Menselijk, al te menselijk

Toen Friedrich Nietzsche (1844-1900) in 1879 zijn hoogleraarschap in de filologie opgaf, braken misschien wel de tien belangrijkste jaren van zijn leven aan. Tien jaar eerder had hij als pas 24-jarige deze leerstoel aan de universiteit van Basel geaccepteerd, maar problemen met zijn gezondheid, een hang naar de filosofie en een afnemende reputatie onder vakgenoten vervreemdden hem van zijn vakgebied. In de jaren die volgden leidde Nietzsche een zwervend bestaan, telkens op zoek naar de klimatologische omstandigheden die maakten dat zijn gezondheidssituatie uit te houden was, tot hij tien jaar later geestelijk instort: als hij in Turijn ziet hoe een paard door een koetsier wordt afgeranseld, werpt hij zich huilend om de hals van het dier. Nietzsche wordt in een krankzinnigeninrichting gestopt, en de laatste tien jaar van zijn leven wordt hij door zijn moeder en zus verzorgd.

Tussen zijn afscheid van de universiteit en zijn waanzin schreef Nietzsche bijna zijn gehele filosofische oeuvre: invloedrijke titels als Also sprach Zarathustra (1883-85), Jenseits von Gut und Böse (1886) en Zur Genealogie der Moral (1887) verschenen in deze jaren. Maar zijn nomadisch bestaan betekende voor Nietzsche ook dat hij een uitgebreide correspondentie te onderhouden had: ongeveer de helft van Nietzsches nagelaten brieven schreef hij gedurende deze periode. Uit deze grote hoeveelheid van 1329 brieven is nu in de Privé-domeinreeks van de Arbeiderspers een selectie verschenen onder de titel De levensgevaarlijke jaren, gekozen en vertaald door Peter Claessens.

Al vanaf de eerste pagina’s van dit brievenboek is de voor Nietzsches levensloop zo bepalende ziekte aanwezig. ‘[E]lke dag heeft zijn ziektegeschiedenis’, schreef hij in 1879 aan zijn vriend Paul Rée. Hevige hoofdpijnen plaagden Nietzsche, en dreven hem door Europa – hij verbleef onder andere in het Zwitserse bergdorp Sils-Maria, in Nice, en in Turijn – op zoek naar een plek waar zijn ziekte uit te houden was. Goede en slechte periodes wisselden elkaar af, maar definitief genezen zou Nietzsche niet. Nooit is helemaal opgehelderd wat zijn klachten veroorzaakte, maar een relatie met zijn latere waanzin ligt voor de hand.

Nietzsche staat bekend als een van de felste critici van het christendom, wat ook in deze bundeling is terug te zien. Al in enkele brieven uit 1883 noemt hij zich naar aanleiding van de ontvangst van zijn Zarathustra de ‘antichrist’, wat hij later zal gebruiken als boektitel, en omschrijft zichzelf als ‘een van de vreselijkste vijanden van het christendom’. Voor Nietzsche was het christendom de meest invloedrijke vorm van de door Plato geïntroduceerde metafysische overtuiging dat de door de mens ervaren en geleefde werkelijkheid niet meer is dan een afspiegeling van een andere, meer werkelijke wereld. Gepaard aan wat Nietzsche een ‘slavenmoraal’ noemde stond het christendom voor ‘wereldverzaking’, de devaluatie van de realiteit en de verachting van menselijke excellentie. Hiertegenover stelde hij zelf een affirmatieve ‘herenmoraal’, waarin de mens zijn leven en lot omarmt, zijn lichamelijkheid erkent, de aarde trouw blijft, en zijn eigen waarden schept.

Nietzsche was – in ieder geval volgens zichzelf – een eenzaam denker. Niet dat hij geen mensen om zich heen had, of geen contacten onderhield – nee, het was werkelijk zijn denken dat hem tot eenzaamheid veroordeelde: zijn ideeën waren radicaal en vernieuwend, en vonden daardoor weinig weerklank. Zoals hij aan zijn vriendin Malwida von Meysenbug schreef:

Maar deze eenzaamheid, en van kindsbeen af! Dit gevoel van isolatie zelfs nog in het meest vertrouwde sociaal verkeer! Niemand kan met me meekomen, ook al zetten ze hun beste beentje voor. […] Over het geheel genomen denk ik echter niet dat er iemand zou kunnen zijn die me van dit ingewortelde gevoel van alleen-zijn af kan helpen. Ik heb nog niemand gevonden met wie ik zou kunnen praten zoals ik met mezelf praat.

