De mens op zijn plek

Kratermond is de tweede bundel van klimaatdichter Sara Eelen. Het klimaat, de natuur, is veel aanwezig in de bundel. Deze recensent voelt zich geconfronteerd met zijn antropocentrisme. Of anders gezegd: het is lastig om je in te leven in een gedicht waar geen mensen of menselijke gevoelens in voorkomen. Bijvoorbeeld:

Sepia

Naast de armen nog tentakels
alleen zichtbaar voor de prooi.

De zeekat blaast waterstralen op het zand
schrikt je op in haar snavelvormige bek

kleurt de wereld sepia.

Dit is haar geboortegrond, de grond
voor wedergeboorte, de grond doordrongen van inkt.

Na de paring blijft het mannetje haar volgen
bang dat ze met een ander dezelfde vlucht voltrekt.

Dan baart ze, daar, in oude visnetten
warme wateren, honderd van inkt doordrongen eieren

en ze sterft. Haar jongen als honderd druppels water
zullen nog enkele weken bij haar blijven

maar groeien doen ze in open zee.

In het gedicht staat informatie over zeekat, een soort inktvis. Wat moet een lezer hiermee? Een poging is om iets menselijks in het dier te zien. Zou een man een vrouw blijven volgen, omdat hij bang is dat de vrouw zwanger raakt van een andere man? Groeien mensen pas in ‘open zee’? Bijvoorbeeld als ze zich echt moeten verhouden tot grote gevaren? Dit zijn niet echt bevredigende interpretaties. Het gaat dan dus echt over een zeekat, en er staat informatie in die ook in een encyclopedie gevonden kan worden. Het is daarmee misschien een meta-commentaar: niet alles gaat over jou, lezer/mens, de wereld is groter dan jou. Dat ervaart deze recensent als confronterend, maar niet onprettig. Het openingsgedicht is misschien ook al een leesaanwijzing:

Het gedicht lijkt te gaan over een wij die op vakantie is in de natuur. Er worden foto’s gemaakt van de natuur, maar niet van de wij (‘Geen aanwijzing / dat wij het waren’). Het ‘ongeschonden lichaam’ verwijst naar een stuk natuur, dat nog ongerept is. Daarmee wordt de natuur op hetzelfde niveau geplaatst als de mens. In de regel ‘Ik dacht nooit eerder over dit ongeschonden lichaam als anomalie’ zit dan de crux, namelijk én de natuur is net zo belangrijk als de mens, maar ook: dit ongerepte stuk natuur is echt een uitzondering (een ‘anomalie’), of anders gezegd: veel natuur is wel geschonden. Het lijkt een soort beginselverklaring, of anders het ontstaan van een besef dat de natuur belangrijk is, om een eufemisme te gebruiken. Toch zijn er ook mensen te vinden in de bundel:

Alles heeft een gestolen naam

Weer roept een man mijn naam.
Het is een man die nooit eerder mijn naam riep.

Hij staat op de vlakte, een lange schaduw voor zich uit.
Het avondlicht delft de jaren in zijn ogen.

Hij wil dat ik dichterbij kom, voor hem vorm en helling word
mijn vacht als deken in zijn handen.

Mieren hebben begraafplaatsen waar ze hun doden heen dragen.
Ze sporen de gevallen werkers op doordat ze het sterven ruiken.

Als je een mier bedekt met die geur, zal hij zichzelf naar
de begraafplaats dragen, wacht tot het parfum weg is of hij sterft.

Ik zoek de man, zijn blik achter gesloten ogen. Ik maak geen kans.
Geen vuisten. Geen beweging.

De man weet niet wat ik kwijt ben
maar hij zal me overtuigen dat hij het vond.

Hier lijkt de man een gevaar te zijn. Die associatie wordt opgeroepen door de lange schaduw, de begraafplaats en dood van mieren, ‘Ik maak geen kans’, en uiteraard de slotregels. De man lijkt het normaal te vinden om de ik te kunnen gebruiken: ‘Hij wil dat ik dichterbij kom, voor hem vorm en helling word.’ Verzet lijkt zinloos. Toch zal de man een extra soort verleiding, of misschien beter: misleiding, inzetten om dat ik te overtuigen van zijn waarde. Het gedicht wordt nog sterker als eerst het gedicht ‘Alles heeft een verborgen naam’ gelezen wordt, waar het geweld nog maar sluimerend aanwezig is. Tot besluit een lief gedicht:

Duiker

Je zoon zal een duiker zijn. Nu al zie je zwemvliezen
luchtbellen waar een mond groeit

kikvorsman, hij draait zich in je buik, dwars

verkent het water, op zoek naar parels.
Nog even, denk je, de parel allang doorgeslikt

omdat het moest, elke dag langer dat hij onder water blijft

smeek je om zijn sprong, mag hij de diepte bepalen
laat de diepte verlossing zijn

geen wieg voor een slangendrager. Je zoon op het droge
maar beademd

restjes ammoniet in de navel.

Tenminste, als het beeld van het nog ongeboren kind positief is. Als hij restjes ammoniet in de navel heeft, betekent dat een verbintenis met de natuur? Dat het nodig gaat zijn om te kunnen duiken en zwemmen, geeft dat aan dat de wereld ten onder gaat?

Erik-Jan Hummel

Sara Eelen – Kratermond. Querido, Amsterdam. 80 blz. € 19,99.