In Huizinge werd afgelopen vrijdag Met huid en haar van Barbara de Beaufort en Aaldrik Pot gepresenteerd: een natuurdagboek in brieven. De opvolger van De onsterfelijke nachtegalen dat een nominatie in de wacht sleepte voor de Jan Wolkers Prijs. Op de presentatie van Met huid en haar sprak Jan Oegema (uitgever, publicist en initiatiefnemer van het open klooster) de volgende tekst uit.

Merels en alpinopetjes

Beste Barbara, beste Aaldrik,

Einmal ist keinmal en daarom is er dus nu toch een deel twee. Gelukkig maar! Jullie hebben een formule gevonden die nog jaren meekan, ik verlang nu al naar deel drie, vier en vijf. Op mij hebben jullie boeken een heerlijk Voskuil-effect, ik leef en lees met jullie mee, ik wil jullie blijven volgen en wil niet dat dit stopt. Ik weet trouwens zeker dat die volgende delen komen, want behalve natuurverslaafd zijn jullie ook taalverslaafd, de liefde voor de taal spat er op elke pagina vanaf en al klagen jullie om het hardst hoe verschrikkelijk het is om binnen te moeten zitten – ‘Binnen, binnen, binnen,’ verzucht Aaldrik na wéér een lange dag op kantoor – stiekem zijn jullie diep verknocht aan jullie hazen en raven, jullie reeën en koperwieken van papier.

Papier maakt de wereld pas echt, papier verandert en verdiept, papier betovert en verscherpt, pas op papier wéét je wat je voelt en beleeft. Zo werkt dat bij schrijvers en jullie zijn schrijvers, altijd bezig met die rare spanning tussen binnen en buiten en dat het een niet zonder het ander kan. Barbara zegt het al vroeg in het boek, hoe ze het schrijven nodig heeft om buiten te zijn, wakker buiten te zijn. Luister naar wat ze op 12 december noteert:

Ik kan nu proefondervindelijk vaststellen dat het voor het contact met buiten verschil maakt of ik erover ga schrijven of niet. Schrijven vraagt reflectie en selectie, de ervaring wordt er puntiger door en krijgt meer reliëf: sommige dingen komen naar voren, andere verdwijnen naar de achtergrond. En er is een keerpunt, waarop je gaat beleven om te kunnen schrijven.

Met huid en haar heet jullie boek, het zou de titel van een roman kunnen zijn. Ik heb me afgevraagd of er ook voor mij als lezer zo’n keerpunt is, of ik door jullie reeks in wording naar buiten getrokken wordt, hongerig om te ervaren wat jullie ervaren. Zoiets zouden jullie graag willen, zeggen jullie in het voorwoord, zo schrijven dat jullie lezers de natuur écht beleven, met meer overgave – maar wat precies is echt als daar zo veel kunst en kunde voor nodig zijn. Marcel Möring vertelt dat hij in het dagelijks leven nooit huilt maar als hij een middeleeuws liefdesverhaal openslaat en het oude Middelnederlands begint te lezen: tranen met tuiten. Zoiets heb ik ook, goede woorden over buiten doen me soms meer dan buiten zelf. Soms zijn het de woorden waardoor ik naar buiten wil, met als voorspelbaar gevolg dat ik daar niet vind en voel wat ik binnen hoopte. Waarna ik me moet troosten met de gedachte dat boekennatuur ook een beetje natuur is, zoals Mörings boekige liefde natuurlijk ook een beetje liefde is.

