Verteller in het spoor van Carmiggelt

Kees van Beijnum kan vertellen. Zijn derde boek, Dichter op de Zeedijk, is een semi-autobiografische roman over de jonge Constant Wegman, een naam met een escapistisch ondertoontje dat in het verhaal niet helemaal wordt waargemaakt. Je zou denken dat iemand die zo heet, voortdurend onderweg is van de ene plek naar de andere, een rusteloze zwerver voor wie huis en haard loze begrippen zijn.

In zekere zin is Constant wel een zwerver, maar zijn wereld is niet groter dan de vierkante kilometer van de Amsterdamse rosse buurt, en zijn huis en haard zijn ook niet die van de gemiddelde Nederlander: hij woont zo goed als in het café van zijn grootmoeder op de Zeedijk. De openingszin laat daarover geen misverstand bestaan:

Het grootste deel van zijn leven had Constant Wegman onder het biljart doorgebracht.

Constant is, als we met hem kennismaken, naar schatting een jaar of vijf, zes. Een Hollandse dromer, vroegwijs voor zijn leeftijd, voor wie volwassenen een merkwaardig fenomeen vormen. Vanuit zijn biljartperspectief ziet hij ze als

een groot, drinkend, grommend en rokend wezen met tientallen koppen en handen die hun best deden de dorst van het monster te lessen.

De jongen heeft dan

al zoveel gevechten meegemaakt, zoveel rook en alcoholdamp opgesnoven, zoveel kaart- en dobbelspelen gevolgd, dat hij later, wanneer hij cowboy werd, bij voorbaat goed voorbereid zou zijn.

De laatstgeciteerde zin geeft een aardig beeld van de manier van schrijven die Kees van Beijnum in dit boek praktiseert. Hij slaagt er heel goed in om zich in de kleine jongen in te leven, waardoor de lezer de indruk krijgt dat, hoewel het verhaal in de derde persoon enkelvoud wordt verteld, Constant zelf aan het woord is. Die indruk wordt versterkt door de enorme rijkdom aan details die maken dat je, ook al ben je zelf niet in een café opgegroeid en heb je nog nooit een biljarttafel van onderen gezien, de geur van de jaren vijftig bijna kunt opsnuiven. Van Beijnum schrijft zonder nostalgie, maar met liefde over die tijd waarin vrouwen ‘tante’ heetten en mannen ‘ome’ en iedereen Miss Blanche rookte.

Het boek is ingedeeld in drie delen die elk korte hoofdstukjes van enkele bladzijden tellen. Elk hoofdstukje verhaalt een anekdote uit het leven van de opgroeiende Constant. Er zitten juweeltjes bij die soms de geest van Carmiggelt oproepen: verhalen over gewone mensen die zich in de kroeg komen bezatten.

Het verhaal over de man die de liefde van zijn leven laat lopen bijvoorbeeld: hij is al sinds zijn jeugdjaren verliefd op een vrouw die later met een ander trouwde. Als zij verhuist naar Slotermeer verhuist hij ook naar Slotermeer. Soms spreekt hij haar op straat aan.

Op een dag hadden ze een verhouding. Maar haar man en kinderen zou ze nooit verlaten, dat moest hij goed begrijpen. Zei ze. Hij legde zich daar bij neer. Zei hij.

Na verloop van tijd begint hij er toch op aan te dringen dat zij voor hem kiest, maar nee, zij houdt voet bij stuk. Het gaat uit en weer aan en weer uit. Dan belt ze hem op: ze heeft gekozen voor een leven met hem. Ze spreken af op een van de bruggen van de Herengracht. Lang voor het afgesproken tijdstip zet hij zich in een café met uitzicht op de brug.

Hij neemt een paar biertjes, rekent af en

besloot nog een laatste glas te nemen. Er zat een wat zorgelijk uitziende man aan de bar. Zijn goede bui deed hem besluiten die tobber ook iets aan
te bieden. […] Ineens stond ze er. Een weekendtas aan haar hand. Hij hield meer van haar dan ooit. Ja, nu wist hij het zeker, hij huilde een beetje. God, wat ontroerde ze hem! De man naast hem bestelde voor hen beiden nog wat te drinken. Maar hij wilde niets meer drinken, hij wilde naar buiten. Toch keerde hij de brug zijn rug toe en begon te drinken. Hele kleine slokjes nam hij, onderwijl zichzelf voorhoudend dat wat hij nu deed belangrijk was, als het afdwingen van de goedgunstigheid der goden […].

Enfin, die vrouw blijft natuurlijk niet staan wachten.

Zo staat dit boek vol met portretten. Van de grootmoeder en van Edith, die in ruil voor kost en inwoning de boel schoonhoudt, en van Muis die zich in de grote stad toch niet op haar plaats voelt. Van zomaar mensen, geobserveerd door Constant Wegman die dertien is als het boek eindigt met een Kees-de-Jongenachtige constatering:

Zij [andere mensen, een ‘stelletje labbekakken’] wisten niet eens hoe grandioos het was om hem te zijn. Om Constant Wegman te zijn.

Ja, Kees van Beijnum kan vertellen.

Frank van Dijl

Kees van Beijnum – Dichter op de Zeedijk. Nijgh & Van Ditmar.

Recensie uit Algemeen Dagblad, 9 juni 1995.

0