Over verliezers

Over mannen is een heel goed boek. Voor degenen die In de menigte (De Geus, 2008) hebben gelezen – een immens aangrijpend verhaal over het Heizeldrama te Brussel in 1985 en het enige andere werk van Laurent Mauvignier dat in het Nederlands is vertaald – zal dit geen grote verrassing zijn. In de menigte is namelijk een verschrikkelijk goed boek. Niet erg veel Nederlandse lezers lijken van Mauvignier te hebben gehoord, hoewel de auteur in eigen land (Frankrijk) een literaire bekendheid is en verschillende prijzen kreeg voor een aantal van zijn romans. Waarom sommige boeken en schrijvers wel worden opgepikt en anderen niet, blijft in gevallen als deze een raadsel. Misschien wordt Mauvignier over vijftig jaar de nieuwe John Williams. Maar beter zou het zijn – en verdiend – wanneer hij nu al naast Stoner op het bestsellerplankje komt te staan.

Mauvignier - Over mannenDes Hommes verscheen in Frankrijk in 2009 en leverde Mauvignier zowel de de prix Virilo 2009 als de prix des Libraires 2010 op. Het boek gaat over mannen en oorlog, ‘want oorlogen worden gevoerd door kerels tegen kerels, terwijl wij, en omdat oorlogen bovendien worden gevoerd om gewonnen te worden, terwijl daar – en ook omdat oorlog altijd wordt gevoerd door klootzakken tegen de goeien terwijl er daar geen goeien waren, het waren gewoon mensen (…)’.  Daar, dat is Algerije tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954 – 1962), maar de wapenfeiten zijn eigenlijk niet zo belangrijk. De mannen, kinderen soms nog, die als ongetrainde jonge honden naar het gekoloniseerde gebied worden gestuurd en daar zowel dader als slachtoffer worden van onmenselijke wreedheden, zijn dat wel.

Deze mannen worden in het verhaal in hoofdzaak vertegenwoordigd door Bernard, Rabut en Février. De lezer ontmoet ze in het heden, in een klein Frans boerendorp, als ze een jaar of zestig zijn. Bernard, die vanwege zijn smerige lijflucht al lang geen Bernard meer wordt genoemd maar ‘Houtvuur’, is een dronkaard, platzak, woedend en ontheemd. En, zo lijkt het, of zo is het, een racist. Maar zo simpel is het niet. Want jaren geleden, in het hete Noord-Afrika, terwijl er pas een goedaardige hospik die hij kende was gemarteld en vermoord door de fellaga’s (Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders), had Bernard gedacht: ‘Hoe meer tijd er verstrijkt, hoe meer hij, zonder precies te weten waarom, van zichzelf begint te denken dat hij, als hij Algerijn was, ook een fellaga zou zijn.’ Wat brengt hem er dan toe om nu, vijftig jaar later en zonder concrete aanleiding, het huis van zijn Noord-Afrikaanse dorpsgenoot Chefraoui binnen te dringen, diens hond bijna dood te slaan en zijn vrouw en kinderen te bedreigen?

Hier wordt geen pasklaar antwoord op gegeven. In plaats daarvan gaan we terug naar 1960, naar de herinneringen van de drie mannen. Die herinneringen zijn voor iedereen, ook vrienden en familie, verborgen gebleven: ‘Blijven zwijgen, niets vertellen (…). Misschien alleen iets zeggen over de verveling en de sleur. Maar beter nog: zwijgen, doen alsof je neus bloedt.’ En dan wordt langzaamaan duidelijk hoe de mannen zijn getraumatiseerd. Mauvignier bouwt het verhaal heel goed op. Tergend langzaam soms, en slechts aan de hand van een paar incidenten die tegelijkertijd allesomvattend zijn. Ze tonen de angst van de Franse soldaten – doodsangst – die sommigen verlamt en anderen ertoe brengt om oren af te snijden, peuters te mishandelen en onschuldigen door het hoofd te schieten. Maar die angst bestaat ook aan de ‘andere kant’, bij de fellaga’s, die net zo meedogenloos zijn. Al deze mannen zijn in zekere zin verliezers: het is een besef dat in het bewustzijn van de soldaten groeit en hen wanhopig maakt.

Mauvignier geeft summiere informatie en laat de lezer langzaam tot ontdekkingen komen. Door het regelmatige gebruik van de innerlijke monoloog (enkele woorden, afgebroken zinnen, associatieve wendingen), die hij intensiveert op momenten dat de personages zich in heftige situaties bevinden, vestigt hij de aandacht op de beleving. Daardoor lijken de gebeurtenissen soms achter matglas te verdwijnen terwijl je juist wilt weten wat er in godsnaam aan de hand is. Op andere momenten worden (gruwelijke) details pijnlijk precies en opmerkelijk objectief beschreven, alsof de personages sommige zaken wel registreren maar niet (kunnen of willen) ervaren:

Eerst praten ze nog, dan zwijgen ze, ze schrapen hun keel en wisselen blikken van verstandhouding, ja, we gaan – het lichaam ligt in een vreemde houding die ze eerst niet kunnen thuisbrengen, alsof het op de zij ligt, met de rechterarm onzichtbaar en het hoofd naar achteren en opzij, alsof de kin heel ver omhoogsteekt en de keel naar voren ligt – de keel is niet opengesneden, je ziet een wijdopen mond en ogen die al zwart zijn, weggezonken in opgezwollen, bruine oogkassen, haar dat haast grijs is van het stof met allemaal zand erin, en ook zand op de strak staande huid, die vreemde, bijna gebroken kleur van de huid die nog niet gelooid is, nee, die nog niet helemaal verbrand is, want onder de huid en de vorm van de schedel kun je nog een gezicht zien, gelaatstrekken die je nog net kunt onderscheiden maar al bijna niet meer, het menselijke zou heel snel uit dit lichaam verdwijnen, maar nu is het er nog een beetje, maar het begint al een lijk te worden, zoals Bernard tegen zichzelf zegt, zoals hij meent, zoals hij bedenkt – het opzij gedraaide gezicht met de wang die zo diep is ingevallen dat hij haast een tweede mond vormt, en het overhemd waarvan de kraag tot aan de hals is dichtgeknoopt, de hand, de linkerarm die naar achteren gaat en op de borst een stukje papier vrijhoudt waarvan de onderkant zachtjes beweegt, ja, heen en weer klappert met een bijna onmerkbare beweging, en dan kijken ze beter naar de broek vol vlekken, de vlekken en de nu al vreselijke geur, en ze begrijpen wat er gebeurd moet zijn; en de hospik loopt naar het lichaam toe, hij stapt eromheen tot hij bij het bovenlijf staat.

Opvallend is ook dat Mauvignier de lezer op scherp stelt door steeds te wijzen op wat de personages niet zien, horen, doen of laten. Bernard zag niet dat hij werd gadegeslagen door een kind toen hij de hond van Chefraoui schopte. Tijdens een gevecht tussen Rabut en Bernard zijn er woorden die ze niet horen, gebaren die ze niet zien. De vrouw van Chefraoui schreeuwt niet als ze wordt aangevallen. De ontkenning wordt gebruikt als overlevingsmechanisme, een manier om gebeurtenissen het hoofd te kunnen bieden en niet krankzinnig te worden. Maar in het geval van Bernard – die na zijn terugkeer in het Franse dorpje met geen woord meer over zijn ervaringen heeft gesproken – lijkt het of de oorlog die hij wil ontkennen juist bezit van hem heeft genomen.

Marleen Nagtegaal

Laurent Mauvignier – Over mannen. De Geus, Breda, 281 blz. €19,95.

0

Reacties