Nietzsche weet zijn eenzaamheid vooral aan zijn vernieuwende denkbeelden: hij meende dat hij zijn tijd ver vooruit was. Tegelijkertijd voorzag hij welke gevaren dat inhield. Zo schreef hij in dezelfde brief:

Wie weet hoeveel generaties er nog voorbij moeten gaan om enkele mensen voort te brengen die in de volle diepte kunnen plaatsen wat ik heb gedaan. En zelfs dan nog jaagt de gedachte me schrik aan wat voor onbevoegden en totaal ongeschikte mensen zich ooit op mijn autoriteit zullen beroepen. Maar dat is het probleem van elke grote leraar van de mensheid: hij weet dat hij, in sommige gevallen en ongevallen, de mensheid fataal kan worden, en evenzeer tot zegen kan zijn.

Het is alsof Nietzsche voorzag hoe zijn teksten later besmeurd zouden raken. Na zijn geestelijke instorting wierp zijn antisemitische zuster Elisabeth Förster-Nietzsche zich op als ‘beheerder’ van zijn nalatenschap, waarop zij zijn geschriften begon te vervalsen. Dit maakte dat de nazi’s zich op zijn denkbeelden zouden beroepen.

Gelukkig bieden Nietzsches brieven voldoende bewijs voor de verduistering van zijn zus en de vergissing van de nazi’s. Niet alleen geeft Nietzsche regelmatig uiting aan een krachtig antiantisemitisme – vooral richting zijn zus, maar ook in twee meesterlijke brieven aan een uitgever van een antisemitisch tijdschrift -, ook blijkt hij weinig te geven om zoiets als een ‘Duits ras’. ‘Ik deel zijn enthousiasme voor de ’Duitse aard’ echter niet, en nog minder zijn wens om dit ‘heerlijke’ ras zuiver te houden. Integendeel, integendeel -’, schrijft Nietzsche over zijn zwager Bernhard Förster.

De brieven in deze bundeling tonen aan dat Nietzsche een vat vol tegenstrijdigheden was. Zo zag hij zijn eenzaamheid als een noodzakelijkheid, misschien zelfs als een opgave, maar tegelijkertijd gaf hij er blijk van toch vooral gehoord te willen worden – hij had zelfs de wens om een kring leerlingen om zich heen te verzamelen. Nietzsche meende dat zijn denken pas na twee eeuwen begrepen zou kunnen worden, en toch wilde hij dat zijn werk uitgegeven werd, en niet alleen voor volgende generaties: zo spoorde hij zijn uitgever aan zijn Zarathustra ‘presto, presto’ uit te geven. Nietzsche keerde zich tegen de godsdienst, maar mat zichzelf af en toe het aura van een profeet aan. Zo zag hij zichzelf als de vertolker van een gedachte ‘die de mensheid in tweeën splijt’, maar was hem tegelijkertijd niets menselijks, al te menselijks vreemd:

[…] ikzelf, misschien wel voorbij goed en kwaad maar niet voorbij weerzin, verveling, malinchonia en pijn aan mijn ogen.-

Volgens het informatieve voorwoord van de vertaler kunnen Nietzsches gepubliceerde werken en zijn brieven ‘niet gescheiden van elkaar worden bekeken’. Dit is ietwat overdreven: het is weliswaar van meerwaarde – maar zeker geen noodzaak – bij het lezen van de brieven iets van Nietzsches filosofie te weten, maar voor het lezen van zijn filosofisch oeuvre biedt deze bundel weinig vereiste kennis. Dat neemt niet weg dat de brieven een heerlijk inkijkje bieden in het persoonlijke wel en wee van een van de belangrijkste en meest invloedrijke moderne filosofen, met als hoogtepunt de korte, intense en befaamde driehoeksverhouding met Lou Salomé en Paul Rée, en de met ‘Dionysos’ en ‘de gekruisigde’ ondertekende ‘waanzinsbrieven’ vlak voor zijn mentale instorting.

Remco Nieberg

Friedrich Nietzsche – De levensgevaarlijke jaren. Een keuze uit de brieven 1879-1889. Gekozen, vertaald, ingeleid en toegelicht door Peter J. Th. M. Claessens. De Arbeiderspers, Amsterdam. 444 blz. € 28,99.

2

Reacties