Een pleidooi voor nuance

Albert Camus (1913-1960) hoeven we niet te introduceren, zijn fictiewerk kent zowat iedereen die weleens een boek leest. Zeker De vreemdeling en De pest behoren tot de meest gelezen Franse romans uit de twintigste eeuw. Maar Camus hield ook dagboeken bij, schreef essays – zie bijvoorbeeld deze bespreking van De mythe van Sisyphus – en bedreef journalistiek voor meerdere Franse bladen. Algerije is niet weg te denken uit het oeuvre van Camus, maar de Algerijnse kwestie komt niet expliciet aan bod in zijn romans. Hij sprak zich er echter wel meermaals over uit als journalist, en een deel van die artikels zijn gebundeld en vertaald in Algerijnse kronieken (1939-1958).

Camus maakte een bijzonder onstuimige periode in de geschiedenis van zijn geboorteland mee. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog werd overal ter wereld duidelijk dat het koloniale model niet langer houdbaar was en ontstonden er onafhankelijkheidsbewegingen. Algerije vormde geen uitzondering, al kon het land zich uiteindelijk pas in 1962 loswrikken van Frankrijk, na een wrede burgeroorlog die ruim acht jaar aansleepte.

Het standpunt van Camus over de Algerijnse kwestie was pacifistisch en vooral zeer genuanceerd. Hij zag in dat hervormingen niet konden uitblijven en sprak zich uit tegen reactionaire krachten die elk onafhankelijkheidsstreven met veel geweld de kop in wilden drukken en Algerijnse moslims als tweederangsburgers bleven behandelen. Anderzijds heeft hij nooit voor Algerijnse onafhankelijkheid gepleit. Dat wordt hem nog steeds aangerekend, maar je mag niet vergeten dat elk mens een kind van zijn tijd en omgeving is. Met enige zelfrelativering lijkt het trouwens erg aanmatigend om te geloven dat we op een punt in de geschiedenis zijn beland waarop we een moreel hoogtepunt hebben bereikt en alle vorige generaties de les kunnen spellen, alsof wat nu voor een weldenkend wereldbeeld doorgaat binnen enkele decennia niet als hopeloos achterhaald of zelfs totaal immoreel zal worden beschouwd.

Het geval van Camus was in dat opzicht erg interessant, want hij werd geboren in Algerije, in een vrij arme familie die zich al sinds meerdere generaties in het Noord-Afrikaanse land had gevestigd. Naar hedendaagse normen zou je hem misschien zelfs een allochtone Algerijn kunnen noemen – zij het in een zeer gesegregeerde samenleving die sterk naar apartheid neigde. Zo werden Algerijnse moslims strafrechtelijk anders behandeld dan (nazaten van) Franse kolonisten en was het voor de eerstgenoemde groep vrijwel onmogelijk om het volwaardige Franse staatsburgerschap te verkrijgen. Toch was Algerije voor iemand als Camus wel degelijk zijn moederland, zijn geboorteplek, en kon hij later in Parijs nooit echt aarden: de ‘lichtstad’ bleef voor hem een sombere plek waar de zon veel te weinig scheen.

Camus werd er dan ook meermaals onterecht van beticht dat hij geen partij wilde kiezen, terwijl hij juist wél een gedurfde keuze maakte: tegen het extremisme, voor de redelijkheid, en voor een oplossing waardoor autochtone Algerijnen en Franse kolonisten vreedzaam zouden kunnen samenleven:

Zo geven deze teksten verkort het standpunt weer van een man die al jong werd geconfronteerd met de Algerijnse ellende en keer op keer tevergeefs waarschuwde, een man die sinds jaar en dag doordrongen is van de verantwoordelijkheden van zijn land en een behoudend of onderdrukkend beleid in Algerije onmogelijk kan steunen. Maar juist omdat ik de Algerijnse realiteit al zo lang ken, kan ik evenmin mijn steun uitspreken voor een beleid waarmee we ons gewonnen geven, want dat levert de Arabische bevolking over aan nog grotere ellende, het rukt de Franse bevolking van Algerije los van haar eeuwenoude wortels zonder dat iemand er baat bij heeft, werkt enkel het nieuwe imperialisme in de hand dat de Franse en westerse vrijheid bedreigt.

