Vrolijk hartverscheurend

Addertje van Jolanda Kooijmans bestaat uit vier narratieve gedichten over datgene wat ons hindert, kwaad doet en soms zelfs dreigt te ruïneren. Maar somber is de bundel niet: hij is fantasierijk, bizar en ondanks de zware onderwerpen onweerstaanbaar humoristisch. De titels maken je nieuwsgierig: ‘Addertje’, ‘Zuuz’, ‘Bubblebeez verhalala’ en ‘Constant’. En Kooijmans weet hoe je lezers het verhaal intrekt. Neem de beginzin van ‘Bubblebeez verhalala’: ‘heerneef Bubblebeez ligt morsdood op de grond / naast een homp nagelkaas en een hardgekookt ei’. Dan heb je toch geen rust voor je weet hoe dat zo is gekomen?

Die aandacht houdt ze vast: er zijn vooruitwijzingen, sprekende details, amusante verwijzingen naar Sesamstraat of dichters als Hendrik Marsman, Paul van Ostaijen en Guido Gezelle. Maar Kooijmans’ uitbundige, vaak speelse stijl steekt boven alles uit. Zo kun je schrijven dat Addertje een helse honger heeft als zij wordt geboren, maar het kan ook zo: ‘een lege maag komt ter wereld / met Addertje eromheen’. Nog twee voorbeelden. Het meisje ‘Zuuz’ walgt van de onappetijtelijke pastoor die haar lieve ome Drie de laatste sacramenten geeft. Maar walging maakt je kapot: ‘walging iz geen lichtkiemer // walging krijgt tandjez in het donker in een mum’. Ook de suggestie van een gesprekspartner in de gedichten is humoristisch. Over Naaktslak, de baas van de onderwereld, zegt de verteller: ‘men zegt dat hij deze biotoop heeft bemachtigd / met smeergeld // kan / kan // in ieder geval houdt hij graag toespraken voor zijn volgelingen’. Raar volk trouwens, die volgelingen: ‘knipsels van de botte schaar’.

Het komt goed met Addertjes honger. Als ze direct na haar geboorte op zoek gaat naar eten raakt zij weliswaar ‘Moedermeer’ kwijt, maar ze heeft het geluk Ingeborgh te ontmoeten. Misschien is zij wel een heks, maar:

heks of niet

feit is

dat Addertje uitgehongerd en uitgedroogd
op de oever van het wilgeneiland
een tepel krijgt toegediend

een gummi slurf vanonder Ingeborghs lappenwinkel

Ingeborgh draagt Addertje zorgzaam met zich mee, tot beider genoegen: ‘kom maar gauw in mijn schootje // met haar koppie naar buiten valt ze in slaap // Ingeborgh loopt dijenwrijvend / met blosjes en een wangenkuil’. Maar het samenzijn met Ingeborgh loopt slecht af, ze gaan op een gruwzame wijze uiteen. Addertje wordt groter, zij groeit uit tot een prachtig verleidelijk draakje, maar wel eentje met ‘fonkelende giftanden’, en ‘uit haar bek komt een roze damp / en een tong als een flakkerende vlam’. Als zij in de onderwereld is beland, kost het haar weinig moeite om Naaktslak voor haar karretje te spannen met haar manipulatieve taalgebruik: ‘zo behendig leert ze spreken dat haar tong in tweeën scheurt / en wat de ene helft zegt kan de andere helft weerspreken / op hetzelfde moment’.

‘Zuuz’ is een gevoelig meisje, een lieve kleine ‘mensenbottel’ met eekhoornkleurig haar en een dunne huid, waar de duivel makkelijk doorheen kan kruipen. Aanvankelijk is zij levendig, enthousiast: ‘een wiebelkind / een kletskous / ze plukt woorden uit de lucht en klutst er een omeletje van / eerst iz ze vijf, dan iz ze tien.’ (De s is in de meeste gevallen veranderd in een z. Doet de ik-verteller dat, een aanwezigheid die gesprekken voert met de wind en niet te definiëren valt? Een ‘denkbeeldige stem’?) Maar op haar elfde neemt de duivel bezit van haar. Ze vervreemdt van alles en iedereen en heeft het gevoel niet meer te bestaan, in ieder geval niet voor anderen. Als tiener wil zij zich laten zien en ze krast daarom een verlaten kapel geheel vol met hartjes en haar naam. Ook in haar bovenbeen krast ze een hart, ‘maar alz ze opstaat iz het ondersteboven’. Een duivelsteken? Ze krast net zo lang tot het onzichtbaar is.

In ’Bubblebeez verhalala’ maken we kennis met ‘heerneef B’, een onsmakelijke priester van het soort dat jongetjes naar ‘des glunders piepmuis koekoek / onder den gesteven toog’ praat. Zijn oogappeltje is het vrome jongetje Ot, ‘flapoortje links en flapoortje rechts / een wipneus en een weerborstel’. Ots gevoeligheid voor taal maakt dat B (Bubblebeez / Beëlzebub) hem in zijn greep krijgt. Arme jongen: onder de toog, waaronder de priester hem meedraagt tijdens zijn rondjes door het dorp, is het ‘donker en het ruikt er wee // harige poten staan links en rechts met dikke kronkels’. Maar taal wordt ook Ots redding.

Hoofdpersoon van het laatste verhaal is Constant de Klos, eeuwig slachtoffer, althans volgens hemzelf. Hij zit in de trein. Conductrice Gonnie komt de coupé binnen, ‘een eigenwijs, vrolijk leuk ding’, maar met wie je geen ruzie moet krijgen:

kijk nu jagen grapjes haar nog de trein door

maar daar heeft ze een zwartrijder te pakken
wat is zijn naam en wat zijn adres?

Constant ligt al kermend op de grond
hij heeft wel degelijk ingecheckt!
of hij dacht van wel!

Het ligt voor de hand dat de Satan, die aan de overkant van het gangpad zit, zijn grote oog op hem laat vallen. Na een gigantische natuurramp weet de duivel zich vast te zuigen aan ‘het mannentietje links  / het dichtst bij het hart’ op zoek naar ‘het ware zog van de mensenziel’. Voor zijn onbeweeglijke grote oog is Constant helemaal niet bang, integendeel: hij voelt zich eindelijk gezien!

Mooi is dat taal (gecombineerd met beeld) ook in dit verhaal een rol speelt. Constant heeft altijd Suske en Wiskes bij zich; wellicht identificeert hij zich met Lambiek en tante Sidonia, die regelmatig ook slachtoffer zijn, maar bij hen loopt alles altijd goed af. Taal als escapistisch middel.

Tot slot: weet dat de duivel nooit ver weg is. Moedermeer herkent haar eigen kind niet: ze heeft er immers duizenden. En de ik-verteller in ‘Zuuz’ is de schoonzus van de duivel, maar echt bijzonder is dat niet, want die lopen ook in de duizendtallen. En als je Constant daar ooit voor hebt uitgenodigd, heb je ongetwijfeld gemerkt dat hij ‘voor de zekerheid / […] de ziel uit je verjaardagsfeest’ zoog.

Door Jolanda Kooijmans’ onuitputtelijke fantasie en speelse stijl is Addertje een zeer humoristische bundel geworden. Een goed tegenwicht tegen de inhoud, die soms hartverscheurend is.

Hans Puper

Jolanda Kooijmans – Addertje. Koppernik, Amsterdam. 157 blz. € 22,50.