Hoe vrij is de mens?

Of de mens vrij is, zo vrij als een vogel, dat is de vraag die in de nieuwe roman van Koos van Zomeren, Het schip Herman Manelli, aan de orde komt. De achterliggende vraag is natuurlijk: hoe vrij is een vogel?

Als geen andere Nederlandse auteur kent Koos van Zomeren het antwoord. Als vogelaar is hij begaan met het lot van de vogels, als romanschrijver trekt hij zich het lot van de mensen aan — maar hoe hij zich ook inspant: hij kan er niets aan veranderen, hij is god niet. Hooguit kan hij proberen het lot, het noodlot, perspectief te geven, in een context te plaatsen…, je zou haast zeggen: zijn lezers te troosten, hen over te halen om zich in het onontkoombare van hun lot te schikken — het is zoals het is, iets anders kan ik er ook niet van maken.

Boeken van Koos van Zomeren hebben titels als: Otto’s oorlog, De hangende man, Een jaar aan scherven. Geknakte levens. Het schip Herman Manelli is daarbij vergeleken een titel van een veelzeggende nietszeggendheid. Daar móet meer achter schuilen. Er komt een ’ik’ in het boek voor en die heet Bruno Rusteloos, een figuur die een boek wil schrijven over Herman Manelli omdat die zo aardig is. Wie is deze Bruno Rusteloos? Er is niets dat er op wijst dat de af en toe optredende ‘ik’ dezelfde is als Koos van Zomeren — hoewel een schrijver natuurlijk behoorlijk rusteloos kan zijn, misschien zelfs móet zijn om te kunnen schrijven. Is Rusteloos een incarnatie van God? Zou kunnen: hij probeert Manelli’s leven vorm en inhoud, ja, zelfs richting te geven, en God moet zich toch ook wel een beetje rusteloos voelen als hij ziet wat er van zijn schepping is terechtgekomen. Maar waarom zou hij Bruno heten?

Het opmerkelijke is dat Bruno Rusteloos in staat is de gedachten van Manelli weer te geven, ook als hij niet nadrukkelijk aanwezig is. Dat pleit weer voor de opvatting dat de ’ik’ de schrijver, dus Koos van Zomeren, is: de alwetende verteller. Natuurlijk is de schrijver de god van zijn eigen schepping.

Maar er is nóg een mogelijkheid: Bruno Rusteloos is een afspiegeling van Herman Manelli zelf. Een alter ego dat Manelli dwingt om de waarheid onder ogen te zien en daarvan de consequenties te dragen. De een heeft een Italiaans-achtige voornaam, de ander een Italiaans-achtige achternaam; de een heeft een Hollandse voornaam, de ander een Hollandse achternaam, een naam dan nog die typisch verzonnen is.

Schizofrenie, hoewel niet met name genoemd, is een dragend thema van deze roman. Manelli heeft een dochter die Katja heet, een naam die in verband gebracht moet worden met de vele verwijzingen naar vogels in het boek. Met Katja is iets niet in orde. Als kind heeft zij een zusje verzonnen dat altijd bij haar is: háár alter ego. In haar puberteit is er geen land met haar te bezeilen, maar er is óók een intense intimiteit tussen vader en dochter, een smeulende maar nooit gematerialiseerde seksuele verhouding. Van Zomeren schrijft daar met liefde over als hij het heeft over ‘het flensje van haar platgedrukte borst’ — hoe kijkt een vader naar zijn dochter die zonder bovenstukje ligt te zonnen? Zo, waarschijnlijk.

Met Katja loopt het slecht af. Ze komt in een inrichting terecht, wordt daar ontslagen omdat ze weigert mee te werken aan haar genezing en vanaf dat moment wordt nooit meer iets van haar vernomen. De knak in het leven van Herman Manelli. Een beroemd Nederlander overigens, die Manelli. Satiricus, cabaretier, motor achter de groep Distel, nooit te beroerd om een heilig huisje in te trappen. Gouden jaren waren dat, tweehonderd voorstellingen en allemaal uitverkocht. Zelfs De Telegraaf plengde tranen om het uiteenvallen van het gezelschap.

Sinds zijn dochter spoorloos verdween, een jaar of tien geleden, komt Herman Manelli tot niets. Hij kan zich er niet meer toe brengen te slapen
met zijn vrouw, Wilma, een jeugdvriendinnetje. Zijn beste kameraad is William, een spreeuw die door hem gevangen wordt gehouden (’zo vrij als een vogel’) en die hij benijdt om zijn ‘onverstand’. De televisie brengt de waanzin bij hem thuis. Oorlogen, aardbevingen, milieurampen. Atletiekmeisjes, hun benen, het zinloos lapje textiel in hun kruis. Hij is vagelijk verbaasd als hij ontdekt dat een naar hem genoemde rondvaartboot de Amsterdamse grachten doorkruist. Later komt hij erachter dat hij dat aan een lotgenoot uit militaire dienst te danken heeft: Bernard Ringeling, die hem mateloos bewondert. Bewonderd worden, wat kun je ertegen doen? Niets.

Deze Ringeling stelt alles in het werk om Manelli weer aan het werk te krijgen. Een regie van een schoolvoorstelling waarin Ringeiings dochter
Barbara speelt — natuurlijk worden ze verliefd. Barbara moet ongeveer zo oud zijn als Katja toen zij wegliep. Maar ook hier blijft de daad achterwege, Manelli trekt zich terug. Als hij thuiskomt is zijn spreeuw gevlogen en zit er een barst in zijn spiegel.

Van Herman Brusselmans is de uitspraak: ‘Twee keer ’man’ in mijn naam, en nog altijd last met de vrouwen.’ Datzelfde geldt in versterkte mate voor Herman Manelli. Is hij een lafaard? Waarschijnlijk is hij de lafheid voorbij. Op straat wordt hij nog steeds herkend, hij wordt bewonderd. Maar wordt hij bewonderd om wie hij is? Hij ervaart bewondering als een inbreuk op zijn privacy. Om zijn vrijheid te herwinnen kan hij maar één
ding doen: zijn grootste bewonderaar vermoorden, wat onvermijdelijk leidt tot gevangenschap.

Het is dezelfde paradox als optreden voor het koningshuis met een liedje tegen het koningshuis. Dezelfde paradox als de veronderstelde vrijheid van de vogels die eeuwen- en eeuwenlang door dezelfde instincten worden geleid maar van vrijheid geen flauw benul hebben. Herman Manelli kán niet vrij zijn. Hij is de gevangene van zichzelf, van zijn leven, van zijn biograaf die, als ware hij God, met hem kan doen en laten wat hij wil. Manelli is zo onvrij als een vogel in de lucht. Van de bijfiguur Arend (!) wordt gezegd dat hij er het slechtst van allemaal aan toe is. Zo stevent Herman Manelli in alle vrijheid maar onafwendbaar op zijn noodlot af.

En Koos van Zomeren vraagt zich met zijn roman Het schip Herman Manelli af of we niet allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Als zijn gevoel voor ironie de schrijver zou hebben verlaten, was het een ondraaglijk boek geworden. Nu is het een knap geschreven, ontroerend, bijna ondraaglijk boek — omdat het zo wáár is.

Frank van Dijl

Koos van Zomeren – Het schip Herman Manelli. De Arbeiderspers.

Deze recensie stond eerder in Algemeen Dagblad van 18 oktober 1990.

1