De volgende recensie van Salomo’s dochter komt uit 2003.

Geflipt

In Salomo’s dochter maken we kennis met de geschiedenisstudente Janna die over haar intense omgang vertelt met het vierjarige buurmeisje Kaatje van wie ze houdt zoals een moeder van haar kind houdt. Aan deze relatie komt een eind omdat Kaatjes moeder er tegen is. Janna kan dit kind niet vergeten en vijftien jaar later ontmoet ze haar opnieuw, ze heet nu Cat, volgt een college bij Janna en terroriseert haar op schrijnende wijze.

Hannes Meinkema schetst via Janna een buitengewoon zwartgallig beeld van het gezin waarin Kaatje opgroeit. Moeder Gerda is bijvoorbeeld een stijve trut die geen verstand van opvoeden heeft Kaatjes vader is een enge militair. Janna voelt zich ver boven dit gezin verheven.

Op deze manier word je er als lezer uiteraard toe overgehaald ‘partij’ te kiezen voor Janna die een bijzonder hoge dunk van zichzelf heeft en niet nalaat dit oeverloos aan ons te melden. Ze vindt zichzelf vriendelijk, zacht en meegaand. Ze heeft de mond vol over vrede en begrip is tegen nare oorlogen, vindt dat vrouwen systematisch worden onderdrukt, al geldt dat dan niet voor haar. Ze eet alleen gezond en vindt zich een bijzonder verstandige vrouw met heldere en vooral correcte opvattingen over vrouw, mens en maatschappij.

Maar bij nader inzien begin je als eerst argeloze lezer te merken dat deze fijne lieve Janna in feite neerkijkt op zo ongeveer iedereen. Op haar beste vriendin, op de bewoners van Vlieland die volgens haar onmodieuze kleren dragen, op studenten, op mannen, op mensen die volgens haar niet nadenken, op verkeerde opvoeders en moeders, kortom op iedereen die niet hetzelfde leeft en denkt als zij.

Langzamerhand begin je te beseffen dat Hannes Meinkema een fors gestoorde vrouw heeft willen neerzetten. Janna lijdt vooral onder een abnormale moederbinding: ze kan geen enkele beslissing nemen zonder haar moeder te raadplegen, ze wroet obsessief in haar moeders privéleven en kan zich niet voorstellen dat ze zonder een moeder ooit een leven zou kunnen leiden.

Van relaties met anderen, laat staan met mannen (allemaal harteloze domkoppen) kan dus geen sprake zijn, bovendien snapt niemand haar. En om dit alles te compenseren gaat ze een meer dan gestoorde concurrentiestrijd met de moeder van een buurmeisje aan waaraan ze zich abnormaal hecht en waarmee ze in feite geen bal te maken heeft. Meinkema maakt alles nog eens extra schrijnend door Janna een onnodige operatie te laten ondergaan die haar onvruchtbaar maakt. En waarvan ze haar moeder de schuld geeft.

Ik begon af en toe wel eens te denken dat al deze ellende en vooral het niet aflatende gepraat erover een paar kilo minder had gekund. Die oeverloze scheve praat van Janna om haar rare gedrag goed te praten, die eindeloze discussies over juist en onjuist moedergedrag, je zou bijna gaan geloven dat Meinkema haar antiheldin Janna erg serieus neemt. Dat ze haar toch een edele en wijze vrouw vindt die alles heel scherp ziet. Maar wanneer Janna zich op het einde per vliegtuig haastig op weg begeeft naar haar moeder in Australië om alles zo snel mogelijk uit te praten, besef je dat het met haar nooit meer goed komt.

Kees ’t Hart

Hannes Meinkema – Salomo’s dochter. Contact, Amsterdam. 416 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 10 oktober 2003.