Recensie: Rik Zaal – Het land van Hrabal
Een sterk verrassend sterk verhaal
Programmamaker, journalist en schrijver Rik Zaal levert met Het land van Hrabal een vermakelijke en belangwekkende roman af. Het is een ontdekkingstocht naar de werking van het geheugen, naar het belang van het geweten. Wegen onze gewetensbezwaren wel op tegen die van bewoners van dictaturen? Is het stellen van vragen in de trant van ‘kunnen we met goed fatsoen een truitje kopen dat in een lagelonenland is gemaakt?’ niet eerder aanmatigend, al zeker in vergelijking met bewoners van totalitaire staten, waar elke beslissing, elke opmerking zelfs verstrekkende gevolgen kan hebben, waar een geweten, waar een ‘geheugen’ eerder een onbekend luxeartikel is, iets dat men zich uit lijfsbehoud niet kan veroorloven.
De verteller in Het land van Hrabal is de Nederlandse schrijver op leeftijd Hendrik Terpstra, die worstelt met zijn geheugen, een soort Alzheimer light heeft. Maar gelukkig heeft hij vroeger als journalist heel wat artikelen geschreven, kan hij putten uit dagboeken en is er ook nog een vrouw die af en toe een andere kijk op het verleden kan geven. Net als Zaal heeft Terpstra weleens een boek geschreven. Als beginnend schrijver liep hij vast.
En toen kwam de twijfel. Is het allemaal nog wel de moeite waard, zijn er andere, betere schrijvers te vinden die de vraagstukken al hadden opgelost? Nu hij terugblikt komt hij in zijn agenda’s steeds de naam tegen van de Tsjechische grootmeester Bohumil Hrabal. Terpstra zat niet zozeer verlegen om verhalen, maar zocht naar een vorm, een discipline. Iets dat Hrabal zich spelenderwijs eigen gemaakt leek te hebben. Op naar U zlatého tygra, waar Hrabal regelmatig aan de stamtafel zat. Ergens voor de Fluwelen Revolutie van 1989 moet hij Hrabal hebben aangesproken. Maar omdat zijn geheugen hem in de steek laat, weet hij niet meer of een gesprek echt heeft plaatsgevonden.
Ik vraag me zelfs af of het ooit wel iets geweest is, dat geheugen van mij. […] Zelfs van Bohumil Hrabal, van wie ik ongeveer alles heb gelezen, wat best veel is, en die ik als een van de grootste schrijvers van de twintigste eeuw beschouw, herinner ik me eigenlijk alleen dat ik zijn boeken briljant en soms geniaal vond, maar over de inhoud weet ik niet veel meer. Wel over de stijl die ik onontkoombaar goed vond, zo’n stijl waarvan je als schrijver denkt: zo moet je schrijven, zo zou ik ook moeten schrijven, maar ja, dat kan ik natuurlijk niet, en dat moet ik ook niet willen, dat soort gedachten. En ik geloof dat ik daar ook met hem over wilde praten.
En dan ontstaat een fijn licht verwarrend schimmenspel tussen personage en schrijver. Terpstra is aan het woord, Zaal levert bewijsmateriaal via foto’s uit zijn persoonlijke archief, voert talloze ontmoetingen met Tsjechische vrienden op. Bezoeken aan de ‘heilige’ datsja, de enige plek waar de mens min of meer veilig is voor het gezag.
Met soms maar een enkele aanwijzing, met een aanstekelijke terloopsheid, legt het duo een smakelijk mozaïek van een land, van het schrijverschap. Dit collectiefje weet de complexiteit van de Boheemse ziel, de gewiekste argeloosheid, de reddende laconieke levenshouding goed te duiden. Een denkwijze en instelling die je aan den lijve hebt moeten ondervinden om het maar enigszins te kunnen bevatten.
De theorie die Terpstra heeft ontwikkeld, is steekhoudend. Er zijn Echte en Onechte Landen. In de Onechte landen, zoals Nederland, is er geen echte literaire noodzaak. Het voorspelbare Nederlandse realisme, inclusief metaforen, de Grunbergiaanse aforismen, met de ‘autobiografische elementen’ doorgaans gegoten in een even voorspelbare vorm. ‘De zakelijk- uitleggerige traditie.’ Literatuur als een luxeproduct.
De theorie stelt dat:
Er in Echte Landen echte dingen plaatshebben of in een recent verleden hebben plaatsgehad zoals onderdrukking, gelegaliseerd racisme, tirannie, politieterreur, gelegaliseerde leugens […] die bestraft kunnen worden.
