Job had gouden handjes. Geluidsapparatuur, modeltreintjes en houten zeilboten glunderden onder zijn scheppende handen. Na de dood van zijn vrouw had Job ook veel dorst. Als hij kwam logeren, moest er altijd eerst kwartier gemaakt. Dat was zo gebeurd: een fles cognac op de verwarming met bijpassend glas volstond. Job woonde in Rotterdam, wat in mijn kinderogen aan zijn drankzucht een grootstedelijke legitimiteit verleende. Zijn huis was een rommeltje, maar hij bakte uitstekende spiegeleitjes en zorgde goed voor zijn kat.