‘Dat de ruimte achter hem open is’

Als je het bos in gestuurd wordt, loop je de kans te verdwalen, maar hoe zit dat bij een park? Een park klinkt overzichtelijk, in elk geval afgebakend, meestal netjes onderhouden. Het park van Philippe Sollers, voor het eerst verschenen in 1961, in 2000 vertaald door Kiki Coumans, die haar vertaling nu voor deze nieuwe uitgave herzien heeft, is een park dat inderdaad afgebakend is, namelijk door de kaft, maar waarin je – in positieve zin- uren kunt dwalen.

Het motto is een omschrijving van een park door J.J. Rousseau, uit zijn Héloïse. Een park is volgens Rousseau een samenstelling van mooie, schilderachtige plekken waarvan de afzonderlijke aspecten gekozen zijn uit verschillende landen en waarvan alles heel natuurlijk is, behalve hun samenkomst. Het motto typeert Sollers’ verhaal: het is een samenstelling van verschillende personages en impressies die uit verschillende levens zijn gekozen. Op zichzelf doen die heel natuurlijk aan, maar de verbinding ertussen is op z’n minst opmerkelijk. Er is geen duidelijk pad, geen chronologische verhaallijn, geen plot dat je eenvoudig zou kunnen navertellen.

Toch zijn er constanten. Er is een man in een kamer met een balkon, die regelmatig over de straat kijkt en observaties doet. Daarnaast zijn er een vrouw die een belangrijke rol in zijn leven lijkt te hebben gespeeld, een soldaat van wie hij afscheid heeft moeten nemen, en een kind. Ook is er een park dat regelmatig terugkomt. In de meeste verhalen komen personages op een logische manier een verhaal binnen, als duidelijk afgebakende personen die door tijd, ruimte en gebeurtenissen met elkaar verbonden zijn. In dit verhaal vloeien ze in elkaar over, zijn ze via een vrije associatie met elkaar verbonden, waardoor ze soms voor even lijken samen te vallen. Zo kan het zijn dat er een ik-persoon is die een pijn voelt opzetten, in de spiegel kijkt, een hand tegen zijn gezicht houdt. Hij denkt ‘Niks aan de hand, het komt vast door de vermoeidheid’, en die zin echoot in een volgend fragment waarin een vrouw diezelfde zin tegen de ik uitspreekt, in een heel andere context, waarop de zin nogmaals een echo heeft in een daaropvolgend fragment waarin een hij tegen de dijk leunt en zijn vermoeidheid uitspreekt. Verschillende tijdlagen lopen op die manier door elkaar heen en ook ruimtes lopen in elkaar over. Een fontein in een groot bassin staat de ene keer in een park en een volgend moment in een laan met grijze bomen.

Het duurt even voor je je kunt overgeven aan deze manier van vertellen en je beseft dat er geen antwoorden zijn, dat de impressies je overkomen, vooral vragen oproepen en soms een glimp van een verhaal, en net als je je afvraagt waar de soldaat eigenlijk gebleven is, doemt hij plotseling weer op vanuit een onverwachte hoek. Op dezelfde manier kan het gebeuren dat de ik naar een schilderij kijkt, zijn oog blijft hangen bij een vorm of een kleur, of zelfs bij iets wat niet eens op het schilderij staat afgebeeld, en dat zich plots vanuit het niets de diepere betekenis van het hele verhaal openbaart:

Op de achtergrond van het schilderij strekt zich als achter een onzichtbaar raam (of een raam dat de schilder vergeten is te schilderen) zonder enige overgang een laan uit die iets onheilspellends heeft, een laan met gesnoeide grijze bomen (het is winter) en in het midden een fontein in een groot bassin. Er loopt niemand door de laan, waar de orgelmuziek waarschijnlijk weerklinkt (…). Hoe het ook zij, een dergelijke co-existentie van uiteenlopende elementen – waarvan je echter voelt dat ze op een duistere manier met elkaar verbonden zijn – benadrukt de dubbelzinnige aanblik van het tafereel, verlengt het gevoel van onbehagen, maakt een moeilijk toegankelijk – maar des te sterkere – betekenis vrij, kortom, brengt de afbeelding die zich geleidelijk oplaadt met betekenissen, ingehouden woorden, onhoorbare signalen, tot leven; brengt hem, beschermd, tot leven op de voorgrond, zonder dat een van de personages ook maar in het minst vermoedt dat de ruimte achter hem open is.

In Het park kom je wonderschone impressies tegen, zoals die van het oranje schrift en de inktpot met de vulpen, en van het kind dat aan het spelen is en zijn eigen weg zoekt. Is dit kind de ik toen hij nog kind was? Voordat je een antwoord krijgt, tuimel je zonder pardon in gruwelijke observaties waarin je getuige bent van de dood van een soldaat:

de ene valt en de andere maakt een weids gebaar in zijn richting (het einde van de bladzijde nadert, zo dadelijk eindigt hij met een korte, voor de hand liggende zin), en dan is daar uiteindelijk de explosie, de lende die opengereten wordt, de arm, de adem die stokt in een onhoorbare schreeuw (niemand zal het gemerkt hebben; nog twee seconden), hij bedekt zijn ogen,

Het is vijf uur in de ochtend.

Het dwalen is vooral genieten als je je voorstelt dat wat je leest, niet een poëtische roman is, maar, zoals Sollers zijn werk zelf noemt, ‘een verhalend gedicht, waarin geleidelijk aan, via de overdaad aan beelden uit het leven, de belangrijkste drijfveer voor alle poëzie zichtbaar wordt: de nachtelijke en lichte, visuele en verbale, onweersprekelijke werking van de verbeelding.’

Dietske Geerlings

Philippe Sollers – Het park. Vertaald door Kiki Coumans. Uitgevers Vleugels, Bleiswijk. 144 blz. €23,95.
Het boek is te koop in de betere boekhandel of direct bij de uitgever te bestellen.

3

Reacties