel meer gebeurt er niet. Het verhaal stelt niet zoveel voor en toch weet Pleysier, zonder stilistische krachtpatserij, een jeugdtrauma naar boven te halen en vertelt hij impliciet een hele roman. Een kleinood voor echte literatuurliefhebbers.

Coen Peppelenbos

Leo Pleysier – Dieperik. De Bezige Bij, Amsterdam, 112 blz. €16,90.

0