‘Ik weet wel: er is meer dan decor’

Weken geleden las ik de debuutbundel van Anne Broeksma, regen kosmos kamerplant, voor het eerst. Toen wist ik me eigenlijk al geen houding te geven ten opzichte van de gedichten en op dit moment weet ik nog steeds niet wat ik van deze bundel vind. Broeksma’s poëzie houdt me bezig, zit me op een bepaalde manier dwars zonder irritant te worden.

In wat volgt hoop ik helder te krijgen wat er in deze poëzie gebeurt en waarom ik er nog steeds over peins, te beginnen met het openingsgedicht: ‘Jungle’. Zoals zo vaak is ook dit eerste gedicht exemplarisch voor de hele bundel. Het gedicht bestaat uit zeven zinnen en al die zinnen roepen verschillende emoties op en getuigen van een uiteenlopende stijl:

Achter een plant zit een beest

dat schichtig is, het schudt de kop.

We zijn nu in de jungle van ons leven.

Er is een vrouw die dansen moet.

De armen zoeken omwegen omhoog,

het lukt de kijker niet dit te begrijpen.

Verbeeld je in een rol die past bij de omgeving.

Simpel, blootsvoets.

Het roffelhart dat nadert klinkt versleten.

De eerste zin is tot de komma zwak, daarna sterk. Er zit iets tautologisch in ‘Achter een plant’ en ‘schichtig’. Dat het beest de kop schudt, zou in principe niet of maar voor een klein deel zichtbaar moeten zijn. Het zinsdeel ‘het schudt de kop’ is ook een krachtige formulering, omdat er een bepaalde distantie uit spreekt. De volgende zin (versregel drie) contrasteert sterk met de vorige. In plaats van een schuchter beest hebben we hier te maken met een ‘we’ (man en vrouw?), boordevol joie de vivre. Althans, dat lijkt zo, maar kan de jungle gekoppeld worden aan een positief levensgevoel? Een uitgestrekte bosvlakte kan juist ook erg decimerend en angstig werken – waardoor die ‘we’ niet eens zoveel verschilt van het schichtige beest (dat zich tenminste verschuilt).

Regen kosmos kamerplantDe vierde versregel is zwakker, want wie is die vrouw? Is dat één uit die ‘wij’? Waarom moet ze dansen? Versregel vijf en zes zijn weer sterker: het herhalende ‘om’ in ‘omwegen omhoog’ werkt goed en (let op de formulering: die is dicterend) de kijker kan inderdaad niet begrijpen wat de vrouw doet tijdens het dansen en waarom ze dat doet. Dan een aanwijzing van de dichter: ‘Verbeeld je in een rol die past bij de omgeving.’ Zoals het schichtige beest, zoals die ‘wij’. Dan twee woorden, cues zijn het. De laatste zin vind ik misschien wel het meest interessant, omdat het een mysterieuze zin is. Trommelend en kloppend en toch versleten.

Ik ben diep op dit eerste gedicht ingegaan om te onderzoeken wat Broeksma nu precies doet in haar werk. Er spreken verschillende tonen uit deze versregels en het is moeilijk de signalen op te vangen. Op het ene moment is het triviaal, het andere moment sinister, dan weer stellig, sober of raadselachtig. Dat is in de rest van de bundel niet anders. Zo is Broeksma soms absurd (‘Elke keer dat ik denk belangrijke onderwerpen gevonden te hebben / ben ik verplicht mijzelf te knijpen’), dan weer liefdevol (‘ik weet hoe je slaapt nu / zoals je altijd aan het eind / van een dag wenst te slapen’), surrealistisch (‘soms hoorde ik een blaf achter de huizen’) of anekdotisch:

De trein komt Utrecht Centraal binnenrollen.

Op een zuil staat ‘blazende veiligheid’

als reclametekst voor tuinmachines

van een specifiek concern.

