Over schrijvers en boeken die in de canon thuishoren kun je eindeloos discussiëren. Alles hangt af van de samenstelling van een commissie die de canon samenstelt. Als Luc Devoldere (1956) in de commissie zit, dan krijg je ongetwijfeld een andere uitkomst van canonwaardige boeken dan wanneer je Annelies Verbeke (1976) in de commissie zet. Luc Devoldere was betrokken bij eerdere edities van de canon van KANTL, die per definitie dynamisch is, want elke vijf jaar komt er een nieuwe editie. Toch vindt Devoldere de canonlijst waarbij hij betrokken was veel beter dan de lijst die onlangs gepresenteerd is. Na een eerste stuk op Neerlandistiek waarin hij voor de zoveelste maal een pleidooi voor de J.C. Bloem houdt, kwam er een tweede stuk waarin het oud-commissielid de nieuwe commissie beschuldigt van al te woke gedoe. Hij gebruikt het woord ‘woke’ niet letterlijk, maar je kunt aan de beschrijvingen zien dat hij de keuze veel te politiek correct vindt.

De op zich billijke inhaalbeweging om meer vrouwen in de canon te brengen bracht mee dat men grote dichters als Bloem en Achterberg geruisloos opofferde.

De ‘grote’ dichters werden opgeofferd om meer vrouwen in de canon te brengen. Een ‘op zich billijke inhaalbeweging’ verraadt wat Devoldere eigenlijk denkt: dat die dichteressen lang niet zo groot zijn als hun mannelijke tijdgenoten. En dan heeft de huidige commissie ook nog het lef gehad om Herman De Coninck op te nemen. ‘Dat is met alle respect geen Champions- maar Conference League.’

Devoldere is echt een man van zijn tijd, die zijn boomerblik niet onder stoelen of banken steekt:

Geeraerts Gangreen I Black Venus viel al in 2020 af. Maar toen bracht de commissie wel een vergelijkbaar boek, Turks fruit van Wolkers in de canon. Die moest nu ook wijken. Daarmee is de aandacht voor de bevrijding van de jaren zestig weg, en de ongeremde, vitalistische beleving van seksualiteit en daarmee het mannelijke perspectief en erger – “the male gaze”. De canon is wel degelijk die van 2025.

De nieuwe keuzes bij de historische letterkunde vallen ook niet goed, want er verdween van alles:

Het Antwerps liedboek, gedichten van Vondel en Huygens eveneens. Moriaen, een Arthurroman met een zwarte ridder, werd dan weer opgevist. De canon is blijkbaar die van 2025.

Die witte ridders waren immers veel beter.

Maar het literaire huilie huilie-verhaal gaat nog verder, want ook Eva van Carry van Bruggen en Het jongensuur van Andreas Burnier staan op de lijst. Devoldere prijst die keuzes eerst nog als gedurfd en goed overdacht, maar komt toch met een discutabele opmerking over Het jongensuur:

Met dat laatste boek uit 1969 is genderdysforie de canon binnengekomen. Dat woord was tien jaar geleden en zelfs vijf jaar geleden, toen ondergetekende nog in de canoncommissie zat, bijna onbekend. De canon is duidelijk die van 2025.

Eerder noemt hij Het jongensuur ook in een rijtje boeken met Het Achterhuis en Het bittere kruid en merkt dan op: ‘Het joodse perspectief werd ook dominant op deze manier.’

Om te eindigen met nog een opmerking die van misogynie en homofobie getuigt:

Lag Gerhardt ook op het hakblok? En heeft ze het toch gehaald omdat ze een …vrouw was? En dan nog een vrouw die samenleefde met een andere vrouw? Ceterum censeo…De canon is dood. Leve de canon.

Onder het stuk van Devoldere staat een reactie van Robbert-Jan Henkes (1962)

Waarom heet het dan nog een canon, nietwaar. Het zou iets moeten heten als Leuke Ideetjes voor de Klas om te Grasduinen in oude Literatuur voor Als je het Zelf Even niet Weet, Leraren-Editie.

Gillis Dorleijn (1951), emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, reageert als volgt:

De spijker op z’n kop!

De canon is dynamisch, maar liever niet lijkt de conclusie te zijn.