Af en toe duikt de waanzin op in de verhalen en romans van Arthur Japin en er is een autobiografische reden voor. Bert Japin, de vader van Arthur werd een tijd verpleegd in een gesloten inrichting. Daarover schreef zijn zoon enkele verhalen. In ‘Laatste vertrek’ uit de verhalen bundel De vierde wand beschrijft Japin een bezoek aan zijn vader. Naast alle ellende is er ook een lichtpuntje: de jongen die een orkest was.

Meestal begon hij meteen eenvoudig stuk voor een of twee instrumenten. De lucht die hij door zijn linkermondhoek naar buiten perste, werd dan bijvoorbeeld een hobo, terwijl zijn kopstem als viool meeneuriede. Op deze manier ving hij eerste de aandacht om dan, wanneer zijn toehoorders over de eerste verwondering heen waren, telkens een nieuwe partij toe te voegen. Een fagot uit de andere mondhoek begon een tegenmelodie, waarna een tuba, die diep uit zijn longen leek te komen, de harmonie voltooide. Het klikken van zijn tong, het tappen van zijn voeten, het roffelen van zijn vingers ondersteunde het muziekstuk, dat langzaam aanzwol tot het orkest op volle sterkte scheen te zijn; maar telkens als je dacht dat het onmogelijk was om uit een lichaam nog meer geluid te halen, hoorde je toch weer een pauk of cimbaal.

Als geen ander wist hij zijn publiek te bespelen, en hij voerde het behendig van de ene verbazing naar de andere. Hij was nauwelijks twintig en virtuoos. In een ander leven had deze jongeman een internationale carrière kunnen hebben.

De twaalfjarige Arthur loopt er graag achteraan. De jongen die een orkest in zijn eentje was belichaamt voor hem het idee dat je binnen een gegeven situatie iemand anders kan zijn, als je je verbeelding maar vrij laat. Die verbeelding is de enige ontsnapping uit een grauwe, akelige werkelijkheid.

Meer dan 10 jaar later komt de jongen die een orkest was opnieuw terug, nu in Vaslav. In het derde deel van de roman is Romola aan het woord. Zij gaat met haar dochtertje Kyra op bezoek bij haar man die in een inrichting in Kreuzlingen zit.

Kyra’s kinderlijke zorgloosheid maakte de zondagmiddagen luchtiger en ook voor Vaslav draaglijk. Hij introduceerde haar bij de enige vriend die hij op de afdeling gemaakt had, een jongen van een jaar of achttien die scheen te denken dat hij een orkest was, want hij liep de gangen op en neer, zichzelf dirigerend. Daarbij bracht hij muziek voort, inventief en eigenaardig, uit alle hoeken en gaten van zijn eigen lichaam. Eigenlijk was het virtuoos. In een ander leven had hij er in het vaudeville beroemd mee kunnen worden, maar zoals het was bracht hij zijn meerstemmige melodieën zoemend en piepend, fluitend, trommelend en knarsend voor een publiek van zotten dat er niet van op- of omkeek.

Kyra en Vaslav gaan natuurlijk achter hem aan ‘alsof het circus in de stad was en zij meeliepen in de cavalcade’.

Gekte spelen kan uitkomst bieden in benarde situaties. Dat blijkt uit het verhaal ‘De Goudkust’ uit diezelfde prachtige bundel verhalen De vierde wand. Japin is bezig met de research voor De zwarte met het witte hart en wordt in Ghana ergens in een lemen hut opgesloten. Hij weet zich te bevrijden, maar komt dan terecht in een gevecht met drie aanvallers.

Omdat ik meer angst voel dan mijn aanvallers ben ik onberekenbaarder dan zij. Ik speel mijn allerzotste scène. Ik sla en trap om me heen alsof ik precies weet wat me te doen staat. Mijn reflexen komen niet voort uit enige ervaring, maar uit een mengelmoes van lang vergeten indrukken. Grepen uit oude gangsterfilms pas ik toe, charges uit kostuumdrama’s en een sprong uit West Side Story, je kunt het zo gek niet bedenken of ik blijk het paraat te hebben. Al met al lijkt het ongetwijfeld meer op Tom & Jerry, maar de waanzin werkt.

[…]

Als ik nummer drie weer overeind zie komen, voel ik dat het een verloren zaak is. Ik doe wat ik nog kan. Ik schreeuw. Ook dat doen ze in films. Het gaat vnzelf. Ik hoor mezelf krijsen en tot mijn verbazing werkt dat. Even is iedereen van slag. Eén tel, maar lang genoeg om me los te maken. Dan schreeuw ik opnieuw. Luider. Ik span mijn middenrif en zet mijn flanken uit. Jaren heb ik geoefend om boven een symfonieorkest uit het schellinkje te kunnen bereiken. Eindelijk komt het van pas, ik brul als een Walküre.

En zo weet Japin te ontsnappen aan zijn belagers. Gekte is soms een bevrijding.

1