De literatuur is in dat geval broodnodig. Denk in het geval van Tsjecho-Slowakije van de jaren zestig en zeventig aan Charta 77. (In principe slechts een verzoek tot een dialoog met de machthebbers.) Ondertekening daarvan leidde onherroepelijk tot ontslag uit passend (academisch) werk of gevangenneming. De latere president Václav Havel zat meermaals in de cel. Nog in januari 1989 werd hij na het jaarlijkse sterk uitgedunde protest op het Wenceslausplein in Praag in verband met de verbranding van Jan Palach gearresteerd en vanwege straatschending veroordeeld (waar men eigenlijk Staatsschending bedoelde). Aan het eind van hetzelfde jaar nam Havel als president zijn intrek in de burcht. Hoe surrealistisch wil je het hebben.
In deze theorie fungeert ook het geweten anders in Echte Landen. De consequenties van het maken van een keuze zijn heel echt, drastisch. Je kunt je eigenlijk geen moraal veroorloven. Het schrijversduo geeft meerdere pijnlijke voorbeelden. Achmatova, Sjostakovitsj en ook Hrabal. Het is gemakkelijk om aan de Westerse zijlijn te oordelen. Leven in een Echt land kan meedogenloos zijn. Je kunt als ‘gewetensbezwaarde’ geen kant op.
Natuurlijk reageren de bewoners van de Echte Landen met een schouderophalen met ‘Normalny’. Zo is het nu eenmaal, niets aan te doen. Een gelatenheid als overlevingsmechanisme. Maar diep in hun hart vinden ze het natuurlijk niet normaal, maar het is onmogelijk om daaraan toe te geven. Het absurde is in de aloude Boheemse traditie nu eenmaal gewoner dan elders in de wereld. De Bohemien leeft bij de dag, uit zelfbescherming. Fictie en feit lopen door elkaar heen. Het vertellen van (aangedikte) verhalen als mantra’s, als hulplijnen.
Het land van Hrabal is een vormtechnisch sterke roman. Hoe kan het ook anders wanneer er via de verteller een verstandhouding, een zekere verwantschap met de koning der absurdisten wordt gezocht. Hrabal die als geen ander heeft gespeeld met het principe van de Écriteur Automatique, die ogenschijnlijk spontaan aaneenreeg, een labyrint creëerde met vele ondertonen. Vervreemding, een heerlijke zwartgalligheid, een paradoxale kijk op de werkelijkheid, een zekere verheffing juist in die verschoven kijk en vooral veel mededogen.
De titel verwijst enerzijds naar dat Hrabaleske universum, anderzijds naar dat Midden-Europese land dat ten tijde van de geboorte van Bohumil Hrabal in Brno in 1914 nog onderdeel was van de Oostenrijk- Hongaarse dubbelmonarchie. Dat in 1918 de Eerste Tsjecho-Slowaakse Republiek werd, totdat in 1938 de nazi’s daar een einde aan maakten. In 1948 grepen de communisten de macht. In 1968 vielen Warschaupacttroepen het land binnen om een einde te maken aan de Praagse Lente. Na de Val van de Muur in 1989 werd in 1993 het land vreedzaam opgedeeld in Tsjechië en Slowakije. Bedenk dat daarvoor in de geschiedenis de Zweden en de Turken ook al langs waren geweest.
Onderwijl zat Bohumil Hrabal aan zijn stamtafel in café De gouden Tijger, waar politiek angstvallig werd vermeden, met de gedachte dat zelfs ‘bierpolitiek’, fijne ‘dronkenmanspraat’, gevaarlijk kon zijn. Tot hij in 1997 uit het raam van de vijfde verdieping viel dan wel vrijwillig tuimelde.
Dit voor de Nederlandse literatuur ongewoon goede boek doet de smaakpapillen verlangen naar een goed getapte Krušovice. Een halve liter Budvar, Gambrinus of Staropramen mag ook. Nazdar!
‘Deze wereld is zo mooi, om er harstikke gek van te worden, niet dat de wereld zo is, maar zo zie ik hem… Oom Pepin’
Guus Bauer
Rik Zaal – Het land van Hrabal. De Arbeiderspers, Amsterdam. 136 blz. € 19,99.


In het Russisch heet een buitenhuis een ‘datsja’ , in het Tsjechisch is het een ‘chalupa’. Wie een Tsjechisch buitenhuis een ‘datsja’ noemt gaat toch wel behoorlijk de mist in.