De warme taal van het verlies

Nederlandse poëzieminnaars kennen Isfahan vooral van het iconische, alweer 93 jaar oude gedicht ‘De tuinman en de dood’ van P.N. van Eyck. Maar het is ook de geboorteplaats van de Nederlandse dichter Nafiss Nia – die in haar recente bundel trouwens naar het gedicht van Van Eyck verwijst. Op het achterplat van die bundel, 26 woorden voor schoonheid, roemt K. Schippers haar werk met: ‘Wat een voordeel dat het Nederlands bij Nafiss Nia terecht is gekomen.’ Dat klinkt wat paradoxaal, maar het is een overweging die de spijker op zijn kop slaat. Natuurlijk, Nia is zelf op haar 24ste vanuit Iran naar Nederland gekomen. Maar de bloemrijke taal en woordenschat die zij toen al bezat, is hier door ‘het Nederlands’ omarmd. 

Ik kom uit een taal waar schoonheid
zesentwintig synoniemen heeft,
waarin het bijvoeglijk naamwoord
de ongekende koningin van grammatica is.
Je kunt alle namen in de natuur kiezen
voor je kinderen en er is niemand die
namen als oever, loot, regen, tros,
tijd, hert, dauw, moedig en vreugde
overdreven of vreemd vindt.

Ik ben waardevol
narcis, lief, pioenroos en schoon zijn mijn zussen
mijn moeder is zuiver, mijn vader tevreden
mijn broers zijn groot en klein
we zijn de nakomelingen van Venus
en als je denkt dat ik gek ben of onzin praat
kun je gerust in mijn geboorteakte duiken.

Eigenschappen, namen, voorbeelden en metaforen lopen door elkaar heen om de mensen te beschrijven die haar lief zijn. Dat is geen Nederlandse poëzie, maar Nia’s beeldende taal die van het Nederlands gebruik maakt. Pas in de laatste twee regels herkennen wij, lezers, het vaderland. De simpele constatering dat we een objectief bewijs eisen voordat we in al die onzin meegaan, tekent een geest die poëtisch gezien nog in de kinderschoenen staat. 

Veel gedichten in 26 woorden voor schoonheid staan, de titel van de bundel negerend, in het teken van een tragisch verlies. Is het een geliefd familielid, een goede vriend, een geestverwant? Of is hij een metafoor voor iedereen die er (althans: hier) niet meer is?

Niemand lijkt vandaag jarig te zijn, het knopje
aan en uit van de wasmachine is stuk
en
de rode kaart met een witte paraplu erop
die je me vorig jaar stuurde is natgeregend
en
ik zit aan de koffie en wacht
op de postbode met goed nieuws
en
al heb ik je spoor op de mooiste stoel in mijn
kamer niet afgestoft, je komt niet terug
en
wat is het leeg om alleen
met je digitale foto’s te moeten leven.

De bundel bestaat uit vier delen die respectievelijk ‘Winter’, ‘Herfst’, ‘Zomer’ en ‘Lente’ heten en zo een reis terug in de tijd suggereren. Ik kreeg even de neiging om de bundel van achter naar voor te lezen, maar dat heb ik niet gedaan. Het staat er immers zoals het er staat, nietwaar? Toch schemert er een zekere terugkeer naar een beter verleden door de bundel. De twee hierboven geciteerde gedichten komen uit ‘Winter’ (‘Niemand lijkt vandaag…’) en uit ‘Lente’ (‘Ik kom uit een taal…’) en ze beschrijven inderdaad een huidig gemis tegenover een bloemrijk, relatief gelukkig verleden. In ‘Zomer’ beleven we de vlucht uit dat idyllische landschap. ‘Weggaan is een gok / die aan de spijker van angst hangt’. Ook de reden voor de vlucht blijft niet onvermeld: 

Goed dat je niet weet wat het is
mensen levend te begraven
de prijs van het paradijs
van een geladen geweer op je achtste
van volwassen worden in een hel.

Het is de eerste strofe van het enige gedicht met een titel. ‘Voor William’ heet het en het verwoordt de gevoelens van een niet genoemde ik-figuur voor een kind dat het verdriet van het verleden gelukkig niet kent.

Een ander belangrijk thema in 26 woorden voor schoonheid – ik stipte het hierboven al even aan – wordt gevormd door taal, verhalen, poëzie. Dat komt bijvoorbeeld sterk naar voren in een gedicht over ‘Shahrzad’, zoals Nia de verhalenvertelster uit duizend-en-een-nacht aanduidt. In dit klassieke verhaal wendt de vertelster de literatuur aan als overlevingsstrategie, iets wat de ik-figuur in het gedicht ook maar al te graag zou willen.

En als ik mocht kiezen waar ik
wilde wonen, zou ik voor een huis
kiezen aan de gracht die haar naam
van de bloem leent en aan de dichter geeft.

Hier komen de motieven taal en poëzie mooi samen. Niet alleen door die dichter, maar vooral doordat het woord ‘bloem’ op geheel Iraanse wijze tot naam wordt, conform het eerste gedicht dat ik citeerde. En het bijzondere is dat ‘het Nederlands’ hier op een alleraardigste manier zijn medewerking aan verleent. Wij kennen immers zo’n gracht.

Ik ben geen Shahrzad en geloof
al heel lang niet meer in sprookjes
maar woon dicht bij de gracht
die Bloem heet en Bloem baart.

Nou hebben wij toevallig ook een dichter die Bloem heet, twee zelfs! Maar het is juist zo mooi dat de naam van die gracht niets met beide heren te maken heeft. De naam is ‘gewoon’ uit de natuur gekozen en is slechts door associatie op talloze manieren met poëzie te verbinden. Maar intussen heet die gracht wel zo, en nodigt daarmee het gedicht uit om erop voort te borduren. Tot in lengte van jaren, eeuwen wellicht. Het gedicht eindigt namelijk nogal hoopvol:

Ik ben geen Shahrzad, maar ook ik stel
mijn dood uit met verhalen vertellen.

26 woorden voor schoonheid is een mooie bundel met wonderlijke, soms sprookjesachtige, vaak toch ook realistische universele poëzie die in elke taal tot zijn recht zou komen. Maar gelukkig heeft het Nederlands zijn kans gegrepen.

Jan de Jong

Nafiss Nia – 26 woorden voor schoonheid. Uitgeverij Orlando, Amsterdam. 64 blz. € 20,00

3