Op zee

Geen enkel personage in Doggerland heeft vaste grond onder de voeten. Letterlijk niet. Ben Smiths dystopische debuutroman speelt zich namelijk geheel af op zee, of om precies te zijn: op een immens windmolenpark op de Noordzee. En personages: daar zijn er niet zo veel van in Doggerland. Alleen maar de jongen en de oude man.

De jongen was natuurlijk niet echt een jongen, net zomin als de oude werkelijk zo oud was; maar namen zeggen niet zoveel, en te midden van alle grauwheid was het nodig om iets van een onderscheid te maken.

De jongen en de oude man zijn door het Bedrijf aangesteld als onderhoudsmonteurs van een zieltogend windmolenpark: verroeste turbines, doorgebrande motoren, verbogen rotorbladen. Veel van de molens zijn defect. Ook de vader van de jongen was samen met de oude man werkzaam op het windmolenpark, maar hij verdween met de noorderzon. Omdat hij zijn plicht verzaakte, moet nu de jongen het contract met het Bedrijf uitdienen. Waarom dat zo is, maakt de auteur niet duidelijk. Wel is het zo dat het Bedrijf een machtige organisatie is die alles controleert en geen tegenspraak duldt. De enige andere persoon die af en toe opduikt is de stuurman, die met een zekere regelmaat de jongen en de oude man bevoorraadt, maar ook een handeltje in gestolen windmolenonderdelen met de oude man heeft. De oude man wil niets over de vader van de jongen loslaten, maar de stuurman licht wel een tipje van de sluier op. De lezer krijgt echter niet veel te weten, en het lijkt erop dat de auteur het ook niet weet. Een minpuntje.

Natuurlijk brengen de jongen en de oude man grote delen van de dagen door in ledig- en lamlendigheid. Hun dialoog is beperkt tot korte, afgestompte zinnen.

‘Ik doe ’t rustig aan,’ zei de oude man.
‘Die meter heeft kuren.’
‘Ik doe ’t rustig aan.’
De jongen ging naar binnen en sloot de deur achter zich. ‘Hoe ver is ’t naar de volgende klus?’
De oude man gaf geen antwoord.
‘Er staan nog vier windmolens op de lijst.’
‘We hebben vandaag al genoeg gedaan.’
‘We hebben nog niks gerepareerd.’
De oude man tuurde weer door de ruit. ‘We hebben wat we nodig hebben.’

Met dit soort dialogen maakt Smith zijn roman sterk. De nutteloosheid en het defaitisme druipen ervan af. De oude man komt alleen maar in beweging door de bodem af te zoeken naar overblijfselen van een verloren, verdronken beschaving: Doggerland, het land dat tijdens de ijstijden Engeland verbond met het continent. De jongen op zijn beurt gaat op zoek naar de grenzen van het onmetelijke windmolenpark, op zoek naar een vluchtmogelijkheid. Dit zijn eveneens sterke delen van Doggerland: de beschrijvingen van de zee, de roestige windmolens, de wind en de luchten:

De lucht werd bruin en schemerig, als water dat te lang in een emmer heeft gestaan.

Uiteindelijk blijft alles bij het oude: in de openingsscène zit er niets aan de vishaak van de jongen; de roman sluit op dezelfde wijze af. Terug bij af. Ben Smith is niet alleen schrijver hij is ook zeebioloog, met als opdracht bewustzijn voor de natuur – of beter: de vernietiging daarvan – onder de aandacht te brengen. Met Doggerland is hij daar zeker in geslaagd.

Wiebren Rijkeboer

Ben Smith – Doggerland. Vertaald door Kees Mollema. Atlas Contact, Amsterdam. 254 blz. € 19,99.

1

Reacties