Verdronken Mona Lisa

Het nieuws was schokkend: Italiaanse wetenschappers meldden dat de identiteit van de Mona Lisa binnenkort onthuld wordt. Er was sprake van beenderen in een klooster in Florence, die met verwante beenderen vergeleken moeten worden, en er werd zelfs gezinspeeld over de mogelijkheid van een gezichtsreconstructie. Behalve beenderen was er ook een schedel gevonden.

        Ik dacht aan de woorden die een onlangs overleden nostalgicus mij ooit toefluisterde: ‘Wist jij dat de maan sinds hij bevuild is met mensenvoeten vrijwel geheel uit de poëzie verdwenen is?’ Dat wist ik niet, maar het zou me niets verbazen als de maan als poetisch reveil afgedaan heeft na die invasie van 1969, vergelijkbaar met een gewelddadige verkrachting of een ramkraak. En nu staat de wetenschap dus op het punt om de Mona Lisa te ontmaskeren.

        Begrijpen jullie dan niet – had ik die geleerden willen toeschreeuwen – dat de aantrekkingskracht van de Mona Lisa alles te maken heeft met het feit dat er zo weinig over haar bekend is? Hoe moet dat straks met de verbeelding als we te horen krijgen dat ene Lisa Gherardini zich op een druilerige dag door haar buurman liet overhalen om voor zijn schildersezel plaats te nemen?

        De vraag is nu: gaat het hierbij blijven? Of krijgen we binnenkort te horen dat er een onderzoek komt naar de identiteit van het Melkmeisje, waar zomaar uit zou kunnen rollen dat zij helemaal niets met melk had, er misschien zelfs allergisch voor was. Moeten we vrezen dat journalisten de jacht openen op nazaten van de man die geposeerd heeft voor de Denker van Rodin? Opdat ze kunnen aanschuiven in een talkshow en antwoorden op de vraag hoe dat nou voelt, een afstammeling van de Denker te zijn?

        Toch is er een personage uit het land van de verbeelding die de steeds nieuwsgieriger wordende meute wetenschappers tot op de dag van vandaag een stap voor weet te blijven. Ik bedoel natuurlijk het verdronken meisje wier lichaam omstreeks de vorige eeuwwisseling uit de Seine gedregd werd.

        Deze drenkelinge heeft met haar beroemde collega uit het Louvre gemeen dat ze glimlacht, volgens de één ironisch, volgens de ander met een zekere berusting. In zijn Dagboek van Malte Laurids Brigge (1910) schrijft Rainer Maria Rilke: ‘[…] het gezicht van de jonge drenkelinge, waarvan men in de morgue een afgietsel had gemaakt, omdat het mooi was, omdat het glimlachte, omdat het zo bedrieglijk glimlachte, alsof het ingewijd was.’

        In no time groeide de verdronken Mona Lisa – in de woorden van Albert Camus – uit tot een muze met wereldfaam. In een verhaal van de Franse schrijver Jules Superveille komen we haar tegen als een verdronkene die afdrijft naar de oceaan waar ze een nieuw bestaan probeert op te bouwen met andere drenkelingen, en de Duitse auteur Muschler laat haar – in een roman uit 1934 – een tragische verhouding beleven met een Engelse lord.

        In Duitsland was de aantrekkingskracht van de mysterieuze zelfmoordenares zo groot dat een hele generatie meisjes zich met haar identificeerde. Later zou Hans Hesse hierover zeggen: ‘De verdronkene groeide uit tot een erotisch ideaal van een heel tijdperk, vergelijkbaar met Brigitte Bardot in de jaren vijftig.’

        Ook Aragon en Nabokov vergrepen zich aan haar, en in de VS werd het gezicht van een pop die door medische studenten gebruikt wordt om reanimatietechnieken mee te oefenen, gemodelleerd op haar gelaatstrekken. Bijnaam: Rescue Annie, the most kissed girl in the world.

        Een van de pogingen om haar identiteit te achterhalen heeft de schrijver Didier Blonde ondernomen, al zegt de beslissing van zijn uitgever om het relaas van zijn zoektocht – L’inconnue de la Seine – ‘roman’ te noemen, eigenlijk al genoeg. Zijn tocht die hem langs specialisten op het gebied van drenkelingen, de Bibliothèque Nationale en de Archieven van de Parijse Politie voert, lijkt te eindigen als hij op het verslag stuit van een 16-jarig meisje dat zich op 14 juni 1901 van het leven beroofde door een plons in het diepe. Ze droeg, toen ze uit het water getrokken werd, een witte bloes, een geruiten jurk, een schortje en op een zakdoekje dat ze bij zich had waren de initialen A.B. geborduurd.

        Lang zal de euforie niet duren. Deze A.B. – Adrienne? Antoinette? fantaseert de schrijver – blijkt niet in de Seine gesprongen te zijn, maar in het Canal de l’Ourcq, en hoe meer informatie hij inwint, hoe kleiner de kans wordt dat hij het mysterie ontrafeld heeft.

        Toch geeft hij niet op. De laatste zin van zijn verslag luidt: Morgen ga ik terug naar de Bibliothèque Nationale.

        En nu maar hopen dat zijn boek geen vervolg krijgt…

Aristide von Bienefeldt

1