Woordwoeker en herhalingen in gebundelde ‘esseejs’

Voor Willem Frederik Hermans was het laatste van de jaren 70 – ondanks het uitblijven yan de al zo lang aangekondigde roman – een goed jaar. Niet minder dan drie boeken van zijn hand zagen het licht: in het voorjaar Houten leeuwen en leeuwen van goud, in de zomer Scheppend nihilisme, de bundel interviews waarvan zojuist de tweede druk verscheen, en nu, in het, najaar: Ik draag geen helm met vederbos. Het is in bepaalde opzichten het tweelingboek van Houten leeuwen: de titel is ontleend aan het werk van een historische literator (Houten leeuwen: De Schoolmeester; Vederbos: Lodewijk van Deyssel), de typografie is identiek en de inhoud vertoont overeenkomsten: een mengeling van journalistiek en polemiek. De meeste stukken zijn afkomstig uit NRC Handelsblad en Het Parool; de stukken uit laatstgenoemde krant werden geschreven onder het pseudoniem Age Bijkaart.

Op de een of andere manier is deze vierhonderd bladzijden tellende pil de mindere van Houten leeuwen. Werden in dat boek stukken gebundeld die ontstonden in een-periode van twintig jaar, nu is alles van recenter datum. Hierdoor ontbreekt het gevoel van: dus zo dacht Hermans er toen ook al over. Nu overvalt de lezer vaak de gedachte: ja, ja, nu weet ik het wel. Natuurlijk schrijft Hermans weer over ‘Nederlands verrotting’, natuurlijk ‘moeten Jan Pronk, Wim Kok en steeds dat anonieme ‘Links’ (blz. 256) er weer aan geloven. Zo scherp als in de vorige bundel met ‘ – zo noemt de schrijver het genre zelf – wordt Hermans hier nooit. Zijn stijl lijkt minder trefzeker, en zo dodelijk als in Mandarijnen op zwavelzuur wordt hier niemand getroffen.

Ik heb de indruk dat de artikelen in Ik draag geen helm met vederbos bij de selectie voor Houten leeuwen zijn blijven liggen. Behalve enkele portretten – onder meer van Van Deyssel, Céline, curieuze Fransen; verrassend vind ik ook het stuk over Twee Indiase romans – lijkt dit werk, na het eerste boek van deze tweeling, een duidelijke tweede keus. Deze indruk wordt bevestigd door bepaald slordige passages in de tekst.

Wat het meest opvalt, zijn de eindeloze herhalingen, die soms worden ingeleid met formules als: ‘zoals gezegd’ (blz. 111), ‘als gezegd’ (blz. 119,237), ‘zoals ik al vertelde’ (blz. 281), maar vaak ook niet. Op één bladzijde (54) lezen we: ‘De literatuurwetenschap is misschien bij machte om b.v. een al lang bestaande romansoort te beschrijven, maar absoluut niet om aan te geven hoe een nieuwe romansoort geschreven moet worden, […] de literatuurwetenschap beschrijft wat geweest is en geeft geen voorschriften’ en: ‘Terwijl vaststaat dat zij niet beschrijft wat komt, maar hoogstens wat er al is.’

Nog een voorbeeld: ‘Toch heb ik vaak genoeg een ruim aantal uren in zijn gezelschap doorgebracht. Als hij voor een studentendispuut in Groningen een lezing hield, liet hij me dit weten en spraken wij elkaar’ (blz. 85). Een paar bladzijden verderop in dit stuk over Bordewijk, waarin Hermans onder meer uit enkele brieven citeert, staat: ‘Dit is toch wel merkwaardig, omdat ik hem minstens tienmaal langdurig gesproken heb’ (blz. 89). Op bladzijde 283 wordt gezegd: ‘Sommige bewonderaars van Atget kun je razend maken met deze opmerking’. Vier bladzijden later heet het: ‘Je kunt zijn bewonderaars niet tot groter razernij brengen dan door dit laatste staande te houden’.

Tot de categorie woordwoeker hoort ook de zinsnede: ‘Deze film, het is een film in kleuren’, die bovendien overbodig wordt als later wordt meegedeeld: ‘Alleen al door een kleurenfilm te zijn, is Pastorale 1943 een anachronisme.’ Is dat wel zo, trouwens?

Misschien dat in een krantenpublicatie dergelijke herhalingen niet zo in het oog springen, maar als een groot aantal van die publicaties wordt ge-bundeld tot boek, worden ze hinderlijk. Moet Hermans dan zoveel moeite doen om aan drieduizend woorden te komen (de gemiddelde lengte van zijn bijdragen aan NRC Handelsblad)? Moet in dit licht ook het belgicisme ‘op het punt staan van te trouwen’ (blz. 266) worden bekeken? Een ‘auteur’ waarvan’ in plaats van ‘van wie’ is ook verkeerd: hier heeft de schrijver zich. juist weer een woord tekortgedaan (blz. 130).

Dat ik over deze dingen val, komt, denk ik, omdat de ideeën die W. F. Hermans in dit boek ontvouwt niet zo interessant zijn. Vuurwerk ontbreekt. Niemand zou ervan wakker gelegen hebben als de nu gebundelde stukken in de archiefmappen waren blijven zitten waarin krantenstukjes nu eenmaal onvermijdelijk terecht komen.

Frank van Dijl

Willem Frederik Hermans – Ik draag geen helm met vederbos. De Bezige Bij.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in Het Vrije Volk, 21 december 1979.

0

Reacties