Column: Michelle van Dijk – Een ‘andere’ smaak
Een ‘andere’ smaak
Is een literatuurcriticus een snob? (Dit is niet voor iedereen een retorische vraag.) Een echte snob laat zich voorstaan op zijn goede smaak, dus moet hij die etaleren. Maar juist om zich te onderscheiden wil hij ook niet écht dat anderen dezelfde goede smaak hebben, dus zal hij beweren dat smaken verschillen zónder hiërarchie. Volgens de lijnen van deze paradox wringen literatuurcritici Joost de Vries en Marja Pruis zich met gespreksleider Charlotte Remarque in alle mogelijke bochten wanneer ze De Camino bespreken in een recente aflevering van Boeken FM – met nog een nabespreking in de vervolgaflevering. Joost de Vries roept misschien wel vier keer dat hij niet neerkijkt op het boek, nadat hij er herhaaldelijk op aangezette toon uit voorgelezen heeft, de hoofdpersoon een leeghoofd heeft genoemd en er met de anderen hard om gelachen heeft. Tja, als je het nodig vindt om zo vaak te benadrukken dat je ergens níet op neerkijkt, dan weten we het eigenlijk wel.
Volgens De Vries kun je zijn mening negeren en mag iedereen het boek ‘lekker lezen’ en altijd een andere mening hebben, maar hij negeert zijn podium en bereik als chef boeken bij de Volkskrant – ondanks een opmerking hierover van Remarque. Als een boek daar niet eens besproken wordt, hoe moet het publiek dan ontdekken dat het er een andere mening over heeft? Marja Pruis komt er wel voor uit dat ze zichzelf het liefst zou zien als poortwachter van de literatuur, rondrijdend met een megafoon in de auto om mensen te vertellen wat ze wel en niet moeten lezen, maar ze vindt blijkbaar niet dat haar positie bij De Groene Amsterdammer dat is? Er wordt gesteld (onder mild protest) dat je tegenwoordig geen onderscheid meer mag maken tussen literatuur en lectuur, dat je als recensent heus ook boeken wilt lezen en bespreken ‘omdat iedereen ze leest’, maar ze noemen De Camino lelijk en inconsistent, ‘geen literatuur’, geven het boek een onvoldoende en zijn het er unaniem over eens dat het Letterenfonds Anya Niewierra niet mee had mogen nemen naar de boekenbeurs in Turijn als toonbeeld van de Nederlandse letteren.
Al bij aanvang van de podcast-aflevering relativeren De Vries en Pruis hun positie, wanneer Remarque ze de belangrijkste literatuurcritici van Nederland noemt. Het zou goed zijn als ze erkennen hoe groot hun invloed wel is: hun keuzes om boeken wel of niet (positief of negatief) te bespreken hebben in de Nederlandse letteren veel meer impact dan de keuze van het Letterenfonds.
Tijdens het luisteren verlangde ik naar het goede oude vroeger, toen de stand der letteren nog aan ordinaire talkshowtafels bevochten werd. ‘Scheer je weg, nietsnutten, uit het land van de literatuur!’ riep Connie Palmen ooit, gevraagd naar haar mening over Saskia Noort en Kluun. De Vries en Pruis hebben er een heel uur voor nodig om ongeveer hetzelfde te zeggen, in chocolade gedipt: zij lezen ‘een ander segment’, ze zouden zelf niet zeggen dat zij de goede smaak hebben, maar wel ‘een andere smaak’. De Vries stelt in de nabespreking dat hij het boek anders zou bespreken als recensent voor de krant: dat is een andere rol dan als literatuurcriticus. Dan zou hij bekijken hoe het boek past binnen het genre, met het oog op een bepaald soort lezer. Ik ben hier nog over aan het nadenken. Joost de Vries de recensent is niet Joost de Vries de literatuurcriticus die meepraat in een podcast? Maar zou hij, als Joost de Vries, chef bij de Volkskrant, beslissen dat hierover een recensie geschreven wordt? (Natuurlijk niet, de krant vindt een interview of Magazine-kolommetje genoeg aandacht voor lectuurschrijvers, dan kunnen ze die daarna weer een halfjaar negeren.)
Het probleem is niet dat ze De Camino kritisch bespreken in de podcast. Een succesvol boek mag kritisch besproken worden, de keuze van het Letterenfonds mag bevraagd worden. Maar ga me niet lastigvallen met jouw geweten als je niet eens op je eigen rol kunt reflecteren. Bespreek zo’n boek ook niet als je niet kunt bedenken waarom mensen het wél willen lezen – dat is een belediging voor de schrijver en lezers van het boek. De enige inhoudelijke verklaring die verkend wordt, is een duidelijke locatie, omdat Ilja Leonard Pfeijffer dat eens als voorwaarde genoemd heeft voor succesvolle boeken. Verder gaat het uitvoerig over hoofdpersoon Lotte: ‘een kip met of zonder kop’ (Remarque/Pruis) een vrouw zonder bewustzijn, zonder geestelijke remmingen, vol onsamenhangende gedachtes, ‘zo’n dom personage’, zoals ‘Andrew Tate denkt dat vrouwen zijn’ (De Vries). Een vrouw die een eigen zaak heeft en alleen de Camino gaat lopen, is helemaal geen vrouw voor Andrew Tate, maar goed. Nu klagen deze mensen ook wel dat ze in hun kritische blik op literatuur een beetje op een eiland zitten, heel eenzaam, maar kijken ze geen Hollywood-films? Kennen ze sowieso geen andere mensen dan literatuurcritici met een brein in de vorm van een essaybundel, alle primaire reacties weggestreept?
Ook mooi van De Vries, die vindt dat je elke andere mening over besproken boeken mag hebben: er zijn wel eens mensen die boos zijn op critici en zeggen dat zij in een ivoren toren zitten, zegt hij, en dat zijn vooral ‘gefnuikte auteurs’. Dit moest toch wel ironisch zijn, dacht ik, maar hij ging bloedserieus verder.
‘Ze heeft wel goede kritieken gehad,’ werd er over Niewierra gezegd, waarop een ander reageerde: ‘Van échte recensenten?’
Het is overigens duidelijk dat ik dit stuk schrijf als gefnuikt auteur. Mijn romans zijn niet besproken in De Groene Amsterdammer en de Volkskrant. Fnuiken is belemmeren, kortwieken en je kunt stellen dat schrijvers die niet besproken worden in recensies, inderdaad beperkt worden in hun bereik. Ik vind daarom zeker dat Pruis en De Vries poortwachters van de Nederlandse literatuur zijn. En het is een smalle poort. Sinds Joost de Vries de ‘boekenbijlage’ van de Volkskrant runt, moet je met een loep zoeken naar besprekingen van nieuwe Nederlandstalige fictie. Persoonlijke beschouwingen hebben die ruimte ingenomen, maar bijster origineel zijn ze niet altijd en ik vind niet dat poortwachters in Nederland de zoveelste internationale trend moeten gaan verklaren.
Als je met een megafoon rondrijdt om mensen in Nederland te vertellen wat ze moeten lezen, kies er dan niet voor om vanuit drie auto’s het werk van Joan Didion te etaleren, bijvoorbeeld. Als je het onbegrijpelijk vindt dat iedereen De Camino leest en wat tegenwicht wilt geven aan de bestselleritis in boekhandels, moet je er vooral voor zorgen dat lezers meer nieuwe Nederlandse romans en dichtbundels ontdekken.
Michelle van Dijk

Goed stuk!
Ik word nu wel benieuwd naar De Camino.