Ik lig in een bed in een huis aan een weg in Friesland. Het is aardedonker en doodstil. Uit die diepte maakt zich heel dun het geluid van een rijdende auto los. Ik spreek een zintuig aan dat ik niet heb en lokaliseer de auto zo precies mogelijk. Het suizen over de weg zwelt langzaam aan tot de apotheose: het passeren van het huis waarin ik ben. Dat was het geluid van mijn jeugd. En dat is het nog steeds.

5