Die verscheidenheid aan emoties en stijlen levert een dynamisch geheel van gedichten op, maar zorgt er tegelijkertijd voor dat er een bepaalde mate van vrijblijvendheid aanwezig is die in sommige gevallen de dynamiek niet ten goede komt en uitmondt in onevenwichtigheid. Zoals het laatstgenoemde citaat dat de eerste strofe is van het gedicht ‘We communiceren in slecht uitgewerkte reflexen’, een titel die in tegenstelling tot de alledaagse eerste vier regels een filosofische reflectie op communicatie suggereert. Dit komt op een even banale manier terug in de laatste strofe, terwijl juist die versregels ook een kwetsbaarheid en vertedering laten zien:

Ik weet wel: er is meer dan decor,

er is een wereld met een heleboel belangrijks erin.

Er zijn redenen ons bed te verlaten,

zolang we maar op zachte voeten terug kunnen keren.

Zolang we maar de levens kunnen simuleren van mensen

die accepteren dat er een afloop is.

Het dichter-ik weet wel dat er belangrijke essenties en zorgenkindjes zijn in de wereld en dat er daarom redenen zijn ons bed te verlaten (let wederom op de formulering: onpersoonlijk, en daardoor een directe relativering en ironisering van wat in de voorgaande regel staat), maar het belangrijkste is om ons daarna weer te verschansen in het bed. Zolang we anderen (hoezo meer dan decor?) die de eindigheid geaccepteerd hebben, maar kunnen nadoen. Hier is opzet in het spel, terwijl er in de titel ‘reflexen’ staat, een niet bewust te sturen beweging. Het zijn elementen die niet op elkaar aan lijken te sluiten, terwijl dat in eerste instantie wel zo lijkt, paradoxaal genoeg.

Spijtig genoeg is het niet in elk gedicht zo. Het gedicht ‘Vogelbekdier’ is quasi-serieus en terloops. De openingsregel ‘Hedenavond zwom er in mijn oog een vogelbekdier’ is niet erg spannend, ook al is de beeldspraak ‘in mijn oog zwemmen’ geestig vanwege het absurde karakter. Het hele gedicht over het vogelbekdier is eveneens absurd, maar het is minder steekhoudend dan eerder genoemde voorbeelden. Vooral ‘Het vogelbekdier is een onhoudbare situatie’ komt nietszeggend over. In dit gedicht is weinig merkbaar van de afwisseling tussen balans en labiliteit waar Broeksma doorgaans veel mee speelt. ‘Vogelbekdier’ hangt teveel op één toon, één emotie.

Soms vind ik die onevenwichtigheid storend, zoals gezegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de titel van de bundel. Het bekt wel, maar de moeilijk te raden verbintenis tussen de woorden is te vrijblijvend en ook wat wuft. Ik ondervond hetzelfde bij de formele tweedeling van de bundel: in de ene helft worden de gedichten met hoofdletters en punten geschreven, in het andere deel niet. Misschien moet dat een verschil in stijl suggereren, maar dat verschil is verder niet merkbaar. Het ene deel is namelijk niet meer anekdotisch of absurder dan het andere. Daarom snap ik de keuze voor deze stijlbreuk niet.

Toch acht ik die onevenwichtigheid (en onvermijdelijk ook de balans) op het niveau van de zin als zeer geslaagd. Het schuurt, haakt zich vast in het hoofd en blijft hangen, jengelend om een herlezing, zoals de fenomenale regel ‘vreemd hoe we onverschillig welkom zijn’. Het spel tussen deze woorden komt in eerste instantie als wispelturig frivool over, maar demonstreert tegelijkertijd een zorgzaamheid voor het alledaagse, het thuis en de mens om te ontkomen aan het onraad dat onafwendbaar op de loer ligt.

Obe Alkema

Anne Broeksma – regen kosmos kamerplant. Atlas/Contact, Amsterdam, 58 pagina’s. € 17,99.

0

Reacties