Hij waarschuwde ook voor wat hij ‘de casuïstiek van het bloed’ noemde, waar geweld steeds verder escaleert omdat elke partij naar de misdaden van de ander verwijst om er nog wredere te plegen. Daarmee ging hij bijvoorbeeld rechtstreeks in tegen Sartre, die stelde dat geweld wel geoorloofd was om een einde te maken aan de onderdrukking in Algerije.

Al klinkt hij soms een tikkeltje paternalistisch – hij gaf de indruk te betwijfelen of de autochtone bevolking ooit klaar zou zijn voor zelfbestuur – toch is zijn mededogen voor die bevolking oprecht. Zo schreef hij in 1939 naar aanleiding van de hongersnood in de streek Kabylië een reeks vlammende artikelen waarin hij de Franse overheid op haar verantwoordelijkheid wees en aandrong op voldoende voedselhulp, investeringen in het onderwijs, openbare werken, betere landbouwmethoden enzovoort, terwijl hij ook respect eiste voor de autochtone bevolking:

Op politiek vlak wil ik er bovendien op wijzen dat het Arabische volk bestaat. Daar bedoel ik mee dat het niet die anonieme, onbeduidende menigte is waar de westerling niets respectabels of verdedigenswaardigs in ziet. Nee, het is een volk met grootse tradities en met deugden die, zolang je tenminste bereid bent de mensen onbevooroordeeld tegemoet te treden, tot de hoogste behoren.

Camus klinkt steeds pessimistischer na het begin van de burgeroorlog in 1954. Dat is niet verwonderlijk, want een vreedzame oplossing werd steeds minder waarschijnlijk: de onafhankelijkheidsbeweging FLN pleegde regelmatig zware aanslagen, terwijl Franse militairen er niet voor terugschrokken om rebellen te martelen. De Gaulle zou uiteindelijk onderhandelingen aanknopen die in 1962 tot Algerijnse onafhankelijkheid leidden. Camus maakte dat niet meer mee, want hij kwam in 1960 om bij een auto-ongeluk, maar hij had zich al enkele jaren eerder uit het publieke debat over Algerije teruggetrokken. Zowat alles wat hij over Algerije schreef, werd immers – al dan niet moedwillig – verdraaid of verkeerd geïnterpreteerd. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk de apocriefe boutade entre la justice et ma mère, je choisis ma mère, wat uiteindelijk toch niet meer was dan begrijpelijke bezorgdheid over zijn moeder in Algerije, die elk moment het slachtoffer kon worden van een bomaanslag.

Camus’ standpunten over Algerije zullen altijd wel controversieel blijven, maar dat zijn journalistieke werk niets aan actualiteit heeft ingeboet, bewijzen passages die net zo goed over de oorlog in Oekraïne zouden kunnen gaan:

Maar wij weten allebei dat deze oorlog geen echte winnaars zal kennen en we erna, net als ervoor, nog steeds, zelfs voor altijd, samen moeten leven, op dezelfde grond. Wij weten dat ons beider lot zo verweven is dat elke daad van de een tot een tegenaanval van de ander leidt, de ene misdaad de andere uitlokt, waanzin op gekte volgt en, vooral, dat als de een zich afzijdig houdt het zinloos wordt wat de ander doet.

Daan Pieters

Albert Camus – Algerijnse kronieken (1939-1958). Uit het Frans vertaald en van een nawoord voorzien door Eva Wissenburg. Vleugels, Bleiswijk. 176 blz. € 24,50.
De boeken van uitgeverij Vleugels zijn te koop in de betere boekhandel of rechtstreeks bij de uitgeverij.

2