Misschien zijn er nu mensen in de zaal die denken hé, wacht es, dit is niet de bedoeling. Het klimaat verandert in noodtempo, het poolijs smelt, het grondwater zakt, de grutto’s blijven weg, de korhoenders zijn al weg – dus het laatste wat we nu kunnen gebruiken is literatuur. Wat we nodig hebben zijn meisjes van twaalf die in staking gaan en met een spandoek op het schoolplein gaan staan. Wat we nodig hebben zijn activisten als Al Gore die met harde cijfers en powerpoints de wereld over vliegen om te lobbyen en voordrachten te houden. Wat we zo’n beetje als laatste nodig hebben is mooischrijverij in een oplage van duizend of tweeduizend exemplaren waarbij ook nog es een kwart van het boek bestaat uit filosofische reflecties over onschuld en schaamte, over religie en devotie, over de troost van dieren en het vreemde verlangen om als mens niet te bestaan, overigens een bekend motief in de geschiedenis van de mystiek.

Geen literatuur alsjeblieft! Harde feiten, luidruchtig demonstreren bij de G7, slim lobbyen. Bewustwording, twittercampages, influencing, hoe anders is de wereld nog te redden. Ja, De negerhut van oom Tom heeft geholpen bij de afschaffing van de slavernij, maar dat was honderdzeventig jaar geleden, Amerikaanse presidenten lezen nu alleen nog tweets. Inderdaad, hoe kan literatuur helpen de teloorgang van de aarde tegen te houden? Wat schiet je op met mooie beelden en metaforen? Aaldrik vindt in het bos een holletje van bosmuizen die zich te goed hebben gedaan aan eikels maar vergeten hebben de tafel netjes af te ruimen. ‘De eikeldopjes,’ schrijft hij dan, ‘lagen als verloren alpinopetjes op het mos.’

Wat hebben we anno 2020 aan literatuur, wat hebben we aan sprookjes?

Maar ik draai het om, we hebben niets anders dan taal, we hebben niets anders dan literatuur. Kijk maar, als ik nu een alpinopetje opzet, dan verander ik voor u ter plekke in een klein lief bosmuisje. Er is een prachtige studie van filosofe Ilse Bulhof* waarin ze laat zien dat een van de belangrijkste wetenschappelijke omwentelingen van de negentiende eeuw een bewijsbaar gevolg is van de kracht van retorica en literatuur. Het gaat dan om Charles Darwin en zijn boek uit 1859, The Origin of Species, het boek waarvan we in de schoolbanken te horen krijgen dat het aan het begin staat van een heel nieuw mens- en natuurbeeld. Survival of the fittest, alleen de sterke soorten overleven, de natuur als strijd en niets dan strijd: het is nog steeds de basis van ons evolutie-idee. Gelukkig weten we nu dankzij primatoloog Frans de Waal en boswachter Wohlleben dat het net iets anders ligt en dat er ook goede krachten in de natuur werkzaam zijn, maar dat alles neemt niet weg dat Darwin nog altijd geldt als een toonbeeld van wetenschappelijkheid.

En ja, dat klopt, Darwin is een bijzonder knappe wetenschapper. En nog iets: een bijzonder knappe schrijver. Hij is een op en top literator, zo laat Ilse Bulhof in haar boek zien. Zijn boek is alles behalve een zakelijk betoog over het ontstaan van de soorten, vergeet het maar.

Hij kan geen levend wezen noemen, schrijft Ilse Bulhof, of hij roept uit hoe prachtig het is. Hij vertelt welk een groot onderzoeker hij is. Hij richt zich op allerlei manieren direct tot de lezer: hij doet een beroep op diens oordeel, hij vleit hem, spreekt hem toe, stelt retorische vragen. Hij argumenteert voor zijn stelling, maar meer retorisch dan logisch. Hij last smakelijke anekdotes in. Hij gebruikt poëtische beelden en prachtige vergelijkingen. Om uit te leggen wat hij bedoelt, worden zaken als de natuur en de strijd om het bestaan op een wonderlijke manier gepersonifieerd. In Darwins geval is de [bekende] scheiding tussen wetenschap enerzijds en retorica en literatuur anderzijds vervallen. [Bulhof 1988, 9]

