Hoe verhalen de wereld schilderen

In Ik gaf je ogen en je keek in de duisternis, de nieuwe roman van Irene Solà, haar derde, geven oude en nieuwe verhalen een taal en een leven aan mensen die door de geschiedenis veronachtzaamd, genegeerd, opzijgeschoven, ondergesneeuwd zijn. Vrouwen, armlastigen, gehandicapten, onaantrekkelijken, machtelozen. Mensen die langs de rafelranden van de geschiedenis sluipen, die alles zien maar niet gezien worden. Mensen die alles aangrijpen om nog een piepklein beetje geluk te vinden – en waarop ze vervolgens steevast op catastrofale wijze afgerekend worden.

Solà heeft voor haar roman onder andere geput uit Catalaanse volksverhalen, waarvan de strekking overigens niet zo veel anders is dan die van legendes uit andere streken, een keuze die ze achter in het boek nauwgezet verantwoordt. Want dat is denk ik de kern van haar bruisende, woekerende, overrompelende, schitterende roman: dat verhalen onze kijk op de wereld bepalen. Het is ook een inmiddels redelijk geaccepteerde darwinistische visie op het ontstaan en belang van verhalen. Zij vormen een mogelijkheid tot identificatie met een groep en dragen daardoor bij aan sociale veiligheid van de groepsleden én aan de overlevingskansen van de groep. Verhalen vertellen tot behoud van de soort, niets meer en niets minder.

Maar die verhalen vertellen altijd wel alleen maar de zienswijze van de macht, van de winnaars van de struggle for life. In een interview verwijst Solà als voorbeeld naar de heksenprocessen die van de vijftiende tot achttiende eeuw in heel Europa plaatsvonden. Bekentenissen werden verkregen na de meest afschuwelijke martelingen, waarna een al even afgrijselijk doodvonnis werd voltrokken. Maar de verhalen daarover zijn wel geschreven door dezelfde mannen die de martelingen uitvoerden en de vonnissen voltrokken. Terwijl het perspectief van de slachtoffers (wat dachten zij, wat voelden zij, welke woorden horen bij hun pijn, angst en wanhoop) ongeschreven bleef.

Ik gaf je ogen en je keek in de duisternis speelt zich af in één dag, maar er komen tegelijk ook eeuwen langs. Op die ene dag ligt de oude Bernadeta op sterven en de andere vrouwen in de boerderij helpen haar om de overstap te maken, ook de overledenen. Onder hen bevindt zich in de eerste plaats de stammoeder Joanna, die ooit haar ziel aan de duivel beloofde als hij haar aan een man zou helpen. Hierop kreeg zij inderdaad een man, weliswaar geen al te fraai exemplaar maar wel eentje die tot Joanna’s genoegen behoorlijk fors geschapen was. Maar als de man vroegtijdig sterft, wil Joanna haar duivelse verbond verbreken, wat vreselijke consequenties heeft voor al haar nakomelingen tot aan de dag van vandaag. Aan allemaal mankeert wel iets, ze missen een teen, een tong, een deel van het hart. Eén kind wordt zelfs zonder anus geboren en daar word je niet oud mee.

Solà schildert het leven van al deze marginale vrouwen met een bravoure en een verbeeldingskracht die de lezer tot het einde toe gevangen houdt. Irene Solà is behalve schrijver ook beeldend kunstenaar, en dat is ze ook als ze schrijft, meteen al vanaf de eerste zinnen: ‘De duisternis was blauwzwart en beweeglijk, grauw, karmijn en purper tegelijk, zoemend, bespikkeld, blind, dicht, diep en toch vol geflonker. Overal wormen, takken, trillingen, nerven, vlekken.’

De verhalen waar ze uit put, die ze verandert, zelf schept, tonen het leven van generaties Catalaanse vrouwen die, net als in het echte leven, vooral aan een plek gebonden zijn: het huis, hier een afgelegen boerderij. Daar zijn ze elkaar tot steun omdat niemand anders hen steunt. Daar luisteren ze naar elkaar, omdat verder niemand hen hoort. Omdat een roman geen beeld of schilderij is, moeten de woorden het werk doen. En dat doen ze, onafgebroken, zonder witregels vertellen ze over de dag waarop Bernadeta sterft en over de eeuwen waarin de anderen leefden en stierven. Maar ook al zijn het woorden, vaak klonteren ze niettemin samen tot krachtige metaforen en overdonderende homerische vergelijkingen. Bijvoorbeeld als de handen van Blanca hun weg zoeken langs het lichaam van Elisabet.

En plotseling waren daar de handen van Blanca, twee fretten, meesteressen van die contreien, en Elisabet moest opgeven waaraan ze dacht want die fretten klommen op haar glooiingen en streelden ze, daalden af naar de diepten en verzwolgen alles wat ze op hun weg tegenkwamen. Muizen en mollen en slangen, eekhoorns en konijnen en mussen. Ze werden in hun geheel opgeslokt. De huid, veren, botten en ingewanden. Elisabet kreunde, maar hun honger was nog niet gestild. Ze klommen in en uit bomen, zochten eieren, en als Elisabet ze te pakken kreeg, als ze die wilde woelratten verraste, dan greep ze ze stevig bij hun nek, oftewel haar polsen, en duwde hun snuit in nesten om er alle luizen uit op te eten.

Solà heeft geen plaats voor subtiele romantiek of voor ijdele mijmeringen. In plaats daarvan biedt zij een tsunami van geschiedenissen die de geest van de lezer kunnen overstromen, omdat er geen lucht, geen adempauze tussen zit. Het boek zit van het begin tot het eind propvol, loopt bijna over. Pas na lezing, nahijgend, komen de rust en de reflectie. En vraag je je af waar je zojuist aan ontsnapt bent.

Ik gaf je ogen en je keek in de duisternis staat op de shortlist van de Europese Literatuurprijs. De winnaar wordt op 3 september bekendgemaakt.

Jan de Jong

Irene Solà – Ik gaf je ogen en je keek in de duisternis. Uit het Catalaans vertaald door Adri Boon. Cossee, Amsterdam. 208 blz. € 22,99.