Tijdens mijn studie Nederlands las ik heel wat dichtbundels die tot de zogenaamde canon behoren. Ik had destijds nog weinig ervaring met poëzie en vond de meeste werken weinig boeiend. Soms veranderde dat na een college van de geestdriftige docenten, maar meestal verdwenen de bundels na het tentamen in mijn boekenkast, om er stof te vergaren.
Tien jaar later lees ik regelmatig en met veel plezier de poëziebundels die vandaag de dag verschijnen. Van de werken uit de canon heb ik voor mijn gevoel echter slechts een globale indruk. In deze reeks herlees ik daarom enkele klassiekers van de Nederlandse twintigste-eeuwse poëzie, waarbij ik mezelf de vraag stel in hoeverre het werk me nu wél aanspreekt, en of de gelauwerde verzen van beroemde dichters de tand des tijds hebben doorstaan. In deze alweer derde aflevering ruim baan voor de vaandeldrager der Vijftigers, oftewel Lubertus Jacobus Swaanswijk, beter bekend als Lucebert.

lucebert – de amsterdamse school (1952)

Mijn originele exemplaar van deze bundel, verschenen in 1952 bij uitgever a.a.m. stols te ’s-gravenhage, valt van ouderdom uit elkaar: tijdens het herlezen liet de achterflap los. Het vale papier zit vol vouwen en vochtvlekken, waardoor de sympathieke antiquair nog iets van de prijs afdeed. Desalniettemin viel me tijdens het doorbladeren vooral op hoe modern deze gedichten in bepaalde opzichten nog altijd zijn. Zes decennia na dato inspireren Lucebert en consorten nog altijd hedendaagse dichters, met hun nadruk op verklanken en onnavolgbare beeldspraak. Anderzijds leest deze poëzie ook als een kind van de jaren vijftig in Amsterdam.

Het is niet eenvoudig de gedichten van Lucebert van specifieke duiding te voorzien, maar ze karakteriseren is een eerste stap naar betekenis, al maalden de Vijftigers daar zelf allerminst om. Waar het bij Elsschot en Vasalis vrij duidelijk is wat ze de lezer willen vertellen, hulde de nieuwe school zich opzettelijk in nevelen. Neem nu de volgende passage uit het gedicht ‘VII’:

Het is zonder de wegen de betekenis
Zo te zijn uitgestoken
Ontstoken handen hoofd en handen
Opgeteld en opgetekend
Lege spiegels in de lege ruimte
Waarin de sneeuw de sneeuw verduistert

Dit is het soort poëzie waar scholieren gillend voor wegrennen: regels die qua syntaxis rare sprongen maken en ook op semantisch niveau niet logisch op elkaar aansluiten. Veel lezers keren zich daarom, zowel destijds als tegenwoordig, af van ‘onbegrijpelijke’ gedichten die op hen overkomen als onoplosbare puzzels. Het is misschien geen revolutionair inzicht, maar de oplossing zit hem juist in accepteren dat je niet alles kunt en hoeft te begrijpen om deze poëzie te waarderen. Het is echter wel handig om vast te stellen wat er allemaal gebeurt in het gedicht en welk effect dat op de lezer heeft.
Allereerst valt op dat in alle regels van deze verzen de nadruk op klank wordt gelegd. Hoewel de Vijftigers bekendstaan om hun ‘vernieuwende’ poëzie, is dit natuurlijk een stijlmiddel dat al sinds de oudheid steevast werd gebruikt in de literatuur, al dan niet vanwege het simpele feit dat het gros van de verhalen en poëzie oraal werd overgebracht. Het is enigszins ironisch dat de avant-garde teruggrijpt op een klassieke traditie, al wordt hier uiteraard wel een eigenzinnige draai aan gegeven. Klankherhaling of een mooie opeenvolging van klanken is voor Lucebert dikwijls de reden om voor bepaalde woorden en zinsconstructies te kiezen, ook al zijn die taalkundig gezien niet altijd even logisch. De volgende strofen illustreren dit.

De doopdeerne koopt nee
De koopdeerne doopt
De noopdeerne loopt zakennood de dood door
Van schaamteschedels victoriavuur van ool volièrecel en zoenseel

Scheert met de pes de pana de nieketan
OESA
De hoot droopt schrijlings met de spiescheil

Oh casa!

Ik heb geen flauw idee wat veel van de woorden hierboven betekenen, laat staan dat ze elkaar op een begrijpelijke wijze opvolgen of verduidelijken. Toch lees ik zulke gedichten graag, deels vanwege vondsten als ‘schaamteschedels’ en ‘victoriavuur’, en natuurlijk het ritme en de klanken die de regels opwekken en voortstuwen. Wel moet gezegd worden dat deze poëzie nog beter werkt wanneer die wordt voorgedragen, en dat was nadrukkelijk ook een doel van de Vijftigers. Gedichten dienen niet alleen geconsumeerd en overpeinsd te worden met het spreekwoordelijke boekje in een hoekje: vanaf podia worden de verzen ons toegeschreeuwd, al dan niet onder begeleiding van jazzmuziek of gecombineerd met andere kunstvormen, zoals ook de ‘kinderlijke’ tekeningen van de dichter in de amsterdamse school.

