Zo’n twintig jaar geleden chauffeerde prozaschrijver en dichter Hans Plomp mij met een razende rotvaart door Amsterdam. Geen idee meer waarom, ik denk dat hij me na een optreden van de zaal naar het station reed. Misschien racete Hans daarom wel zo, bedenk ik me nu, om mij op tijd voor de laatste trein naar Groningen te kunnen afzetten.

We kregen het over de dichter Leo van der Zalm, die was dus ongetwijfeld ook aanwezig geweest bij het inmiddels door mij vergeten literaire gebeuren.

(Voor wie de in 2002 op zestigjarige leeftijd overleden Van der Zalm nooit gekend heeft: hij was een uiterst beminnelijke man, maar tevens een laat ik vriendelijk zeggen nogal morsig type – hij was duidelijk niet overtuigd van het nut van een dagelijks bad en zag eruit als de archetypische alcoholistische zwerver, met groezelige welhaast vervilte wilde baard en in de snor gele nicotinevegen van het kettingroken.)

Leo van der Zalm had mij aangeboden dat ik wel bij hem op de boot kon overnachten, een aanbod dat ik vriendelijk had afgeslagen, licht huiverend bij de gedachte aan de slaapzak die hij mij zou lenen. Hans begreep wel waarom: ‘Dat je jezelf dan na het wakker worden met een zuigend geluid uit die slaapzak moet bevrijden.’ We giechelden allebei en leken daarmee niet te kunnen ophouden – waarschijnlijk had ook ik geblowd, anders kan ik dat aanhoudende gegniffel niet verklaren.

Hans vertelde dat hij niet lang daarvoor Leo van der Zalm een keer in de auto had gehad. ‘En opeens moest hij vreselijk nodig poepen. Hij kon het echt niet meer ophouden, zei hij, dus ik zette de wagen stil voor een ingang van het Amstelpark. Leo schoot de bosjes in. Ik rookte een pijpje. En ik rookte nog een pijpje. Hij bleef maar weg. Het duurde en duurde en na ongeveer een kwartier dacht ik: laat ik even kijken waar hij blijft. Dus ik de bosjes in, en na drie meter zag ik hem al zitten. Op zijn hurken, broek op de enkels, de normale schijthouding dus. Ik vroeg: “Ben je nou nog niet klaar?” “Jawel,” zei Leo, “maar ik kan niet overeind komen. Elke keer als ik wil gaan staan voel ik een snerpende pijn in mijn onderbuik.” Ik keek nog eens goed en merkte op: “Geen wonder dat het zeer doet wanneer je omhoog gaat; je zit met je hakken op je zak.”’

Brullend van de lach als twee halvegaren scheurden we slingerend door Amsterdam.

Meestal hou ik niet van moppen, gaan ze het ene oor in en het andere uit zonder een spoor na te laten, maar deze door Hans Plomp gepersonaliseerde versie ben ik nooit vergeten – niet alleen omdat ik tot aan de laatste zin dacht dat het om een waargebeurde anekdote ging, maar ook omdat hij Leo op het lijf geschreven leek, de persoon van de dichter meesterlijk typeerde.

(De blijkens zijn werk nogal oosters angehauchte Leo van der Zalm is inmiddels vrijwel vergeten. Niet helemaal terecht, en daarom als – hernieuwde? – kennismaking met zijn uitsluitend nog antiquarisch te verkrijgen bescheiden oeuvre hier een gedicht uit Eenhoorns onder andere (In de Knipscheer, Amsterdam 1992):

WEG MET DE INKT

Niet het papier, dat zojuist is beschreven

met heel veel zinnen van danig belang

is het waard om nog langer te worden bewaard

maar het blad eronder, dat van de regels

enkel de indruk van wat op me drukte

nalaat in de vorm van wat witte schaduw.

[p. 23])

Nog altijd is Hans Plomp een smakelijk verteller. Dat bewees hij afgelopen zaterdag op het podium van het Viadukt in Groningen, waar hij een prachtige anekdote ophaalde die naar hij mij verzekerde wel waar gebeurd is – en die ik bewaar voor over veertien dagen.

Karel ten Haaf