S. Carmiggelt verhaalt in We leven nog (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1976[7] –eerste druk 1963), preciezer: in ‘Toen’, over ‘een persbijeenkomst, die was belegd door een toneelintendant uit München, naar Nederland gekomen, om een lezing te houden voor de Duitse Vereniging’ [p. 107]:

Die toneelvent uit München zat ingeklemd tussen de twee verongelijkte treurspelsmeden, die de dag van hun leven hadden. Hij was een glad heerschap en hij praatte luchtig, in de trant van: ach, al die rare verhalen over het nieuwe Duitsland… Daar was toch niets van waar. De cultuur bloeide er meer dan ooit. Vooral het toneel. ’t Was toch schande, dat stukken zoals de heren hier geschreven hadden, niet werden opgevoerd? Werk van eigen bodem nog wel. Dat ging in Duitsland anders.

Terwijl hij zó, omtsjilpt door de twee stakkers, die zich eindelijk eens geaaid voelden, aan het babbelen was, verscheen Menno ter Braak op de persbijeenkomst, als vertegenwoordiger van Het Vaderland. Het kippige mannetje zei: ‘Deze meneer heeft óók een toneelstuk geschreven,’

‘Misschien is het iets om in Duitsland op te voeren,’ riep de held, sinterklazerig. Ik hoor nog de toon van peilloze walging waarop Ter Braak zei: ‘Ich verzichte.’ Daarop prikte hij dwars door de handige vertelling van de intendant heen, door rechtuit te vragen: ‘Hoe staat u tegenover de joden?’

‘Dat is een politieke vraag, ‘ riep de man haastig. Want hij wilde er onderuit, dat was propagandistisch verstandiger.

Maar Ter Braak hield vol.

Er viel een stilte. Toen zei de man, naar de grond kijkend: ‘Ik stel mij natuurlijk geheel op het standpunt van de Neurenberger wetten.’

Nog zie ik het definitieve gebaar waarmee Ter Braak zijn vulpen opborg. Hij had genoeg voor zijn stukje.

[pp. 108-109]

Om de uitzonderlijkheid van Ter Braaks optreden te onderstrepen, heeft Carmiggelt eerder in het stukje in enkele woorden de tijdgeest geschetst:

Hitler was toen druk doende met het opbergen van joden en politieke tegenstanders, maar wie meent dat heel Nederland daarover op zijn achterste benen stond, heeft het mis. Men geloofde die gruwelijke verhalen maar half en vond Adolf eigenlijk zo’n kwaje niet.

[pp. 108-109]

Die twee ‘verongelijkte treurspelsmeden’ die de intendant flankeerden, wie waren dat, op welke Nederlandse toneelschrijvers doelt Carmiggelt hier? In ‘Toen’ staan enkele aanwijzingen: het zijn (1) mannen die (2) behoren ‘in de stad waar ik toen woonde, tot een klein, hoogst rancuneus groepje kunstenaars zonder succes’ [p.106].

(Tussen haakjes: Carmiggelts beschrijving van de heren dramaturgen is schitterend: het ene mannetje is zó enorm kippig, ‘dat hij permanent rekening houdt met een uit zijn particuliere mist opduikende muur of lantaarnpaal’ [p. 106], en schrijft lange stukken

over Borgia’s, Alexander de Grote en soortgelijke pompeuze gestalten. […] Daar geen enkel gezelschap eraan beginnen wou, verbitterde de auteur al spoedig diep genoeg om te gaan geloven dat het nationaal-socialisme de schouwburgpoort voor hem zou openrammen. Hij stond in deze dwaling niet alleen. Er liep in dat clubje nog zo’n man rond, een naïeve gorilla, gehuwd met een bijzonder klein, bedremmeld vrouwtje van goede familie, wier duitjes hij besteedde aan het in eigen beheer doen drukken van bijzonder onsamenhangende drama’s, die voornamelijk handelden over ferme streken der Germanen. Voor hem was Hitler dus helemáál gefundenes Fressen. Later, in de bezettingstijd, mocht hij wel eens wat schrijven in de NSB-pers, maar ofschoon geestelijke invaliditeit daar bepaalt [sic!] geen bezwaar was, ging zijn deerlijke verwarring zelfs dat milieu al gauw te ver.

[p.107]

)

Die twee mannen dus, ik wil weten wie het zijn.

De aanwijzingen: ze woonden in Den Haag (‘de stad waar ik toen woonde’ – toen, dat is ‘Omstreeks 1934’) en zaten achter de tafel tijdens een persconferentie die werd bezocht door Menno ter Braak ‘als vertegenwoordiger van Het Vaderland’.

Ga ik nu mijn speurtocht beginnen met het doornemen van de Vaderland-artikelen van Ter Braak uit de jaren 1933-1935.

(wordt vervolgd)

Karel ten Haaf