Weliswaar was het voordragen niet iets nieuws in de Nederlandse poëzie, maar de manier waarop de Vijftigers hun verzen aan de man brachten was dit wel. Ze benaderden ritme en rijm op een eigen manier, braken met klassieke versvormen en lieten zich intuïtief leiden bij het opeenstapelen van reeksen klanken. Daarmee sloten ze aan bij de opkomst van de jazz*, welke klank en herhaling ze trachtten na te bootsen, zoals in Luceberts gedicht ‘Hu we wie’.

Vol van keel de o-koek de ochtendslagen heet
omhullunduw de ahha hoevennans en fijnproevers dixie
Die door de schriek snelt
De stiller stilt en
Elkepas en mijmenij ijsnast toeta de brouhaha
Koeterkijkt en koopt

In dat opzicht leeft de performance van de Vijftigers misschien nog wel het meest door in de poëzie van tegenwoordig: Lucebert en zijn collega’s traden op de meest willekeurige plekken op, wat lang niet altijd gewaardeerd werd door de toevallig aanwezigen. Veel dichters reizen tegenwoordig ook stad en land af om hun werk te verkondigen bij de meest uiteenlopende gelegenheden (zij het iets meer geïnstitutionaliseerd dan destijds), voordat ze überhaupt de kans krijgen iets te publiceren bij een (prestigieuze) uitgeverij. Daarmee is de poëzie voor het literaire publiek in zekere zin dichterbij dan ooit, hetgeen opnieuw ironisch genoeg in gang gezet is door complexe gedichten vol mystieke referenties van een rebelse generatie. Het duidelijkst is dit te zien in de alsmaar groeiende spoken word-beweging, die niet door jazz, maar wel door hiphop is beïnvloed, en nadruk legt op het ritme en de zeggingskracht.

Ik weet niet of Lucebert en zijn zielsverwanten dat doel voor ogen hadden met hun werk; bovendien is de auteur in deze bundel nog een stuk minder programmatisch dan in andere bekende verzen van zijn hand. Later werd hij, al dan niet aangewakkerd door zijn dubieuze activiteiten in de oorlog, een voorvechter van socialistische ideeën, wat weer een bruggetje is naar de maatschappijkritiek van veel (podium)dichters vandaag de dag. Toch sluimert er in een aantal gedichten uit de amsterdamse school wel iets van Luceberts intrinsieke poëtica door, bijvoorbeeld in het centrale vers ‘haar lichaam heeft haar typograaf’.

Spreek van wat niet spreken doet
Van vlees je volmaakt gesloten geest
Maar mijn ontwaakte vinger leest
Het vers van je tepels venushaar je leest

Leven is letterzetter zonder letterkast
Zijn cursief is te genieten lust
En schoon is alles schuin
De liefde vernietigt de rechte druk
Liefde ontheft van iedre druk

De poëzie die lippen heeft van bloed
Van mijn mond jouw mond leeft
Zij sprekend van wat niet spreken doet

Erik van Uden maakte in Spektator een uitgebreide analyse van dit gedicht, waarin hij tot twee tegenstrijdige interpretaties komt: ‘Ik kan lezen: ‘er ontstaat in de liefde ondanks de gebreken van het leven een gedicht’, maar ook: ‘De poëzie schiet noodzakelijkerwijs tekort’.’ Daarmee hebben we een nieuwe reden om dergelijke gedichten niet tot op het bot uit te willen benen: de taal van de poëzie is niet in staat om bepaalde sensaties accuraat te vangen – we zullen het gedicht dus moeten ervaren, en er een eigen gevoel aan verbinden, waarbij de cadans en associatieve beelden belangrijker zijn dan de syntaxis of betekenis van de taal.

Het gevolg van een dergelijke benadering kan zijn dat de poëzie nog verder van herkenning en begrijpelijkheid wordt ontdaan, en in de decennia erna zagen we hier ook voorbeelden van, maar ik heb het idee dat veel poëzie vandaag de dag weer wat concreter en alledaagser is, al is de geest van de Vijftigers nooit ver weg. Misschien is het daarom dat een bundel als de amsterdamse school nog altijd prima te lezen is en modern oogt, zeker waar Lucebert niet al te veel abstractie toepast. Het is een wereld van verschil met Elsschot en Vasalis, zowel qua vorm als inhoud en de functie van poëzie. Mogelijk is dat ook de voornaamste erfenis van Lucebert en de Vijftigers: ze hebben de oeroude versvorm en haar makers een nieuwe jas aangedaan. Het experiment viert hoogtij en de dichter heeft een ultieme vrijheid om zijn eigen taalkundig kleurenpalet te kiezen. Dat van Lucebert heeft vijfenzestig jaar later wat mij betreft nog altijd weinig van zijn glans verloren.

Willem Goedhart

Lucebert – de amsterdamse school

*Dank aan Joost Oomen, vriend van mijn studie, voor zijn waardevolle bijdrage aan dit stuk.