Recensie: Miet Ooms – Van vogala tot noncha. Het historische verhaal van de Nederlandse taal
Mijlpalen in de Nederlandse taalgeschiedenis
Van vogala tot noncha is een lijvig werk over de historisch-maatschappelijke ontwikkeling van de Nederlandse taal. Ooms staat stil bij belangrijke momenten, van de eerste gevonden Germaanse teksten en teksten uit de middeleeuwen tot de strijd voor erkenning van het Nederlands in Vlaanderen, of het Afrikaans in Zuid-Afrika.
Door de gekozen maatschappelijke invalshoek leerde ik veel dingen die tijdens mijn studie Nederlands niet (uitvoerig) werden behandeld en dat maakt het boek interessant: de letterlijke strijd voor de Friese en Vlaamse taal bijvoorbeeld, met demonstraties en opstootjes. Ik begreep eindelijk waarom de voorkeurspelling ontstond: in Nederland wilden we geen –k in woorden zoals ‘product’, te Duits, in Vlaanderen wilde men geen –c, te Frans. De hele strijd tegen germanismen was ook aanleiding voor het ontstaan van genootschap Onze Taal (‘we laten ons dan ook slapend verduitschen’), en Van Dale heeft niet één editie van zijn eigen woordenboek meegemaakt (hij stierf bij de y).
Ooms gaat uit van mijlpalen in de taalgeschiedenis. Deze opzet geeft het werk wel het karakter van een geschiedenisboek, sommige hoofdstukken zijn erg encyclopedisch. Graag had ik meer concrete voorbeelden van het echte ‘verhaal van de Nederlandse taal’ gezien. Wanneer de voorbeelden er wel zijn, is een hoofdstuk direct interessanter. In het hoofdstuk over premature woordenboeken worden regionale verschillen in de taal aangetoond met de woorden voor mug: mosye, muck, mugghe, mug. Edities van Suske en Wiske verschijnen eerst in een aparte Nederlands-Nederlandse versie naast een echt (West-)Vlaamse editie, daarna in één versie met ‘beschaafd Nederlandse’ taal en voorbeelden maken dat goed duidelijk: Schanulleke heette eerst Schalulleke, dat lijkt me al helder. Maar ik had bij de Delftse Bijbel wel wat bekende Bijbelteksten willen zien, in plaats van alleen een zin uit het voorwoord. Ook voorbeelden van dialecten naast de erkende talen zouden interessant zijn.
Voor wie is het boek bedoeld? Ik weet niet of mensen zonder taalkundige achtergrond Van vogala tot noncha zullen lezen, zoals volgens het voorwoord wel beoogd is. Zo wordt in het hoofdstuk over Reynaert de Vos gesproken over de hypercorrecte h, zonder uitleg van het verschijnsel hypercorrectie. Verder wordt er na de middeleeuwen alleen verwezen naar de invloed van auteurs als Vondel, Hooft, Bilderdijk, maar die wordt niet besproken. Dat lijkt me een gemis als je hier nog niets van weet. Ik denk ook aan Kristien Hemmerechts die haar afwegingen in het schrijven van Nederlands-Nederlands of Belgisch-Nederlands noteerde. De stappen in de strijd voor het Belgisch-Nederlands worden relatief uitgebreid beschreven, maar dat mag best wel eens, vind ik. Aan de andere kant mis ik dan aandacht voor de verengelsing, die toch ook via officiële beleidskeuzes (voertaal opleidingen) uitgevochten wordt en niet alleen de jongerentaal betreft – die wel aandacht krijgt in het laatste hoofdstuk: ‘Noncha yappen over random shizzle’.
Elk hoofdstuk wordt ingeleid met een stukje sfeerbeschrijving, hoe het echt geweest moet zijn. Dit is vaak fictief, al wordt dit maar eenmaal benoemd. We weten meestal al niet wie die middeleeuwse teksten geschreven heeft, laat staan welke beleving ze erbij hadden, of ze er een glas wijn bij dronken, et cetera. In de twintigste eeuw zijn de stukjes misschien wel op bronnen gebaseerd, zoals in het hoofdstuk ‘Leuven Vlaams!’ waar schrijver Geert van Istendael aan het woord komt. Maar misschien ook niet, dat vermeldt Ooms niet. De inleidingen lijken bovendien op elkaar, vrijwel altijd is iemand (bijna) klaar en tevreden na een zware klus.
Ik denk dat Ooms heeft geworsteld met de vorm van het boek: het is niet wetenschappelijk, het is niet alleen voor neerlandici bedoeld. Het wil aantrekkelijk zijn en vrij droge beleidskeuzes en publicaties beeldend presenteren – vandaar de fictieve inleidingen – maar die feiten zijn wel het uitgangspunt. Zo wordt er in de tekst niet naar bronnen verwezen, maar is er achterin een bescheiden bronnenlijst voor wie meer wil lezen. Dat is wel een prima keuze. Het is ook geen studieboek, maar een bladerboek waar je zo nu en dan een hoofdstuk uit kunt lezen. Je hoeft het niet van de ‘Negau B-helm’ tot ‘Noncha yappen’ hoofdstuk voor hoofdstuk te lezen, want Ooms heeft het wat dat betreft knap ingericht. Wie het boek in losse hoofdstukken leest, treft relevante verwijzingen in de tekst aan. Alles staat in de lopende tekst, geen voetnoten, het leest prettig. En roept het vragen op, wil je toch meer weten over die verschillende dialecten, de woorden en klanken? Dan zijn daar al andere boeken over.
Michelle van Dijk
Miet Ooms – Van vogala tot noncha, Het historische verhaal van de Nederlandse taal. Borgerhoff & Lamberigts, Gent. 448 blz. € 35,00.

