Mette

Als beginnend leraar las ik in twee derde klassen aan de Scholengemeenschap Noord te Amsterdam de meesterlijke allegorie Animal Farm van George Orwell, waarin farmer Jones (de tsaar) zijn volk zo onderdrukt en mishandelt, dat de dieren, onder leiding van de varkens (de communisten) hem van zijn boerderij verjagen en een nieuw regiem beginnen, waarbij alle dieren gelijk zijn. De communistische revolutie van 1917.
Het was in het jaar 1971 of 1972. Ik heb al mijn lerarenagenda’s sedertdien bewaard, 39 in getal, maar heb het juiste jaar niet kunnen terugvinden, evenmin als de naam Mette, een meisje dat op een stil moment na de les even nableef om mij op een waarlijk onvergetelijk lieve manier attent te maken op een vergissing mijnerzijds, een blunder feitelijk, een pijnlijke leesfout.

Ik las de tekst uit Animal Farm zelf voor, aangezien anders de draad van het verhaal zou stokken en misschien verloren zou gaan, als ik de klas op toerbeurt had laten voorlezen. Daar ben ik nu, achttien jaar na mijn pensionering, niet zo zeker meer van. Als ik deze meesterlijke fairy story, in Orwell’s eigen kwalificatie, nu klassikaal zou behandelen, zou ik drie leerlingen per leessessie ongeveer vijf minuten laten voorlezen, om dan het resterende deel zelf over te nemen, in het juiste ritme en met de juiste intonatie. Ze zouden dan trots en opgelucht zijn over hun uitspraak van het Engels en de draad van het verhaal niet verliezen door mijn overname in een begrijpelijker tempo en duidelijker context. En spelenderwijs zou hun vocabulaire zich verrijken, enerzijds door betekenis associaties en anderzijds door losse vertalingen mijnerzijds.

Ik gaf les aan de mavo-afdeling van de school op basis van een tweedegraadsbevoegdheid, de akte mo A. De studie voor het mo B, zoals een eerstegraadsbevoegdheid werd genoemd, was naast mijn baan, met zijn planning en correcties, een forse belasting en ik bereidde me dan ook minimaal op mijn lessen voor, volgde gedwee de lijn van het lesboek. Voor lezing van Animal Farm trok ik in het geheel geen tijd uit. Ik noteerde in de marge waar we in de respectievelijke klas gebleven waren en pikte daar de draad dan weer op. Het boekje sloeg goed aan en verschafte mij een zekere macht. Ik mocht eisen dat de klas serieus werkte aan de opdrachten uit het lesboek, met de vriendelijke dreiging dat ongeïnteresseerdheid in mindering zou worden gebracht op lezing van het boekje. Een regelrechte belediging van de literatuur natuurlijk, maar daar kon ik toen nog aan voorbijgaan.

En Mette?
Die komt nu.

Ik was op een bepaalde dag aangeland op pagina 18 en las zelf voor: (…) the fields were full of weeds, the buildings wanted roofing, the hegdes were neglected, and the animals were underfed.

Ik las het laatste woord in een korte flits van begriploos automatisme, als undurved. Ik wist niet wat dat woord betekende maar wilde me niet laten kennen en las door. En de klas las braaf mee.

Einde les.
Raar gevoel.

Na het opgeven van het huiswerk voor de volgende les bleef Mette dralen in het lokaal, alsof ze haar tas niet goed kon inpakken. Ik zuchtte en zakte onderuit, wist nog niet wat ‘undurved’ betekende.

En in het lege lokaal kwam daar een meisje op me af, Mette, die half verlegen suggereerde dat de dieren ondervoed waren: under-fed.

Dat dit meisje wachtte tot we alleen waren, om me toen pas als haar leraar voorzichtig te souffleren, zal ik nooit meer vergeten.

Mijn geheugen kan dan een grote zwendelaar zijn, door me van alles te onthouden, namen vooral, of me zelfs dodelijke dingen te laten herbeleven, die absoluut niet gebeurd zijn, maar het meisje Mette (ze is later dierenarts geworden) ben ik nooit meer vergeten, daar kan geen geheugen tegenop.

L.H. Wiener