Opiniemaker Jan

Dagboeken en brieven geven de lezer vaak een beter inzicht in de zielenroerselen, in de beweegredenen van een schrijver. Als het goed is tenminste, er niet al te veel voor publicatie in is gesnoeid en gerommeld, het rauwe en pure niet is aangetast door onnodige mooischrijverij. In Ben ik duidelijk? Hebben wij nog contact? zijn door Jack van der Weide en Chrétien Breukers een aantal brieven verzameld van Jan Kostwinder (pseudoniem van Jan de Vries, 1960-2001).

Kostwinder is in deze epistels duidelijk, sabelt er flink op los, daar waar hij denkt te moeten neersabelen. En, als deelgenoot van de literaire wereld van eind vorige eeuw, ben je geneigd hem in retrospectief alsnog volmondig gelijk te geven. Veel is er overigens niet veranderd. Gekonkel, verborgen agenda’s en vriendjespolitiek, de geldgier van uitgevers in hun jacht op de everseller, auteurs die elkaar van pure nijd de tent uitwerken. Het is van alle tijden. Heden ten dage is het, mede door sociale media, op de spits gedreven. De ‘marktwerking’ is god. ‘Wat een leuk exootje heb je daar in je fonds’.

In de jaren negentig was er nog een levendige literaire tijdschriftencultuur. Periodieken verschenen aan de lopende band, losten doorgaans na een paar vurige, enthousiaste, ‘baanbrekende’ edities weer op in de dunne lucht. Jan worstelde op elk gebied, met zijn eigen veelbelovende talent, dat maar niet door uitgevers van statuur en het grote publiek werd gezien, met de eeuwige strijd om erkenning, met drankzucht, drugsverslaving, met een fixatie voor hoererij, met een zoektocht naar vorm en genre. Hetgeen resulteert in, zoals hij het zelf noemt, een schots en scheef oeuvre. Die zijn, juist door die zoektocht, min of meer in het wilde weg, een zijstraatje hier, een kronkelpas daar, het interessants, wijken, godzijdank, af van de massa, van alles wat maar midden op de weg doordendert.

Kostwinder had een groot talent om mensen tegen zich in het harnas te jagen, zei en schreef precies waar het op stond. Rogi Wieg, waarmee hij aanvankelijk nog een tijdschriftje begon, krijgt er ongenadig van langs. (Als een bloednerveuze Wieg begin jaren tachtig voor de vierde keer op een dag voor mijn kleine-uitgeversdeur stond, kroop ik ook weleens onder mijn bureau.)

Je voelt bij de brieven van Kostwinder aan dat ze echt zijn, dat de welbespraaktheid een tweede natuur is. En hij realiseert zich ook – iets dat velen pas na zeer lange tijd inzien, als het zich al openbaart – dat het feitelijk om het schrijven zelf gaat, het proces van het verbinden, verbanden leggen, ook in de zin van ‘wondverzorging’, om te kunnen omgaan met de strijd, met de duistere krochten diep vanbinnen. Eén lezer is in principe al voldoende.

Kijk, het ligt allemaal heel simpel: als ik niet schrijf dan word ik knettergek en ga ik dood, maar waarover ik schrijf interesseert me niet. […] Ik zal mezelf naar een publiek toeschrijven want wat niet gelezen wordt, is niet geschreven. Dat vind ik tenminste. Vandaar ook deze brieven. Dan heb ik in ieder geval het minimale publiek van één persoon.

Meermaals vraagt hij de geadresseerden om een kopie te maken van de brief en die met het antwoord mee terug te zenden, voor het geval er ooit een brievenboek gemaakt wordt. Aan Jaap Boots schrijft hij dat hij tevens begonnen is met het bijhouden van een dagboek.

Alles moet er een plaats in kunnen vinden. […] mijn dagboek moet aan alle kanten open zijn, een zich permanent vormende vorm. Maar niet alles is mogelijk, er is met name één taboe: ik mag niet incalculeren dat iemand mijn dagboek ooit lezen zal. Wanneer ik er rekening mee zou houden dat mijn dagboek misschien ooit gelezen zal worden zou ik mijn onbevangenheid verliezen. Steeds zou er iemand over mijn schouder meelezen. Ik zou gaan poseren en ‘literair’ willen schrijven.

En juist dat zelfde sentiment, die onbevangenheid, hebben de verzamelde brieven. Je wordt weer eens geconfronteerd met de literaire wereld van de jaren negentig van de vorige eeuw, ziet de connecties – die er toen nog waren – met de stromingen van laat negentiende, eerste helft twintigste eeuw, de betrokkenheid van iemand die nog het echte literaire leven leidde, doordrenkt van de taal, van het ongekende vermogen van vorm, inhoud, van gelaagdheid. Kostwinder is iemand van het detail. Daar steekt het werkelijke belang in.

Het zijn niet de grote gebeurtenissen – verslaving of uitsluiting of zelfmoord – die schokkend zijn in een verhaal, want die zijn in zekere zin abstract, of toch in zekere zin van algemene aard, schokkend zijn naar mijn mening juist de precieze omstandigheden waaronder ze zich voltrekken.

Uitgeverij Fragment heeft er een fijne, goed verzorgde uitgave van gemaakt van een erkende poète maudit. Hoe graag zou je Kostwinder eens willen lezen over de huidige gang van zaken, willen horen in de podcast van geadresseerde Chrétien Breukers bijvoorbeeld. Over kunstmatige intelligentie, sociale media, over de nieuwe bestsellercultuur, over organisaties in doodsangst, die krampachtig op het midden van de weg willen blijven, zoals het CPNB, die bij een ‘wedstrijd’ voor een Boekenweekgeschenk een lekkere brede jury aantrekt, om werkelijk geen enkele bevolkingsgroep uit te sluiten. Een jurylid van net in de twintig in een interview in het NHD, die duidelijk laat blijken niets met Nederlandse literatuur te hebben wanneer het niet precies in het nauwe straatje van deze persoon past. ‘Ik gaf het Nederlandse boek nog een kans. Het was soms door het onkruid heen woekeren.’ Onkruid van al jaren bij grote uitgeverijen publicerende schrijvers. Wil de nieuwe Kostwinder opstaan.

Guus Bauer

Jan Kostwinder – Ben ik duidelijk? Hebben wij nog contact?. Bezorgd en van een voorwoord voorzien door Jack van der Weide en Chrétien Breukers. Uitgeverij Fragment, Leiden. 148 blz. € 27,-.