De boodschapper

‘Neem de volgende keer je flesje mee,’ zei Iris White in de zomer van 2007, ‘dan gaan we foto’s maken.’

Die fotosessie is er nooit van gekomen. Een maand later belde Iris’ buurman op om te zeggen dat ze overleden was. Ze was in slaap gevallen en niet meer wakker geworden.

Iris White woonde in Lewes, in het zuiden van Engeland. Telkens als ik te gast was bij haar buurman (een van mijn Britse kattenvrienden) liep ik een paar keer per dag bij haar binnen. Iris’ universum bestond uit een gemakkelijke leunstoel, een reusachtig tv-scherm dat dag en nacht de stilte verjoeg, chocoladerepen van Cadbury’s en sigaretten van Chesterfield.

Iris was de gastvrijheid zelve, en daar werd gretig gebruik van gemaakt. Haar zitkamer had iets van de wachtruimte van een dokter, er was altijd wel iemand voor je en er kwam altijd wel iemand na je.

De voordeur van haar huis stond symbool voor Iris’ gastvrijheid. Die stond altijd open, zelfs ‘s winters en ‘s nachts – zoals ik verbaasd vaststelde toen ik op een keer met de nachttrein uit Brighton arriveerde. ‘In Lewes heb je geen inbrekers,’ zei haar buurman toen ik vroeg of Iris niet bang was voor bezoekers met minder nobele motieven, ‘hier staat de tijd stil.’

Dat is waar. Misschien is Lewes wel het meest intacte stadje van Zuid-Engeland, het wemelt er van de cottages van het soort dat je tegenkomt in bladen voor orchideeënkwekers en High Tea-fanaten, regelmatig strijken er filmploegen neer op zoek naar een decor om een scherf verloren tijd te reconstrueren. Het station waar Nicole Kidman in The Hours een dramatische pruilscène opvoert (die moet doorgaan voor acteren) is het station van Lewes en de hoofdstraat figureerde in een van de laatste Dickens-verfilmingen, Oliver Twist geloof ik.

Er is nog veel meer: een middeleeuws kasteel dat een weids uitzicht biedt op de krijtrotsen die het stadje omringen, het huis dat Anna van Kleef, de vierde vrouw van wie Hendrik de Achtste zich ontdeed en die het er levend afbracht, betrok (zelfs de meubelen schijnen origineel zijn) en een reeks boekwinkels waarvan de verkopers je niet laten gaan voor ze je het verhaal van hun leven verteld hebben.

Van dit soort openhartigheid was geen sprake bij Iris White. De buurvrouw van mijn kattenvriend besprak liever de haarkleur van Victoria Beckham of de nieuwste geliefde van Prince William dan de verschrikkingen die zij in de Tweede Wereldoorlog had doorgemaakt toen Duitse bommenwerpers de Londense wijk waar zij gewoond had, Wapping, platgegooid hadden. De enige keer dat Iris White iets persoonlijks losliet was de laatste keer dat ik haar zag. In de zomer van 2007.

Ik was onverwachts naar Lewes gereisd, mijn kattenvriend zat om een catsitter te springen en ik was de enige die beschikbaar was. Een deel van mijn bagage had ik, ik zou niet langer dan vijf dagen in Zuid-Engeland blijven, achtergelaten in Londen. Daar zat ook mijn flesje bij.

Ik had Iris foto’s van mijn rode compagnon laten zien en ze was alvast begonnen om locaties uit te kiezen voor een fotosessie: naast een ingelijste afbeelding van haar vaders pub of op het bijzettafeltje, tussen de Chesterfields en de Cadbury’s. ‘En,’ knipoogde ze, ‘als ik mijn mooiste jurk aantrek dan wil je flesje vast ook wel met mij poseren.’

Maar mijn flesje lag in Londen, en dat bracht Iris in een sombere stemming. Misschien voorvoelde ze dat die foto’s nooit geschoten zouden worden. ‘’t Is toch wel heel, heel erg jammer dat je flesje in Londen is,’ zei ze wel vijf keer, duidelijk geëmotioneerd.

Maar haar mooiste jurk heb ik gezien, ze had hem aangetrokken op de dag dat ik terug ging naar de hoofdstad. Ze was naar haar tuinhekje gelopen en zwaaide me uit tot ik aan het einde van de straat linksaf sloeg.

Na haar overlijden vertelde mijn kattenvriend dat Iris sinds de oorlog nooit meer een voet in Londen gezet had. Nog tijdens de luchtaanvallen, waarbij een deel van haar familie om het leven kwam, was ze naar Lewes gevlucht, waar ze een tante had wonen. Ze besloot er het einde van de oorlog af te wachten, en dan terug te gaan.

De vrede kwam maar Iris White vertrouwde het niet. Na alle ellende die zij had doorgemaakt leek het haar niet meer dan logisch dat de koning een boodschapper stuurde om haar persoonlijk te zeggen dat de oorlog voorbij was.

De jaren verstreken, de koning werd opgevolgd door een koningin, en wie er ook bij haar binnenliep en dat moeten er honderden, misschien wel duizenden geweest zijn, de boodschapper zat er niet bij.

Aan haar voordeur heeft het niet gelegen. Die stond altijd open.

Aristide von Bienefeldt

1