Schrijven met aarde onder je nagels

De natuurschrijverij neemt in Nederland een steeds hogere vlucht. Nog even en we streven gidsland Engeland voorbij, zoveel nieuwe titels verschijnen er de laatste jaren over onze natuurbelevenissen. Dat is hoopgevend, want een dagelijkse portie natuur maakt ons gelukkiger blijkt uit allerlei onderzoek. Maaike Lange voegt met haar in juli verschenen De wei een pareltje toe aan het Nederlandse natuurboekenlandschap.

Lange, onder meer journalist bij het AD, is in het Brabantse Schaik met haar moeder, zus en broer eigenaar van een stuk grond waar een naastgelegen tuinder zijn oog op heeft laten vallen. Dat landje heeft een geschiedenis. Haar vader heeft het onder zijn handen gehad, erop gewerkt. Er letterlijk en figuurlijk zijn sporen achtergelaten. Ze willen het eigenlijk niet kwijt en tóch ruilen ze het op een goede dag voor een stukje grond ernaast.

En daar ligt dan plotseling een nieuw landje, ingeklemd tussen het land van een intensieve veeboer en grond waar vooral prei wordt verbouwd. Als een vreemde eend in de bijt. Op het nieuwe landje, dat ze ‘de wei noemen, starten ze met niks. Met uitgepierde, uitgeknepen grond die kaal is opgeleverd. Met liefdevolle handen, een handvol regenwormen uit een wormenhotel van haar Amsterdamse stadsbalkon en een ietwat tegendraadse instelling wordt het weer iets. Op de kale grond komt het weer tot leven. Ze bouwen er een Hobbit-huisje, planten bomen en struiken en verbouwen er groente. En wat is mooier dan daar de seizoenen door te brengen en daarover te schrijven?

Lange doet dat in een zintuigelijke taal die een diepe band laat zien met ‘al wat groeit en bloeit’. Ze schrijft met aarde onder haar nagels, zoals de Britse schrijver Paul Kingsnorth het zou zeggen. Ze laat zien hoe de eenvoudige manier van leven haar gelukkig maakt, maar die door de broodboeren om haar heen vast als romantisch of stads wordt afgedaan. De zorg voor een stukje, min of meer wild land – hoe klein ook – vertraagt je leven op aangename wijze. Het laat je lopen in het ritme van de seizoenen en geeft de constante uitdaging je bezit te delen met je wilde buren. In het verder nogal rationele landschap wordt hun wei een ontmoetingsplek voor menselijke buren en andere aanwaaiers.

De andere verhaallijnen over haar werk op de stadslandbouwtuin en de pogingen om op haar Amsterdamse balkon nog iets van leven uit potten te laten groeien, verweeft ze moeiteloos tot een logisch geheel. Vanuit deze kleine werelden haakt ze in op de grotere issues die spelen in ons land. Over stikstofproblematiek, hoge veedichtheden en verlies van biodiversiteit. En dat met een fijne ondertoon die pleit voor een wat minder steriele omgang met onze leefomgeving: ‘Het gevecht om alles zo lang mogelijk gaaf en rimpelloos te houden, kunnen we beter staken.’

Het zijn dit soort fijne, maar scherpe zinnetjes waarin Lange onze vaak nogal liefdeloze omgang met natuur en landschap beschrijft: ‘Over het water echoot de melancholische toeter van een meerkoet. Alsof ze aankondigt dat deze zomerse picknickidylle maar kort zal duren, want een dag later beginnen plotseling de werkzaamheden voor de damwandversterking en is een deel van de wildebloemenberm verpletterd door een schafthok dat met een kraan alvast in de berm is neergekwakt.’

De toon blijft echter optimistisch en opvallend warm over de landgebruikers om haar heen. Ook als de tuinder die hun oude wei kocht, deze uiteindelijk inzet voor een bouwdeal met de gemeente, blijft ze mild en richt ze zich op haar eigen stukje land. En steeds meer ontwikkelt die wei zich voor Lange tot een bijzondere plek zoals Marcel van Ool zo mooi beschrijft in zijn boekje Het innige landschap.

Tot slot moet de Plek de mogelijkheid bieden om er op zijn minst af en toe alleen te zijn en terwijl je best weet hoe fijn het er de vorige keer was, ben je er niet voor de herhaling van die ervaring. Je bent er eigenlijk doelloos. Helemaal geen voorwaarde, maar wel vaak een kenmerk van de Plek: ze is soortenrijk.

Het mooist, tot slot, zijn de woorden die Lange wijdt aan het kijken naar het licht, naar de lucht en al die andere natuurlijke fenomenen die je alleen ziet als je dieper kijkt en voelt. ‘De koude wind van de laatste weken heeft de komst van de lente vertraagd, wat ook iets prettigs heeft, prettig langzaam. Maar vanaf vandaag is er geen houden meer aan. Ik hoor, ruik, voel en zie het.’ En gelukkig staat De wei vol met dit soort woorden. Het boek is een landschap op zich.

Aaldrik Pot

Maaike Lange – De wei. KNNV Uitgeverij, Zeist.

2