Conclusie: Darwin is een echt boekenmens, als bekend was hij na zijn wereldreis met de Beagle niet meer uit zijn studeerkamer weg te slaan, net als Barbara en Aaldrik zat hij het liefst dagenlang ongestoord binnen. Het succes van zijn boek komt volledig voor rekening van het retorische en literaire vernuft ervan, natuurlijk een iets te krasse uitspraak waarvoor toch een opmerkelijk bewijs bestaat. Als Darwin namelijk een half vóór het verschijnen van zijn boek een lezing houdt voor een chique club van wetenschappers – The Linnean Society – krijgt hij geen enkele reactie. Zelfde boodschap, maar geen boe of bah, geen enkel teken van opwinding. De verzamelde wetenschappers horen zijn lezing beleefd maar zonder interesse aan. Het waren dus niet Darwins gedachten die de wereld op de kop zetten; die gedachten werden pas schokkend door de manier waarop hij ze beredeneerde en verwoordde. Kortom: door zijn knappe verleidingskunsten.

Ilse Bulhof heeft gelijk, het geval Darwin bewijst dat het vertrouwde onderscheid tussen harde en zachte wetenschap ouderwets en onjuist is. Wat je anno 2020 ook wilt doen tegen klimaatverandering en voor meer biodiversiteit, tegen de uitwassen van de vleesindustrie en voor het behoud van natuurlijke hulpbronnen, tegen de arrogantie van het neoliberale mensbeeld en voor de uitbreiding van dierlijke territoria – zonder literatuur, zonder kunst lukt het niet. Cijfers en modellen, vergelijkende data-analyses en alarmerende VN rapporten, het werkt maar kort en beklijft slecht. Wat beklijft zijn de alpinopetten van Aaldrik waardoor u nu al tien minuten luistert naar een muis van 1.90 m. Wat beklijft is Barbara’s eerbied voor de merels en haar vraag of die misschien in het geheim de wereld in hun voegen houden.
Zo zegt ze dat letterlijk: ‘Ach merels, merels. Misschien houden jullie in het geheim de wereld in zijn voegen.’ Overigens zelf een mededeling met een geheimzinnige voeging, want je kunt nauwelijks een woordje verplaatsen zonder de zin en dus de mededeling stuk te maken.

Ik rond af met een beeld van een collega van Aaldrik en Barbara, een jonge Britse natuurschrijver, Robert McFarlane. Hij denkt na over de grote krachten in het Antropoceen, een quasi geologisch term die veel wordt gebruikt als karakteristiek van de tijd waarin we tegenwoordig leven, een tijd waarin het menselijk handelen van beslissende invloed blijkt op de ontwikkeling van planeet Aarde. En wat zegt McFarlane nu? Dat in het Antropoceen ook de taal een geologisch kracht is, in impact vergelijkbaar met schuivende aardplaten en smeltende ijskappen. Taal kan betoveren en bezielen, woorden scheppen werelden, zegt hij, en met de goede woorden en met een slim gebruik can moderne media móet het volgens hem mogelijk zijn de planeet aarde bewoonbaar te houden voor de menselijke soort.

De taal als natuurkracht, als geologische kracht. Dat is natuurlijk hoe schrijvers denken en dromen, het is fluiten in het donker, een bosmuizenliedje om de naderende storm niet te horen. Misschien is het einde van de menselijke soort slechts een kwestie van eeuwen, ik persoonlijk ben daarvan overtuigd. Maar ik ben er ook van overtuigd dat we verplicht zijn om te blijven hopen en dat we literatuur nodig hebben om te kunnen blijven hopen, tegen beter weten. Barbara en Aaldrik helpen mij daarbij, hun merels en alpinopetje geven me de moed om nog niet op te geven en te geloven dat het mooiste periode van de geschiedenis nog komen moet, met een mensheid die welbewust de aarde wil delen met de bomen en de dieren.

Jan Oegema

Literatuur
Ilse Bulhof – Darwins Origin of Species. Betoverende wetenschap. 1988
Robert McFalane – Benedenwereld. Reizen in de diepe tijd. 2019. Besproken in de De Groene Amsterdammer op 21 augustus 2019.

3

Reacties